kunstbus
Dit artikel is 30-03-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Koninklijk-Conservatorium-Den-Haag

Het Koninklijk Conservatorium is het conservatorium in Den Haag. Het is centraal gelegen aan de Juliana van Stolberglaan, vlakbij het Centraal Station.

De Haagse Muziek- en Zangschool, het huidige Koninklijk Conservatorium, is in 1826 opgericht door Koning Willem I als Koninklijke Muzykschool. De directeuren waren vooraanstaande componisten: J.H. Lübeck (tot 1865), W.F.G.Nicolaï (tot 1896), Henri Viotta (tot 1919), Johan Wagenaar (tot 1937), Sem Dresden (tot 1941 en van 1945 tot 1949), Henk Badings (tussen 1941 en 1945), Hendrik Andriessen (tot 1957), Kees van Baaren (tot 1970), Jan van Vlijmen (tot 1986) en Frans de Ruiter (de laatste is de eerste die niet componeert).

Muziekonderwijs vinden wij nu een vanzelfsprekende zaak. Maar tot 1825 was muziekles voorbehouden aan een elite en aan de kerk. Na het Franse bewind van Lodewijk Napoleon, maakte de ambitieuze Willem I een begin met professioneel muziekonderwijs. In 1825 richtte hij in Brussel, Luik, Amsterdam en Den Haag muziekscholen op, die hij een jaar later het predikaat 'Koninklijk' gunde. Maar de Amsterdamse Koninklijke Muziekschool redde het niet en moest worden opgedoekt.
Den Haag ging het beter af: onder leiding van de jurist, cellist, componist, organisator en dirigent Henri Viotta groeide de Koninklijke Muziekschool in 1900 uit tot Koninklijk Conservatorium. muziek en dans, wetenschap en praktijk, studeren en uitvoeren elkaar ontmoeten. Het internationale karakter van het Conservatorium wordt onderstreept door de vijftig nationaliteiten die er vertegenwoordigd zijn. Vanaf 2006 is Wim Vos, van huis uit slagwerker, directeur van het Conservatorium en is Frans de Ruiter bestuurder. Het conservatorium telt zo'n 1000 studenten, ongeveer 300, voornamelijk parttime, docenten en 40 medewerkers.

Het Conservatorium biedt studenten de kans zich te bekwamen in een groot aantal muzikale genres:
. Klassieke muziek
. Jazzmuziek (hoofd: Wouter Turkenburg)
. Oude muziek (hoofd: Johannes Boer)
. Dans (hoofd: Wim Broeckx)
. Sonologie - Wetenschap van de muzikale klank (hoofd: Kees Tazelaar)
. Art of sound (hoofd: Peter Nuijten)
. ArtScience
. Compositie
. Docent muziek (hoofd: Wouter Tempelaar)
. Ballet

Website: www.koncon.nl

Het Koninklijk Conservatorium voor Muziek werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 7 april 1826. Artikel 1 bevatte de bepaling: "Er zal in de stad 's-Gravenhage eene Muziek- en zangschool worden opgerigt." De minister van Binnenlandse Zaken stelde krachtens art. 2 van dit K.B. bij besluit van 25 april 1826 een Commissie van Toezicht in. De nog jeugdige musicus J.H. Lübeck werd als eerste belast met het directeurschap. Daarvoor was hij sinds 1823 als orkestdirecteur te Amsterdam werkzaam geweest.

Op 6 december 1826 werd het reglement goedgekeurd en op 1 januari 1827 begon de school met vijftig leerlingen. De niet-betalende leerlingen werden door de directeur gekozen uit kinderen van wees- en armenhuizen en uit minvermogende gezinnen. Voorwaarde voor toelating was dat zij zich voor de gehele cursus aan de school verbonden en van de uitoefening van de muziek hun beroep zouden maken. Dilettanten konden tegen betaling de lessen volgen.

De geringe middelen van de school maakten het onmogelijk geschikte onderwijzers te vinden. Door een engagement bij het orkest der Franse Opera aan de onderwijzers aan te bieden werd dit probleem opgelost. Dit was mogelijk door het feit dat de gemeente 's-Gravenhage beide instellingen ondersteunde. Haar bemoeiing met de Franse Opera werd in 1828 gestopt. Om deze bron van inkomsten te vervangen kregen de onderwijzers een plaats in de door koning Willem I gestichte Koninklijke Hofkapel. Deze overgang was vooral te danken aan de hofmaarschalk J.W. baron Huijssen van Kattendijke, die de Hofkapel onder zijn toezicht had en tevens lid was van de Commissie van Toezicht. De directeur van het conservatorium werd hierdoor tevens kapelmeester. Aan deze inkomsten kwam een einde in 1842, nadat koning Willem II reeds in 1841 besloten had tot opheffing van de Hofkapel. Om het wegvallen van deze betrekking te compenseren kregen de leden tot 1850 nog een uitkering van de koning en de stad 's-Gravenhage.

Vanaf 1841 waren er contacten met de maatschappij tot bevordering van de Toonkunst over de oprichting van een orgelklasse op de muziekschool. In 1853 werd W.F.G. Nicolaï belast met de leiding van de orgelklasse. Deze kreeg aan het begin van de kerkvoogden van de Nederlands Hervormde Kerk de beschikking over het orgel in de Grote Kerk te 's-Gravenhage. In het najaar kreeg Nicolaï zelf de beschikking over een pedaalinstrument. Twee jaar later kon door een éénmalige subsidieverhoging van vierduizend gulden een Bätz-orgel worden aangeschaft, afkomstig uit de nalatenschap van koning Willem II.

In de vergadering van 10 februari 1865 werd medegedeeld dat de directeur J.H. Lübeck de zevende van die maand was overleden. Na deze bekendmaking deed de Commissie van Toezicht op 20 februari 1865 een voordracht voor een nieuwe directeur. Ondanks het feit dat zij met vier stemmen de voorkeur uitspraken voor J.J.H. Verhulst, orkestdirecteur te Amsterdam, boven W.F.G. Nicolaï, leraar aan het conservatorium, beschikte Thorbecke als minister van Binnenlandse Zaken afwijkend. Dit had tot gevolg dat vier leden van de Commissie van Toezicht hun ontslag vroegen om daarmee hun ongenoegen te laten blijken Bij deze benoeming zal mede een rol hebben gespeeld, dat Thorbecke Nicolaï persoonlijk kende, aangezien laatstgenoemde muziekles gaf aan zijn kinderen. In ditzelfde jaar werd een nieuw reglement opgesteld door de opnieuw aangevulde commissie. Inmiddels had Nicolaï niet die invloed gekregen die hij zich gewenst had. Zo werd hij in 1874 niet gekend in een reglementswijziging die de Commissie van Toezicht aan de minister voorlegde en die werd aangenomen. In 1875 waren de geschilpunten van Nicolaï met voornoemde commissie dermate groot dat hij ertoe overging om een vertrouwelijk schrijven te richten aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij hoopte hierdoor alsnog zijn mislukte voorstellen tot wijziging in het beleid gestalte te geven.

Tijdens het directeurschap van W.F.G. Nicolaï breidde de school zich behoorlijk uit. Waren er in 1865 nog 208 leerlingen met 15 leraren, in 1893 was dit aantal al gestegen tot over de 300 met 22 leraren. Eind april 1896 overleed Nicolaï.

Mr. H.A. Viotta volgde Nicolaï op. Hij onderscheidde zich op velerlei terrein. Als vurig aanhanger van Wagner nam hij het initiatief tot de oprichting van een gelijknamige vereniging. Zo werd ook, mede door zijn toedoen, in 1900 de naam van Koninklijke muziek- en zangschool verandert in Koninklijk Conservatorium voor Muziek ( Zie inv.nr. 21 en Koninklijk Besluit van 10 mei 1900 nr. 11. ) . Vier jaar later richtte hij het Residentie-orkest op. Dit had tot gevolg dat vele onderwijzers van het conservatorium, evenals destijds bij de Hofkapel, een nevenfunctie kregen in het orkest. Hierdoor kwam het onderwijs op het conservatorium in het gedrang. Dientengevolge ging de Commissie van Toezicht er in 1906 toe over om zich in een brochure tegen de negatieve uitlatingen over deze gang van zaken in de pers te verdedigen ( Zie inv.nr. 59. ) . Dit had echter niet het gewenste resultaat. De stroom van kritiek hield aan en bereikte een hoogtepunt toen in het parlement naar aanleiding van een artikel in de Telegraaf zelfs vragen werden gesteld ( Zie J. Kasander, 150 jaar Koninklijk Conservatorium, blz. 51. ) .

In 1919 nam H.A. Viotta, mede onder druk van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, op zeventig-jarige leeftijd ontslag als directeur.

Nadat het probleem over de hoogte van de salariëring was opgelost kon dr. J. Wagenaar tot directeur worden aangesteld. Hij begon met de instelling van een examenklas, om vervolgens de hele examenregeling van 1865 te veranderen. Hij zette zich tevens in voor een verbetering van de salariëring en de pensioenen van de onderwijzers.

In 1926 werd het 100-jarig bestaan van de school opgeluisterd met een groot feestconcert. Tien jaren later onderging het conservatorium een bestuurlijke wijziging doordat het officieel een rijksinstelling werd en de onderwijzers rijksambtenaren werden.

In 1937 ging J. Wagenaar op 75-jarige leeftijd met pensioen. Hij werd opgevolgd door Sem Dresden. Diens ideaal was om een muziekschool aan het conservatorium te verbinden om zo de leerlingen van jongs af aan te kunnen begeleiden. Dresden's loopbaan werd echter door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog onderbroken. Op 22 november 1940 werd hij, evenals de docenten David Meijer, Lothar Wallerstein en Rosa Spier, vanwege zijn Joodse afkomst uit zijn functie ontheven. Per 1 maart 1941 werd dit omgezet in een ontslag. Dr. Walther Boer werd tot waarnemend directeur benoemd, maar op 1 september 1941 werd, met voorbijgaan aan de Commissie van Toezicht, ir. H.H. Badings tot directeur benoemd. De naam Koninklijk Conservatorium voor Muziek werd tijdens de oorlog veranderd in Rijksconservatorium.Het bestuur van de school kwam in handen van de directeur. De school ressorteerde onder het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming, dat bepaalde dat aan Joodse leerlingen het verder bijwonen van de lessen moest worden ontzegd. Voor de Joodse leerlingen die in de laatste twee studiejaren zaten, werd een uitzondering gemaakt. Zij zouden echter vanaf dat moment in aparte klassen de lessen voor het examen moeten volgen. Publicatie van de examenresultaten werd eveneens verboden.

Tussen 1941 en 1944 zijn er door oorlogsomstandigheden tal van wijzigingen in de lesroosters en van leraren geweest. Badings wist echter gedaan te krijgen dat de studie aan het conservatorium als arbeidsdienstplicht beschouwd werd, zodat geen leerlingen naar Duitsland moesten. Dolle dinsdag (5 september 1944) ontwrichtte het openbare leven in Nederland totaal. Hieraan ontkwam ook het conservatorium niet. Veel leraren en leerlingen konden de school niet meer bereiken. De directeur vertoefde vanaf 5 september 1944 in Emmen en Groningen en is sindsdien niet meer op vergaderingen van de Commissie van Toezicht verschenen. Door gebrek aan brandstof kwam het onderwijs al snel tot stilstand al hebben enkele leraren nog wel thuis lessen gegeven.

Tien dagen na de bevrijding kon de Commissie van Toezicht na vier en half jaar afwezigheid Sem Dresden weer als directeur van het conservatorium begroeten. Een van de dingen waarvoor hij zich na de oorlog veel moeite heeft getroost is het conservatorium een nieuw studie-orgel te verschaffen. Na veel overleg werd besloten het orgel te bestellen bij de orgelbouwer Victor Gonzalez te Parijs. Er moesten heel wat financiële en organisatorische moeilijkheden worden opgelost voordat het op 20 oktober 1950 feestelijk kon worden ingewijd.

Inmiddels was in afwijking van de voordracht van de Commissie van Toezicht prof. H. Andriessen in 1949 benoemd tot directeur van het conservatorium. Bij zijn installatie als directeur beloofde hij alles te zullen doen wat in zijn vermogen lag om de instelling tot nog groter bloei te brengen. "Niets schrikt mij hiervan af", zei hij, "ook niet de slechte behuizing die zelfs slecht is te noemen voor een dorpsschool."

Dit was niet teveel gezegd, aangezien de directeur zelf een aantal uren zijn kamer moest afstaan opdat ook daar les gegeven kon worden. Wel werd bereikt dat in 1957, aan het einde van het directeurschap van H. Andriessen de plaats werd bepaald waar het conservatorium moest komen. Tenslotte zij vermeld dat het conservatorium in 1951 haar 125-jarig bestaan vierde met een feestconcert.

Gebouw
( Zie C. Versteeg, C. Postmaa, "ten behoeve der opterigten school", 's-Gravenhage 1980. Zie ook inv.nr. 569. ) Artikel 5 van het oprichtingsbesluit vermeldde dat het stedelijk bestuur van 's-Gravenhage aanbood "om ten behoeve der op terigten school te verschaffen een lokaal gelijk ook eene jaarlijksche somme van Duizend twee honderd Guldens (ƒ 1200) ter voorziening in de verdere behoeften der school" ( Zie inv.nr. 17. ) .

Het "gewesen huis van Nederburgh", een patriciërshuis op de hoek van wat destijds heette het Hoge Westeinde en de Vleersteegh werd als eerste onderkomen voor de muziekschool gebruikt.

Dit duurde tot de zomer van 1840 toen zij naar het gebouw van de Teeken- en Bouwacademie aan de Prinsessegracht verhuisde. Eén en ander onder protest van de Commissie van Toezicht, omdat er geen woning voor de directeur aanwezig was en het gebouw niet ingericht was op de praktische eisen van het muziek- en zangonderwijs. Met name de orkestklasse had het moeilijk, want voor de repetities was niet voldoende ruimte. Aan deze situatie kwam pas een einde in 1882 toen de school het gebouw aan de Korte Beestenmarkt nr. 9 kon betrekken. Het bestond uit 13 leslokalen en een concertzaaltje.

Maar ook deze ruimte bleek op den duur onvoldoende. Dit probeerde men op te lossen door middel van uitbreidingen naar belendende panden. In het jaarverslag van 1906 verschijnen de eerste klachten over de beperkte ruimte. In 1912 werd zelfs een verzoek gedaan om de destijds leegstaande Koninklijke Schouwburg te mogen huren.

Het zou tot 1937 duren voor men positieve geluiden over eventuele nieuwbouw kon horen. Het terrein lag aan het Alexanderveld waar ook het nieuwe stadhuis zou worden gebouwd. De Tweede Wereldoorlog verhinderde deze plannen.

Na de oorlog begon men weer voorzichtig plannen te maken. Programma's van eisen werden opgesteld en gewijzigd. Mogelijke bouwterreinen werden besproken, zoals het plan Dudok waar het conservatorium in de buurt van het Gemeentemeuseum werd geprojecteerd. In 1957 werd de Juliana van Stolberglaan als plaats voor het conservatorium bepaald. Het zou echter tot 1976 duren voor de eerste paal werd geslagen en tot 1980 voor dat men het gebouw kon betrekken.

Organisatie en bestuur
In artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 7 april 1826 betreffende de oprichting van de Koninklijke muziek- en zangschool staat in art. 2 het volgende vermeld: "Dezelve school staan onder toezigt van eene commissie zamengesteld uit vijf leden door onzen Minister van Binnenlandse Zaken te benoemen. De burgemeester van 's-Gravenhage is van regtswege lid dier commissie."

Bij ministerieel besluit van 25 april 1826 nr. 130 werd zoals hiervoor vermeld een Commissie van Toezicht benoemd. Deze commissie benoemde uit haar midden een voorzitter, een thesaurier/penningmeester en een secretaris. De penningmeester was verantwoordelijk voor de financiën van de school en het beheer van de fondsen, terwijl de secretaris belast was met de administratie, het maken van de notulen en het beheer van het archief. De taak van de commissie bestond uit het toezicht houden op de school. In de praktijk was dit zo verstrekkend dat men beter van het besturen van de muziekschool kon spreken. Zij was jaarlijks verantwoording schuldig aan de minister van Binnenlandse Zaken (vanaf 1918 aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) over de financiën van de school en het beheer van de fondsen. Bovendien stelde de commissie een jaarverslag op voor deze zelfde minister. Zij stelde voordrachten op voor de benoeming van de directeur en de vaste onderwijzers van de school. (Hulponderwijzers werden door de commissie zelf benoemd).

De commissie stelde reglementen op en legde deze aan de minister voor ter goedkeuring. De beslissingen over de vrijstelling of de vermindering van schoolgelden kwam ook haar toe. Bovendien adviseerde zij bij de toekenning van beurzen. Het geheel van taken bracht veel werk met zich mee. Daar de leden van de commissie hun taak onbezoldigd naast andere betrekkingen vervulden kwamen de werkzaamheden voor de commissie wel eens in het gedrang. Al in 1835 probeerde men hiervoor een oplossing te vinden door het aantal leden te vergroten. Maar ook de school breidde zich uit. Een andere oplossing werd gezocht in het delegeren van de leerlingen-administratie aan de directeur. Dit laatste blijkt uit het reglement van 1874 en uit het archief daar sinds die tijd leerlingenboeken werden bijgehouden. Dit ontlastte de commissie wel maar de vele schrijfwerkzaamheden werden ook de directeur te veel, dit hoewel er soms nog wel een schrijver werd ingehuurd om bijvoorbeeld de getuigschriften te schrijven. In 1905 werd uiteindelijk een administrateur aangesteld die zowel de commissie als de directeur werk uit handen zou nemen. Hij werd belast met de administratie van de leerlingen en de inning van de schoolgelden. In de periode 1924-1938 was hij tevens lid van de Commissie van Toezicht en kreeg hij steeds meer een uitvoerende taak bij het beheer van de financiën van het conservatorium. Dit ging zo ver dat de administrateur in 1936, toen het conservatorium rijksinstelling werd, de hele financiële boekhouding van de school overnam. De penningmeester en de Commissie van Toezicht hielden de eindverantwoordelijkheid voor hun rekening en tevens het beheer van de fondsen. Ook de directeur wist meer invloed op de besluitvorming te verkrijgen. Na 1919 verviel de verslaggeving aan de commissie. De nieuwe directeur J. Wagenaar nam nu aan de hele vergadering deel dat wil zeggen niet alleen aan dat deel, waarbij de commissie de aanwezigheid van de directeur gewenst achtte. Hij kon zo zijn plannen rechtstreeks aan de commissie voorleggen en toelichten. Hij kreeg hierdoor een actief aandeel in de besluitvorming van de commissie. Bovendien werd in 1924 J. Oudemans, zoals gezegd, administrateur van het conservatorium, secretaris van de Commissie van Toezicht. Deze situatie, die tot 1938 duurde, heeft er mede voor gezorgd dat invloed van de directeur nog verder werd vergroot. In 1941, na de aanstelling van ir. H.H. Badings als directeur, kreeg de commissie een brief van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming waarin werd meegedeeld dat zij het bestuur moesten overdragen aan de nieuwe directeur. Dit besluit wist de commissie nog zo te veranderen dat zij het beheer van de fondsen en de beslissing over de vrijstelling of vermindering van schoolgeld onder zich hield. En "dat wanneer de directeur in de uitoefening dezer bevoegdheden aan U (het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming) een voorstel doet, de commissie door hem in de gelegenheid wordt gesteld daarover prae-advies uit te brengen, en dit prae-advies U tezamen met het voorstel zal worden toegezonden." Deze situatie bleef ook na de oorlog bestaan en werd in 1957 definitief in een nieuw reglement vastgelegd.

De naam Commissie van Toezicht werd bij die gelegenheid veranderd in Commissie van Advies en Bijstand. De commissie hield het beheer over fondsen. Zij bracht jaarlijks verslag uit aan de minister. Zij stelden voordrachten op voor de benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. De directeur kreeg de algemene leiding van het onderwijs en het bestuur van de school.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 73.