kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Pijporgel

Het pijporgel

Het pijporgel (ook wel kerkorgel, of kortweg orgel) is in essentie een aerofoon dat met een klavier bespeeld wordt. De bespeler noemt men organist.

Inleiding
Het pijporgel heeft een lange geschiedenis en evolutie achter de rug. Het is een van de weinige 'antieke' instrumenten die nog frequent worden bespeeld. Omdat een pijporgel vooral in kerken gebruikt wordt, is het voor veel mensen een relatief onbekend instrument. Maar wie zich in het pijporgel verdiept komt terecht in een aparte wereld met een eigen taal, klank, geschiedenis en cultuur.

Het pijporgel heeft (zoals zoveel instrumenten) hoofdzakelijk in Europa een grote bloeiperiode gekend en dan vooral om religieuze redenen. Doch, ook in de rijkere burgermiddens is sinds eeuwen wel eens een positief terug te vinden als begeleidingsinstrument. Het is dus inderdaad een luxe-instrument dat in vroegere eeuwen een knap staaltje high–tech was, maar juist omwille van zijn vrij complexe maar logische bouw is het een duurzaam instrument. Elk orgel is verschillend van klank omdat orgels doorgaans niet in serie worden vervaardigd. Bovendien is het aangepast aan de ruimte en de functie ervan. Vroeger was het een pronkartikel, een orgel met vergulde pijpen en een monumentale kast is indrukwekkend. Even indrukwekkend zijn de mogelijkheden om registers en klavieren te combineren. Bovendien is het fascinerend om een organist die het beste van zichzelf geeft, bezig te zien. Helemaal overdonderend is de klank, die zo veel verschillende kleuren bevat als een regenboog en een luisteraar figuurlijk kan buitendreunen.

Geschiedenis
Een echte geboortedatum voor het orgel zoeken zou zinloos zijn want het orgel is tot op vandaag nog steeds in ontwikkeling. De oudste bronvermelding gaat terug tot 246 voor Christus. Rond deze datum ontdekt Ktesibios (Alexandrië) een muzikaal speelgoed dat mechanisch door pompen wordt bediend. Hij noemt zijn instrument hydraulis. De vaste delen zijn geboren. Alleen werd de druk geregeld door water, wat de naam verklaart. Het is een eenvoudig instrument met slepen die men manueel bedient. Veel zal niet veranderen, tot zeker in de 4de eeuw na Christus zal de hydraulis nog gebruikt worden als een populair luxe-instrument.

De oudste orgelresten dateren van 228 na Christus en zijn gerestaureerd.

De eerste grote verandering bestaat erin om de luchtdruk te stabiliseren in een blaasbalg. De eerste vermelding hiervan gebeurt door Julius Pollux (2de eeuw na Christus). Vanaf nu spreekt men ook van een Organum Pneumaticum (Grieks hydraulikon organon, zie Athenaios (= Athenaeus van Naucratis): Ath. 4174C).

Aanvankelijk was het orgel klein en verplaatsbaar: het zogenaamde portatief (van het Latijnse portare, dragen). De tweede grote evolutie is deze naar het zogenaamde kistorgel of positief (van ponere, neerzetten). Men kon dit orgel ergens vast neerzetten. Ook de kerk was op zoek naar een geschikt instrument voor de begeleiding van gezangen. Thomas van Aquino (1225- 1274) omschrijft het orgel als een instrument dat "de Ziel verheft".

In de Middeleeuwen zal het orgel zijn plaats veroveren in talloze kerken. Daarnaast zal het er kwalitatief op vooruitgaan. Ook wordt er al aan een basbegeleiding gedacht. Het oudste bespeelbare orgel ter wereld bevindt zich in een kerk te Sion in Zwitserland. Het orgel dateert van 1388 of 1435. Het is een zogenaamd "zwaluwnestorgel", met andere woorden, het hangt aan de muur. Het is zeer intact en origineel wat de intonatie betreft. Het is een voorbeeld hoe een middeleeuws orgel er moet hebben uitgezien.

De middeleeuwse orgels hadden een zeer eigen karakter, zij kenden geen registers zoals later het geval is. Voor de 15e eeuw kende men enkel het bestaan van het blokwerk, d.w.z. dat er wel verschillende rangen pijpen in een orgel stonden, maar dat ze nooit apart konden bespeeld worden.

Met de uitvinding van het 'wellenbord' wordt ook de mechaniek verbeterd, de tractuur wordt een ware doolhof van latjes en kleppen, waardoor een meerstemmig spel mogelijk wordt en de melodie sierlijker kan worden uitgevoerd.

In de laatste decennia van de Middeleeuwen is het pedaal een feit in Italië. Langzaam verspreidt dit extra klavier voor de voeten zich naar de rest van Europa en op het einde van de 14de eeuw kan men reeds hier en daar een pedaal van 12 noten aantreffen met een zelfstandige registratuur.

De eeuwwisseling 1500-1600 bracht zowel op technisch als op muzikaal gebied vernieuwingen. Het blokwerk, dat niet de mogelijkheid had om begeleid solowerk uit te voeren, kreeg een vervangend systeem, nl. de springlade. De springlade gaf de organist de mogelijkheid de aparte registers te gebruiken. Dit bracht met zich mee dat kort na 1500 het orgel meer kleur en effecten kreeg. Elk land ontwikkelde zijn eigen typische smaken, met de daaraan vasthangende nieuwe registers, zoals de "flûtes" de "quintadena" en de "rohrflöte". Ook het regaal, dat oorspronkelijk een apart instrument was, deed zijn intrede.

In de 17de eeuw beleefde Frankrijk zijn gouden eeuw. De macht van de koning is op dat moment bijna even groot als die van de Paus in Rome. Lodewijk XIV laat zich een groot lustslot bouwen te Versailles en uiteraard is er een kapel met een orgel. Daarnaast wordt er ook een orgel gebouwd voor de Dauphin met als doel de 'niet-religieuze' muziek. Het Franse klassieke orgel kende een waar hoogtepunt in het midden van de 17de eeuw. Een zeer verfijnde registratie kwam tot stand. Voor het eerst in de geschiedenis resulteerde de orgelbouw in een pracht van kleur, effecten en samenspel. Dat deze Franse school wellicht heel de Europese orgelbouw heeft beïnvloedt, zal niemand betwijfelen. Ook de orgelliteratuur in Frankrijk is zeer karakteristiek. De belangrijkste componisten staan in dienst van de Zonnekoning.

Het orgel kan ingedeeld worden in het 'Grand Orgue', 'Positif' en het 'Récit'. Er zijn nog een paar Franse orgels die overblijven zoals het Grand Orgue gebouwd door Dom François Bédos de Celles (1709 – 1779) te Bordeaux.

Gottfried Silbermann was één van die orgelbouwers, die in Parijs vol bewondering de Franse school proefde. Later, toen hij terugkeerde naar Duitsland, zou hij onder invloed van het Parijse orgel de Duitse orgelbouw laten uitgroeien. Naast Silberman moet men de componist en organist J.S. Bach vermelden, daar zijn werken furore maakten op de orgel van Silbermann. Dit wordt wel algemeen aangenomen maar het is waarschijnlijk niet het geval, Bach moest niets hebben van de 1/5 kommastemming van Silbermann en had meer waardering voor het werk van Hildebrand.

De invloed van Frankrijk op Duitsland was echter niet zo verregaand dat de Duitse orgelbouw een imitatie van de Franse zou zijn. Bach had grondige kritiek op de Franse orgelbouw: de cimbels en de mixturen waren volgens hem niet scherp en hoog genoeg. Vandaar dat het Duitse orgel een zeer scherpe en doordringende klank mee kreeg. Het bijzondere van een Duits orgel, en meer bepaald van de Silbermann-orgel, lag in de eenheid van het instrument, zonder afbreuk dat het afbreuk deed aan de polyfone schrijfwijze van Bachs composities.

Op het einde van de 18e-eeuw is het orgel volledig klaar voor de Romantiek en dit onder andere dankzij dom Bédos die een compleet werk schreef: L'art du Facteur d'Orgues (1766) dat nog jaren zal dienen al basis voor restauraties en nieuwbouw. Het bouwen van orgels is een grote kunst geworden.

Alle evolutie die had geleid tot de pracht en de praal van het Franse hof, zou later zeker nog van pas komen zelfs al kwam er een politieke aardverschuiving op 14 juli 1789. De Franse Revolutie breekt uit en sleept geheel Europa mee. De eeuwige macht van de kerk wordt ter discussie gesteld en kunst is nu een zaak van iedereen.

De Franse kunstwereld zal pas opbloeien met het keizerrijk dat Napoleon Bonaparte uitroept. Parijs blijft de stad van het licht en de kunst. In deze prille nieuwe maatschappij worden de grote namen uit de romantiek geboren. Deze periode, die in de Sturm-und-Drang-mentaliteit zijn wortels heeft, bloeit gedurende de 19de eeuw in geheel Europa. De romantiek betekende voor de orgelmuziek het uitbouwen van crescendo's en decrescendo's. Dit bracht enkele nieuwe technische veranderingen met zich mee. Een eerste vernieuwing was het fortissimo-pedaal. Dit was een pedaal waarmee men in één klap een aantal registers kon aan- of afzetten. Een tweede vernieuwing bestond reeds in de Spaanse orgelbouw, maar werd in de Romantiek verder uitgebouwd: de ontwikkeling van een zwelkast. Dit was een gesloten kast met een aparte windlade die in een zeer snel tempo kon geopend worden, zodat een crescendo-effect werd bereikt.

Het orgel evolueert mee met de symfonische muziek en groeit uit tot het 'Orgue Monumental'. Orgelkasten verdwenen en in de plaats daarvan kwamen pijpvlakken in een vrije opstelling. Deze enorme projecten konden niet meer voorzien worden van een mechanische tractuur, zodat we terecht kwamen bij de pneumatiek. Dit was wellicht de grootste uitvinding van de orgelbouwers in de late 19de eeuw . Elke bouwmeester ging er prat op een eigen systeem te ontwikkelen met de daaraan verbonden documenten van het octrooibureau.

De klank wordt veranderd door systematisch meer en meer aliquoten weg te laten of te vervangen door vulwerken. De gehele registratie bestaat dus voornamelijk uit 2-4-8-16-32voeters die een stabiele klank geven. De tongwerken worden verbeterd en talrijker. Er worden orgels gebouwd met alle stijlen door elkaar, het chamadewerk dat zo typerend is voor een Spaans orgel, wordt nu geïntroduceerd in het Franse orgel. Het klavier groeit verder uit zodat het resultaat meer iets weg heeft van een symfonisch orkest dan een solo instrument.

Het controversiële karakter van de 20ste eeuw had ook zijn gevolgen in de orgelbouw. Men kan twee richtingen onderscheiden. Een eerste richting geloofde steevast in de grote vernieuwingen van de pneumatische en de elektrische tractuur. Deze technieken brachten op alle gebied enorm veel mogelijkheden met zich mee. Na een dertigtal jaren echter bleken deze systemen niet de ideale vondst te zijn. Zij gingen niet lang mee en men kreeg al snel een tweede groep bouwers die terugkeerde naar de oudere systemen.

Het orgel is nu een volwassen instrument dat zijn eigen taal en leefwereld heeft ontwikkeld, het doet zijn naam van koning der instrumenten alle eer aan. De tijd van de wiskundige muziek à la Bach is voorbij, maar niet vergeten. De muziek wint veel aan kracht en gevoeligheid. Veel componisten schrijven ook neer wat ze voelen, ook al valt dit niet altijd in goede aarde. De kunst is vanaf dan een vrij medium zodat iedereen er zijn eigen visie kan vertolken. Om aan al die expressiviteit te voldoen volstaan instrumenten als een klavecimbel en een viola da gamba niet meer. Er is nu ook vaak contact tussen de bouwer van het instrument en de muzikant.

Ook componisten onderling groeperen zich zodat ze eenzelfde richting uitvaren. Het publiek verbreedt zich ook zodat een bredere waaier van klassen aan cultuur doet. Vaak wordt er door de componisten ook naar het publiek toegewerkt. Ze zijn volledig onafhankelijk, zo zijn bestellingen geen prioriteit meer. De artiesten krijgen kans om zich te vervolmaken, ze evolueren en sommigen worden virtuoos.

Bouw van een orgel
Windvoorziening (conflatorium)
Om lucht door de orgelpijpen te kunnen blazen wordt een balg opgepompt - dit wordt de windkast genoemd. Vroeger kwamen er blaasbalgen aan te pas (veelal handmatig bediend, of met de voeten, de zogenaamde calcant), maar tegenwoordig wordt in dat windwerk steeds meer elektrisch voorzien door het toepassen van een speciale ventilator (windmachine). Door het niet meer toepassen van de windkast moeten balgen in kleinere afmeting nog steeds worden toegepast om lokaal in een orgel de winddruk te stabiliseren. De meeste speeltafels hebben twee rijen toetsen (klavieren of manualen).

Oude orgels bedienden met manualen alle kleppen via een mechanisch stangenstelsel, de zogenaamde tractuur. Dit kon er toe leiden dat deze orgels zwaar te bespelen waren (tot wel 2 kg per toets). Eind 19e eeuw werd de pneumatische tractuur uitgevonden waarbij de mechanische bediening van registers en de verbinding tussen toets en pijp door middel van luchtdruk tot stand kwam. Nadeel hiervan was dat zo'n orgel soms trager (lui) reageerde. Nog recenter werd de elektro-pneumatische tractuur ontwikkeld waarbij de toetsen van de klavieren voorzien zijn van schakelaars en waarbij hiermee ingeschakelde elektromagneten de kleppen in de windladen bedienen.

Voordelen van elektromagnetische tractuur zijn bijvoorbeeld:
. De speeltafel kan mobiel zijn opgesteld en kan zelfs op grote afstand van het orgel worden geplaatst.
. De toepassing van elektrotechniek maakt het mogelijk vaste registercombinaties in bijvoorbeeld verschillende klankgroepen en klanksterkten toe te passen.

Tegenwoordig wordt echter bij nieuwbouw van orgels veelal teruggegrepen naar de aloude mechanische tractuur. Het voordeel hiervan is immers dat de organist echt "voeling" heeft met het instrument. Een goed ontworpen mechanische toetstractuur hoeft in het geheel niet zwaar te bespelen te zijn. Bij grote symfonische orgels wordt gebruikgemaakt van zogenaamde barkermachines. Deze bevorderen een lichte speelaard, daar zij de mechanische toetsbeweging via kleine balgjes versterkt doorgeven aan grote, zwaarder bewegende ventielen.

Manualen en pedaal
Een pijporgel heeft doorgaans een of meer manualen en een pedaal. Het aantal manualen kan oplopen tot zeven bij zeer grote orgels. Met registerknoppen kunnen series pijpen gekoppeld worden aan (een deel van) de manualen of het pedaal. Een organist leest doorgaans van bladmuziek die in twee tot vier balken genoteerd wordt van boven naar beneden: beide handen (en pedaal). Ook met de voeten kan men toetsen indrukken; dit voetklavier noemt men het pedaal. De omvang van het pedaal is veelal 27 of 30 "pedalen".

Registratuur en pijpwerk (fistulae)
Dit is het derde grote deel van het orgel en tegelijk het belangrijkste, want hier ontstaat de klank. Net zoals bij alle andere klavierinstrumenten is er voor elke toets één klank, die vastligt (uitgezonderd de aliquoten).

Een orgel haalt zijn klank uit de pijpen, waardoor lucht stroomt. Hetzelfde principe als bij de fluit–familie, alleen kan een speler van een fluit zelf de toon bepalen door al dan niet de gaatjes af te dekken, waardoor de lengte van de resonantieruime (= buis) vergroot wordt. Omdat men niet de mogelijkheid heeft om de lengte van de pijp te laten variëren is men dus genoodzaakt om per noot één pijp te bouwen.

Het materiaal van de pijpen is zoals bij de meeste Aerofonen hout of metaal. Uiteraard geeft een ander materiaal een andere klankkleur. Een metalen pijp is vervaardigd uit een legering van tin en lood wat soepelheid meegeeft aan het materiaal en een licht gewicht. Voor de houten pijpen wordt vaak eik gebruikt. Iedere metalen pijp wordt gesneden uit een gewalste plaat, de lengte is vastgelegd voor elke noot, ook de diameter, de mondopening. Alle maten en diktes liggen vast in mensuurtabellen, waardoor elke pijp zo getrouw mogelijk naar een standaard wordt vervaardigd. Uiteraard worden houten pijpen gezaagd en tezamen gelijmd; ze zijn balkvormig.

Labialen
Om een pijp te laten staan wordt de voet vastgezet in een rek. De grootste pijpen worden op verscheidene hoogtes vastgezet, opdat deze niet zouden bezwijken onder hun eigen gewicht en op alle andere pijpen vallen. De voet moet stevig zijn gemaakt, zodat de pijp stabiel staat.

Onderaan de voet is er een gat. Hierdoor stroomt de lucht de pijp binnen om de laatste etappe van haar reis te beginnen. Eens de lucht in de voet zit, kan zij alleen via het labium (de lip) naar buiten, de voet wordt namelijk bovenaan bedekt met een stuk metaal of hout.

De lucht stroomt uit de voet door de opening waar de stroom in twee delen wordt gesplitst, één deel gaat 'verloren', een ander deel stroomt via de opsnede terug de pijp in. Door het splitsen wordt de lucht in beweging gezet, volgens een bepaalde frequentie resoneert zij in de buis wat de toonhoogte bepaalt. Om te weten hoe een pijp er uitziet, volstaat het om naar de frontpijpen (=praestanten) te kijken.

Omdat hier de klank wordt gevormd door het labium, heet deze groep pijpen de labialen. Qua klank zijn ze te vergelijken met fluiten en strijkers.

Lingualen (tongwerken)
De tweede groep zijn de lingualen, hier wordt de klank gevormd door een tong. In de voet zit een 'lepel', waarop een tong is bevestigd (hetzelfde principe als bij een saxofoon). Doordat de lucht tussen de opening van de lepel en de tong moet gaan, gaat de tong trillen waardoor hij tegen de lepel slaat. Hier bepaalt de lengte van de tong dus de toonhoogte. De trillingen worden vervolgens uitvergroot in de klankbeker. De klankbeker bepaalt deels de klankkleur en de toonhoogte. Tot de lingualen met een lange trechtervormige beker behoren onder andere Bazuin, Trompet, Schalmei, enz. Tot de groep met een cilindrische beker: Fagot, Dulciaan, Kromhoorn, enz. Tot de groep met een korte beker: Regaal, Vox Humana, Ranket, enz.

Voor de grootste pijpen is de beker 'demonteerbaar' zodat men alleen de voet er uit kan nemen. De klank is hier veel sterker. De basisklank kan vergeleken worden met deze van een trompet.

Uiteraard heeft men veel onderzoek gedaan omtrent de mensuren zodat er een nieuwe klank ontstond. Er bestaan honderden soorten pijpen met elk een eigen stem, die elk een eigen naam hebben gekregen, men spreekt ook van registers of stemmen; elk orgel heeft zijn eigen registratuur.

Opstelling van de pijpen
Bij kleine orgels worden de pijpen als regel chromatisch op de windlade geplaatst. Bij grote orgels worden de pijpen doorgaans in hele-toons afstanden op de windladen gezet. Ter wille van de symmetrische opbouw van de kast maakt men dan een C-lade met daarop van links naar rechts C – D – E – Fis – Gis, enz. en een Cis-lade met daarop van rechts naar links Cis – Dis – F – G – A, enz. Als je die twee laden inbouwt staan de langste pijpen aan de zijden van de kast en de kortste in het midden. In het front is er een klassieke opstelling, centraal het hoofdwerk (Grand Orgue) onder het rugpositief (echo, Positif), bovenaan het zwelwerk (bovenwerk, Jeux Expressif) en aan de zijkanten de pedaaltorens. Als er een chamadewerk (borstwerk, Solo) is, dan bevindt zich dat altijd juist boven de organist.

Toonhoogte en klankkleur
Regel bij labiaalpijpen, open of gedekt, is:
. De lengte van het corpus van een labiaalpijp bepaalt de toonhoogte.
. De mensuur van het corpus, de verhouding van de diameter tot de lengte van de pijp, bepaalt de klank. De dunne pijpen van strijkers hebben een enge mensuur en produceren veel boventonen en de Tibia van een theaterorgel heeft wel de meest wijde mensuur en klinkt zeer grondtonig.

Het menselijk gehoor
Jonge mensen kunnen trillingen van 16 Hertz (16 trillingen per seconde) t/m ongeveer 20000 Hertz als geluid waarnemen, dus horen. Het heeft dus geen zin om bij het bouwen van instrumenten buiten die waarden te gaan al heeft men dat bij wijze van experiment hier en daar wel gedaan. Trillingen tot omstreeks 35000 Hertz zijn niet los hoorbaar, maar schijnen nog wel invloed te hebben op het klankbeeld dat wij krijgen. Bij oudere mensen is het vrij normaal dat die bovenwaarde tot 12000 à 10000 Hertz terugzakt.

Toonhoogte
De enige manier van variëren van Toonhoogte is de lengte aan te passen. Traditioneel wordt de lengte voor elke pijpsoort gemeten in voet (1 voet = 324,83 mm).

Voorbeeld: Prestant 8 Voet, wil zeggen dat de grootste pijp van dat Prestant-register een corpuslengte van 8 voet (circa 260 cm) heeft. Door de corpuslengte van die pijp te halveren zal de toon met 1 octaaf verhoogd worden, door de corpuslengte van die pijp te verdubbelen zal de toon een octaaf verlaagd worden. Een basisreeks pijpen bestaat dus uit een 1', 2', 4', 8' en 16'.

Bij grote kerk-, kathedraal- en concertorgels kan men wel een 32’ register aantreffen, soms meerdere. Zulke grote pijpen worden vanwege het ruimtegebrek in de orgelkast vaak verkropt opgesteld, d.w.z. met een bocht erin gebouwd, of opgerold, wat een beetje aan een tuba doet denken. Soms worden de pijpen ondergebracht in pedaaltorens aan de zijkant van het orgel. Als een orgel slechts een 32' register heeft, zal dat vanwege de ruimte bijna altijd een tongwerk zijn, aangezien de pijpen van een tongwerk niet fysiek 32 voet lang hoeven te zijn.

De lengte van de hoogste c (de c'''') van een 1/16' zal maar ongeveer 10 mm zijn en geeft een toon van 16384 Hertz, terwijl de lengte van de langste pijp van een 32' iets meer dan 10 meter zal zijn! De laagste 32' pijp is voor een labiaal pijp bijna niet hoorbaar meer, de toon wordt met een frequentie van 16 Hertz bijna infrasoon en is beter te voelen dan te horen. Als die laagste open pijp van 2 cm dik multiplex is gebouwd, zal zij bovendien ongeveer 500 kg wegen.

Er bestaan zelfs 64' registers. De lage c hiervan produceert een toon van maar 8 Hertz. Hoewel deze toon niet hoorbaar is, voegt hij wel toe aan het klankbeeld van het orgel. Deze registers worden bijna nooit toegepast in kerkorgels, echter wel in grote theater- en concertorgels die veel kracht nodig hebben in het pedaal. Er bestaan maar twee echte 64' registers in de wereld: de Diaphone-Dulzian in het Main Auditorium Organ van de Boardwalk Hall in Atlantic City, New Jersey, USA en de Contra-Trombone in het Town Hall Organ in Sydney, Australie.

Er zijn meer orgels in de wereld met een vermeld 64' register, maar deze zijn nep. Dit zijn 32' registers die in combinatie met een 21 en 1/3' (vijfde) register klinken, om een resulterende toon op te wekken die klinkt als een 64' register.

Klankkleur
Er zijn een aantal manieren om de klankkleur te variëren:
. De orgelbouwers kunnen de resonantieruimte aanpassen: de pijp kan smaller, breder, conisch of trechtervormig worden gemaakt. Dit heeft allemaal invloed op de samenstelling van het scala boventonen dat de pijp produceert, dus de klank
. De intoneurs en de stemmers kunnen d.m.v. vernauwen of verwijden van de kernspleet of van de stemspleet, het aanpassen, eventueel het opsnijden van het labium, het plaatsen van baarden, eventueel het verhogen van de luchtdruk e.d. de luchtstroom zo manipuleren dat de klank aan het door hen gestelde ideaal zal voldoen.
. De stemmers kunnen van twee gelijkwaardige registers 1 register enkele cents hoger of soms lager gestemd wordt, waardoor een zwevend geluid ontstaat, zoals b.v. bij een Celeste.
. De bouwers kunnen de natuurlijke boventonen, die de klank van de registers bepalen, door het toevoegen van extra rijen pijpen, verenigd in registers, versterken. Zulke registers heten vulstemmen.
. . De aliquoten hebben maar 1 boventoon per toets, meestal een kwint of een terts, soms een septime.
. . De meervoudige vulstemmen hebben in grote orgels wel tot 8 van die boventonen per toets. Dat kunnen hele reeksen boventonen zijn of complete akkoorden.

Speelhulpen
Het spelen van het orgel is een lichamelijke activiteit, alle ledematen worden ingeschakeld om het beste van jezelf te geven. In het aanvangstadium was er maar één eenvoudig manuaal dat als begeleiding diende. Door de eeuwen heen werd het instrument een erkend solo-instrument. Nu bestaan er orgels met vijf klavieren en pedaal, die ook allerlei extraatjes hebben die het orgel verfraaien, deze speelhulpen zijn optioneel.

Koppelingen
Bij een orgel met verschillende manualen en pedaal, kan men door middel van een koppeling vanaf één manuaal de andere manualen automatisch laten meespelen. Afhankelijk van de mechaniek en manualen spreekt men van schuifkoppeling, manuaalkoppeling, pedaalkoppeling. Sinds de 19de eeuw bouwt men orgels met octaafkoppelingen (subkoppels) zodat het octaafbereik zich nog vergroot.

Bijvoorbeeld: is het hoofdwerk (I) gekoppeld aan het zwelwerk (II ) met een octaafkoppeling 16', dan zal op het andere klavier dezelfde noot een octaaf lager meespelen. Een organist kan dus van een 4' een 8' maken en van een 8' een 16', of van een 16' een 32'. Er bestaat ook een octaafkoppeling 4'. Deze koppelt een octaaf hoger.

Tremulant
Een pijporgel maakt in principe gebruik van lucht onder constante druk, maar niets weerhoudt de bouwers ervan om daar ook mee te experimenteren. De tremulant is dan ook op meerdere orgels in gebruik: in de 18e-eeuwse instrumenten als inliggende tremulant, op romantische orgels met zwelwerk als opliggende tremulant.

Het woord komt van tremulare, wat trillen betekent. Door de luchttoevoer met twee tot acht trillingen per seconde te variëren voordat deze hij de pijp bereikt ontstaat een klank in schokjes. De inliggende tremulant: in een horizontaal lopend windkanaal wordt een schuinliggend kaderwerkje geplaatst waarop een klep rust. Op de klep bevindt zich een metalen veer met op het uiteinde een loden gewicht. Met behulp van een metalen staaf kan de klep omhoog worden gezet zodat de wind ongehinderd door het kanaal kan stromen. Wordt de klep losgelaten dan ligt ze op het kaderwerk en zal door de aanstromende wind worden omhooggedrukt. De veer met gewicht zorgt voor tegendruk zodat een slaande beweging ontstaat waardoor de luchtstroom "tremuleert". De opliggende tremulant: de bouwer bouwt op een verticaal lopend windkanaal een extra balgje dat beheerst wordt door een veer en een gewicht. Door het register (of pedaal) te selecteren, loopt dat extra balgje vol met lucht en de veer stoot het balgje terug leeg in de vertakking. De lucht komt dus in schokjes terecht bij de pijpen (zoals bij de bloedsomloop), zodat de klank ook in schokjes ontstaat. Door de veer te reguleren kan men de frequentie bepalen van het aantal 'trillingen'. Op grote orgels vindt men soms een "Tremblant Fort"(= opliggende tremulant) en "Tremblant Doux" (inliggende tremulant).

Appel aux anches
Orgelbouwers bouwden ook extra pedalen zodat er meer mogelijkheden bestonden om het spel te laten variëren, terwijl de organist eenvoudig kon doorspelen. Zo bestaan er treden die een bepaalde register-familie kunnen 'oproepen'. Dit geldt bijvoorbeeld voor de tongwerken ('Anches' in het Frans). Deze werden vaak als allerlaatste ingeschakeld zodat de klank op het einde het luidste klonk.

Wanneer van de registers alle labialen zijn ingeschakeld, spreekt men van het (Klein) Plenum (vol). Soms wordt met het (Klein) Plenum alleen het zogenaamde Prestanten-koor bedoeld. Als alle registers 'zijn getrokken' (= aan staan), wordt dat 'Tutti' genoemd (of Groot Plenum). Het orgel speelt dan met zo groot mogelijk volume. In het Frans wordt dit aangeduid met respectievelijk "Plein Jeu" (het volle werk zonder tongwerken) en "Grand Jeu" (inclusief de tongwerken).

Zweltrede en zwelkast
In de 19de eeuw ging het orgel veel gelijkenissen vertonen met een symfonieorkest, er waren allerlei soorten klankkleuren en speelhulpen. Maar toch wilden bouwers al eeuwen een orgel vervaardigen dat van fortissimo (zonder grote 'schokken') naar pianissimo zou kunnen gaan en omgekeerd. De grote vooruitgang om dit te bereiken bestond er in om een 'werk' in te bouwen in een geïsoleerde kast die langs de voorzijde dankzij jaloezieën open of gesloten kon worden. Het resultaat was zeer effectief zodat dit een onmisbaar gedeelte van de orgelbouwkunst werd. Later zouden nog meer pogingen in die zin ondernomen worden zodat het Recit Expressif als zelfstandig instrument zou doorgroeien tot een nieuw instrument; het Orgue Expressif, beter gekend als het harmonium.

Stemming en onderhoud
De intoneur zorgt ervoor dat alle registers een mooie kleur, uitspraak en karakter krijgen. Zijn beroep vergt een geoefend oor en veel meesterschap en geduld.

Om de pijp tot op juiste frequentie te stemmen moet men de lengte minutieus kunnen veranderen. Een goed orgel moet minstens twee keer per jaar aan een grondige stembeurt onderworpen worden, waarbij elke pijp wordt gestemd. Door de verschillen van vochtigheid en temperatuur gaat het metaal uitzetten of krimpen, waardoor de corpuslengte verandert. Dit is een van de redenen waarom een kerk zeer langzaam wordt opgewarmd. Het stemmen gebeurt afhankelijk van het register door middel van een systeem eigen aan de pijp: de stemrand, stemkrul, stemhoed, stemring, stemlap een beetje te verplaatsen.

Bij de gedekte pijpen kan men stemmen door de hoed of de stop te verhogen of te verlagen, bij de praestanten en strijkers en zwevingen door de stemkrul af of op te rollen.

Een tongwerk (bijvoorbeeld fagot 8') wordt gestemd door de stemkruk die op de tong zit naar boven of beneden te verschuiven. De tongwerken gaan door hun bouw van de stemkruk niet zo snel onderhevig zijn aan uitzetten van het metaal, de toonhoogte blijft iets constanter terwijl de labialen gezamenlijk een beetje zakken of stijgen. De tongwerken moeten dus frequenter worden bijgestemd.

Een orgel stemmen is een hele klus die niet door één persoon alleen uit te voeren is. Iemand moet aan het klavier zitten een andere moet stemmen. Hoe meer registers, hoe langer (soms dagen) het stemwerk duurt. Natuurlijk is het goedkoper om een orgel goed te onderhouden, zodat grote problemen kunnen worden vermeden.
Men begint praktisch gezien altijd het stemmen van een 8' en 4' labiaal met een frequentiemeter, de rest gebeurt vaak op het gehoor. Als laatste komen de lingualen aan de beurt. Het materiaal om te stemmen hangt af van het register. Elk soort pijp heeft ander stemmateriaal nodig. In principe wordt altijd voor de zomer gestemd omwille van de temperatuur.

Bij het stemmen mag een pijp nooit met de hand aangeraakt worden omdat de lichaamstemperatuur dan wordt doorgegeven waardoor het metaal uitzet, en de pijp verkeerd gestemd wordt.

Bambuso sonoro
Afwijkend van de traditionele orgelbouw ontwierp de Nederlandse beeldende kunstenaar Hans van Koolwijk een bamboe-orgel met meer dan honderd fluiten, die hij de naam Bambuso sonoro gaf. Dit is geen uitzondering, het is waarschijnlijk geïnspireerd op het bekende 19de eeuwse bamboe orgel uit Las Piñas City in de Fillipijnen.


Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Pijporgel.

Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 383.