kunstbus
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Het Wilhelmus

Het Wilhelmus is geschreven tussen 1568 en 1572 en is daarmee het oudste volkslied ter wereld. De auteur is waarschijnlijk Marnix van St. Allegonde, alhoewel sommigen beweren dat het Coornhert is geweest.

klik voor geluidsfragment

Het Wilhelmus is een ode aan Willem van Oranje. Het eerste couplet wordt vaak gezongen, soms gevolgd door het zesde dat in de Tweede Wereldoorlog erg populair was.

Het Wilhelmus is officiëel Nederlands volkslied sinds 1932; tot dan toe was dit het "Wien Neerlands bloed". Wel had de jonge koningin Wilhelmina al bij haar kroning in 1898 haar voorkeur voor het Wilhelmus te kennen gegeven.
In 1816 wonnen dichter Hendrik Tollens en componist Johann Wilhelm Wilms een volkslied-prijsvraag met Wien Neêrlands bloed. Maar het oude Wilhelmus bleef een populaire hymne. In het buitenland gaf dat nogal verwarring. Daarom hakte de ministerraad 10 mei 1932 de knoop door: het Wilhelmus werd het officiële volkslied.

Het Wilhelmus is inhoudelijk geschreven als een lied dat door Willem van Oranje gezongen zou kunnen worden (maar niet noodzakelijk door hem gezongen is). Het weerspiegelt zijn tweestrijd in de opstand in de Nederlanden. Enerzijds probeert Willem van Oranje trouw te zijn aan de Spaanse koning, anderzijds is hij boven alles trouw aan het Nederlandse volk.

De muziek is waarschijnlijk rond 1568 ontstaan tijdens de belegering van de stad Chartres door de Hugenoten, ten zuiden van Parijs. Vanuit Frankrijk is zij overgewaaid naar Nederland en vervolgens is er de tekst op geschreven. De melodie is afkomstig van het spotlied Autre chanson de la ville de Chartres assiégée par le prince de Condé.

De oorspronkelijk zeer eenvoudige melodie werd in 1626 van melismatiek (klankbuigingen) voorzien genoteerd door de Veerse schepen Adriaen Valerius in zijn met een aantal liederen "geïllustreerde" geschiedschrijving "Nederlandtsche Gedenck-Clanck", een bekende bundel vaderlandsliederen.

De herkomst van de tekst is onbekend. Hierover bestaan verschillende theorieën. Het Wilhelmus is een geuzenlied en de meeste teksten hiervan waren anoniem omdat op het maken van opstandige liederen destijds de doodstraf stond.
Vanaf het begin van de 17e eeuw werd het toegeschreven aan Marnix van St. Aldegonde die de tekst tussen 1570 en 1572 in West-Souburg zou hebben gedicht. Hij was dichter en intimus van Prins Willem. Hij had gestudeerd bij Calvijn in Genève en het Wilhelmus draagt daarvan de sporen.

Er is ook een theorie dat het Wilhelmus oorspronkelijk in het Duits is geschreven door vluchtelingen uit de Nederlanden, die met dit lied Duitse vorsten voor de Nederlandse zaak probeerden te winnen. Ook wordt Coornhert wel als auteur genoemd. Volgens een andere theorie is de tekst door een onbekend gebleven dichter geschreven, en daarna door Marnix van St. Aldegonde bewerkt.

Wat betreft de datum wordt er van uitgegaan dat de tekst geschreven is na mei 1568 omdat de tocht langs de Maas in het lied vermeld wordt, en voor april 1572, omdat de verovering van Den Briel niet bekend lijkt in het lied. Het Wilhelmus is daarmee het oudste volkslied ter wereld dat nog in gebruik is. In 1581 verscheen de Nederlandse versie van het Wilhelmus voor het eerst in druk. Het werd meteen geliefd als strijdlied in de Nederlanden, die werden overheerst door de Spanjaarden.

Het Wilhelmus is een Acrostychon, ook wel naamdicht genoemd.
De eerste letters van de 15 coupletten van de Wilhelmus variant vormen samen het woord: W I L L E M V A N N A S S O V

Websites: Prince van Oraengien
Ben ick vrij onverveert,
Den Coninck van Hispaengien
Heb ick altijt gheeert.

In Godes vrees te leven
Heb ick altyt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Landt om Luyd ghebracht:
Maer God sal mij regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick zal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Lydt u myn Ondersaten
Die oprecht zyn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven
Bidt Godt nacht ende dach,
Dat hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Lyf en goet al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn broeders hooch van Namen
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven
In Vriesland in den slaech,
Syn Siel int ewich Leven
Verwacht den Jongsten dach.

Edel en Hooch gheboren
Van Keyserlicken Stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren
Als een vroom Christen man,
Voor Godes Woort ghepreesen
Heb ick vrij onversaecht,
Als een Helt sonder vreesen
Mijn edel bloet ghewaecht.

Mijn Schilt ende betrouwen
Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen
Verlaet mij nimmermeer:
Dat ick doch vroom mach blijven
V dienaer taller stondt,
Die Tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Van al die my beswaren,
End mijn Vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verrasschen
In haren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Als David moeste vluchten
Voor Saul den Tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich Edelman:
Maer Godt heeft hem verheven
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijk ghegheven
In Israel seer groot.

Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt mijn Heer dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn Vorstelick ghemoet:
Dat is dat ick mach sterven
Met eeren in dat Velt,
Een eewich Rijck verwerven
Als een ghetrouwe Helt.

Niet doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks Landen goet,
Dat v de Spaengiaerts crencken
O Edel Neerlandt soet,
Als ick daer aen ghedencke
Mijn Edel hert dat bloet.

Als een Prins op gheseten
Met mijner Heyres cracht,
Van den Tyran vermeten
Heb ick den Slach verwacht,
Die by Maestricht begraven
Bevreesde mijn ghewelt,
Mijn ruyters sach men draven.
Seer moedich door dat Velt.

Soo het den wille des Heeren
Op die tyt had gheweest,
Had ick gheern willen keeren
Van v dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert.
Diemen altijd moet loven
En heeftet niet begheert.

Seer Prinslick was ghedreven
Mijn Princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen bekant.

Oorlof mijn arme Schapen
Die zijt in grooten noot,
V Herder sal niet slapen
Al zijt ghy nu verstroyt:
Tot Godt wilt v begheven,
Syn heylsaem Woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

Voor Godt wil ick belijden
End zijner grooter Macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere
Der hoochster Maiesteyt,
Heb moeten obedieren,
Inder gherechticheyt.De nieuwe Versie: Een nieuw christelijk lied

Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben 't u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in 't eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.

Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vreden
mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t'aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

Na 't zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.

Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.

Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
't zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.
Over het gebruik van het Wilhelmus ontstond in juni 2004 een politieke en maatschappelijke discussie, toen bekend werd dat sinds 1986 het Wilhelmus bij staatsaangelegenheden alleen gespeeld wordt bij aanwezigheid van een lid van het Koninklijk Huis. Koningin Beatrix zou de rechten op het Wilhelmus hebben opgeëist en niet toestaan dat het Wilhelmus buiten haar aanwezigheid zou worden gespeeld. Dit werd door de Rijksvoorlichtingsdienst ontkend. Wel werd bevestigd dat sinds 1986 het protocol voorschrijft dat bij ontvangst van buitenlandse gasten door ministers buiten aanwezigheid van leden van het Koninklijk Huis, niet het Wilhelmus wordt gespeeld, maar De Mars van de Jonge Prins van Friesland.

Treuelied
In een BBC-documentaire uit 2005 over de Tweede Wereldoorlog, "The Nazis and the final solution" komt een scène voor waarin SS-sers kameraadschappelijk een lied zingen op de melodie van het Wilhelmus. Het zogenaamde Treuelied, dat meestal door SS-ers werd gezongen aan het eind van hun vriendschappelijke bijeenkomsten, blijkt een identieke melodie te hebben als het Wilhelmus. De tekst is evenwel niet oorspronkelijk nazistisch, de woorden zijn in 1814 geschreven door de Duitse dichter Max von Schenkendorf. De Nazi's annexeerden wel vaker traditionele liederen en marsen voor hun politieke propaganda.

Het lied is ook in de Zuidelijke Nederlanden populair. Daar is het geregeld te horen op een cantus en op bijeenkomsten van orangistische en Groot- dan wel Heel-Nederlandse groeperingen, meestal van extreemrechtse snit.

Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilhelmus


Pageviews vandaag: 37.