kunstbus
Dit artikel is 12-12-2021 voor het laatst bewerkt.
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Groninger Orkest Vereniging

Het Noord Nederlands Orkest heeft wortels in het jaar 1862, toen de Groninger Orkest Vereniging (later: het Noordelijk Filharmonisch Orkest) werd opgericht. Hierdoor mag het NNO als het oudste professionele symfonieorkest van Nederland gezien worden.

Het muziekleven in Groningen voor 1918
In de loop van de 19e eeuw groeide in Nederland geleidelijk de belangstelling voor muziekuitvoeringen, ook buiten de sfeer van de kerkelijke muziek. Het is niet verwonderlijk, dat het in een universiteitsstad als Groningen vooral studenten waren, die op muzikaal terrein initiatieven namen. Daaraan dankt het muziekgezelschap Bragi haar ontstaan. Maar ook onder de burgerij verbreidde zich de belangstelling voor muziek, met name voor koorzang. Zo kwam het tot de oprichting van het mannenkoor Gruno (1855) en de Gemengde Zangvereniging, het latere Toonkunstkoor Bekker (omstreeks1865). De muziekschool was in 1858 opgericht om met name orkestmusici op te leiden, maar op dat moment had Groningen nog geen symfonieorkest.

Toch waren er al regelmatig muziekuitvoeringen te beluisteren in de stad. De in 1840 opgerichte sociëteit 'De Harmonie' gaf muziekavonden voor haar leden. Deze werden verzorgd door militaire muzikanten, die optraden onder de naam 'het Burgerlijk Muziekkorps'. Maar ook andere ensembles werden door de Harmonie wel voor haar muziekavonden uitgenodigd. Daarmee was het publiek echter niet tevreden; men wilde ook wel eens wat anders dan blaasmuziek . In 1861 besloot de Harmonie daarom tot de samenstelling van een eigen orkest, dat ook symfonische muziek zou kunnen uitvoeren.

Er kwam een 24 leden tellend muziekgezelschap onder leiding van M. Hageman, voorlopig voor één jaar . In de daaraan voorafgaande jaren had de Harmonie reeds een aantal muziekinstrumenten aangeschaft en was er door de aankoop van muziekstukken een eigen bibliotheek gevormd. Het orkest speelde elke zondagavond, gaf acht keer een zomerconcert en verzorgde vier buitengewone concerten. Na een jaar breidde de Harmonie het orkest uit tot 30 leden en maakte er een beroepsorkest van.

Tussen de muziekschool en het orkest bestond een hechte band, want de directeur van deze school was tevens de dirigent van het Harmonieorkest. Verder gaven nagenoeg alle orkestleden les aan de muziekschool en bestonden er bestuurlijke contacten tussen de school en de Harmonie.

J.H. Bekker, die in 1867 aantrad als dirigent, stimuleerde de verdere ontwikkeling van het orkest en daarmee de muziekcultuur in Groningen. Hij was een man met een grote werkkracht en een begaafd musicus. Op negenjarige leeftijd was hij reeds een goed violist en op zijn veertiende had hij al in de kapel van koning Willem II gespeeld. Bekker breidde het aantal concerten uit tot twee per week, verhoogde de kwaliteit van het gebodene en wist de luidruchtige gesprekken van bezoekers tijdens uitvoeringen langzamerhand te matigen.

Tevens had hij de leiding van de in 1870 opgerichte Volkszangschool, dirigeerde het mannenkoor Gruno, de Gemengde Zangvereniging en het koor Concordia in Leeuwarden. Dit laatste was mogelijk geworden door de treinverbinding Groningen-Leeuwarden. Bekker richtte ook de 'Noorderbond' op, die eens per twee jaar een muziekfeest organiseerde met alle koren onder Bekkers leiding, beurtelings te Groningen of Leeuwarden .

Naast beroepsmusici liet Bekker ook goede amateurs in het orkest spelen, waardoor het muzikale peil aanmerkelijk verbeterde. Het orkest kon nu ook moderne muziek op zijn repertoire nemen.

De samenwerking tussen het orkest en de verschillende koren bood nieuwe mogelijkheden en stelde het Groningse muziekminnende publiek in de gelegenheid kennis te maken met vele grote en kleinere oratoria. Hoogtepuntenwaren de uitvoeringen van de negende symfonie van Beethoven en de Matthëus-Passion in resp, 1908 en 1909 .

Al was Bekker onmiskenbaar de spil van het muziekleven in Groningen, naast hem waren er anderen die belangrijke activiteiten ondernamen. De organist van de Martinikerk, J. Worp, schreef een goede muziekleer en zette zich in voor de verbetering van kerk- en kinderzang. In 1882 werd er een uitvoering gegeven waaraan 400 kinderen meewerkten, hetgeen mede mogelijk was door het onderwijs aan de Volkszangschool. Ook de particuliere activiteiten van orkestleden en leraren aan de Muziekschool werkten bevruchtend. Orkestleden gaven vaak privélessen, leidden een koor of een muziekgezelschap en blazers uit het orkest speelden in de Stadskapel die op zondag de zogenaamde Boschconcerten verzorgde.

Een aantal goede orkestleden behoorde tot de 'eigen kweek'. Tot deze aan de Groninger Muziekschool opgeleide musici behoorden Louis Somer, Salamon Dwinger en Nico Treep. Het orkest trad trouwens niet meer alleen op in Groningen, maar ook in Leeuwarden en zelfs in Den Haag en Rotterdam. Beroemde solisten, zoals de componist Max Reger en het wonderkind Erna Rubinstein waren in Groningen bij het orkest te beluisteren.

Vanaf 1881 werden er volksconcerten georganiseerd, waarbij met de programmering getracht werd een breder publiek te bereiken. In het zomerseizoen waren op woensdagavond en zaterdagmiddag zomerconcerten te beluisteren in de tuin van de Harmonie.

Bekker werd in 1897 opgevolgd door H.W. van 't Kruys, een bekwaam musicus, maar hij had heel wat minder ervaring en was minder gemakkelijk in de omgang dan zijn voorganger. Van 't Kruis vertrok in 1905 en de jonge Peter van Anrooy nam zijn plaats in. Toen deze in 1910 weer uit Groningen vertrok om het Arnhems orkest te gaan leiden, had hij in de vijf achter hem liggende jaren van het Harmonieorkest een volwaardig symfonieorkest gemaakt en het Groningse publiek laten kennismaken met een breed repertoire.

Met de benoeming van zijn opvolger, Kor Kuiler, deed het Harmoniebestuur een goede keuze. Kuiler was naast uitvoerend musicus ook componist. Hij was de eerste dirigent die niet tegelijk directeur van de Muziekschool was. Die functie werd bekleed door de uit Halle (Duitsland) afkomstige concertmeester van het orkest, E. Clemens Schröner . Tijdens Kuilers dirigentschap (tot1944) kwam het voortbestaan van het orkest meermalen aan een zijden draadje te hangen.

De eerste keer dat opheffing dreigde was in 1918, toen het Harmoniebestuur geen kans meer zag om naast een sociëteitsgebouw ook nog een orkest te exploiteren. Om de gerezen financiële problemen het hoofd te bieden werd de NV Groninger Orkestvereeniging opgericht.

Het ontstaan van de GOV
De salarissen van de Groningse orkestmusici waren laag in vergelijking tot de elders gebruikelijke betaling. De Harmonie zag echter geen kans meer te bieden. Goede orkestleden waren daarom geneigd elders een beter betaalde functie te zoeken. Bovendien verhinderde de beperkte financiële armslag de uitbreiding van het orkest van 43 tot 50 leden, de minimumgrootte om aan behoorlijke muzikale eisen te voldoen.

Er werd in 1918 een reorganisatiecommissie ingesteld om advies uit te brengen over de toekomst van het orkest. Een naamloze vennootschap leek een betere financiële basis te bieden dan een vereniging met contribuanten, omdat inkomsten uit contributies doorgaans meer een dalende dan een stijgende lijn vertonen. De Harmonie zou van het totale aantal van 400 aandelen fl. 250, - er twintig overnemen; daarnaast ontving het orkest van de Harmonie de muziekinstrumenten, de muziekbibliotheek en gedurende 50 jaar het recht op een verwarmde stemkamer en een verlichte tuin in het Harmoniecomplex. De resterende aandelen zouden bij particulieren geplaatst worden.

Verder betaalde de Harmonie een jaarlijkse vergoeding van fl. 30.000, - voor 104 concerten die het orkest zou gaan verzorgen. Aangezien dit niet geringe bedrag onvoldoende was om de totale exploitatiekosten te dekken, was er voorzien in andere inkomstenbronnen, zoals het verzorgen van begeleidingen, de verhuur van het orkest en het geven van concerten buiten de stad. Van de gemeente Groningen werd een bijdrage van fl. 20.000, - per jaar gevraagd. Dit bedrag moest niet uitsluitend worden gezien als betaling voor verleende diensten, zoals het verzorgen van volksconcerten en concerten in de open lucht, maar er stak tevens een aspect van waardering in: het gemeentebestuur zou met de toekenning tonen dat het een levensvatbaar orkest in de eigen stad op prijs stelde als bijdrage aan het culturele leven.

Het college van B. en W. diende bij de gemeenteraad een voorstel in met de aanbeveling positief te reageren op het verzoek een dergelijk hoog subsidiebedrag toe te kennen. Groningen had, volgens het college, gezien zijn geografische ligging een goed orkest nodig; wanneer dit zou verdwijnen zou de stad ten achter staan bij kleinere plaatsen die zich meer moeite getroostten om een orkest in stand te houden. De kleine burgerij en de mindere man mochten de volksconcerten niet missen en ook de zondagmiddagconcerten moesten doorgaan. De gemeenteraad ging uiteindelijk in grote meerderheid akkoord met het voorstel.

De katholieke raadsleden meenden dat het subsidiebedrag uiteindelijk het totale muziekleven in Groningen ten goede zou komen. De liberalen zagen er een bijdrage in aan de aantrekkelijkheid van Groningen als woon- en werkstad; enkele liberale raadsleden waren bovendien lid van de reorganisatiecommissie van het orkest. De socialisten hadden aanvankelijk bezwaren, uit vrees dat vooral de beter gesitueerden van de subsidie zouden profiteren. Zij verlangden en kregen een uitbreiding van het aantal volks- en buitenconcerten tot resp. 16 en 26 en steunden tenslotte het voorstel, mede om de 'muzikale arbeiders' niet brodeloos te maken.

De GOV 1918-1961
Met de oprichting van de NV Groninger Orkest Vereeniging leek een oplossing gevonden voor het voortbestaan van het orkest, waarbij een hechte band met de Harmonie behouden bleef.

De sterk veranderde situatie na de eerste wereldoorlog verhinderde evenwel een gunstige ontwikkeling. De kosten voor levensonderhoud stegen snel en er kwamen andere vormen van ontspanning, waaronder de sport. De opkomst van de radio bood het publiek de mogelijkheid thuis naar muziek te luisteren. Ondertussen werd het orkest voor de Harmonie een steeds zwaardere financiële last. In 1925 zag de sociëteit zich dan ook gedwongen het in 1918 gesloten contract op te zeggen. Het orkest kwam nu vrijwel volledig los te staan van de Harmonie. Met een sterk verhoogde subsidie van de gemeente Groningen, steun van rijk en provincie en giften uit de burgerij en van talloze instellingen ging de GOV voor eigen rekening concerten geven.

De financiële problemen konden niet verhinderen dat het orkest onder leiding van Kor Kuiler artistiek gezien een goede tijd doormaakte. Kuilers programmakeus was breed en hoewel hij een liefhebber was van Franse muziek, liet hij ook andere ruimschoots aan bod komen. De opera had zijn voorliefde en in samenwerking met het Bremer Stadttheater, het Staatstheater Bremen en de Italiaanse Opera uit Den Haag liet hij het Groningse publiek tussen 1929 en 1935 kennismaken met deze muziekvorm. Kuiler componeerde zelf de opera 'Saskia', waarvoor A.T. Vos, vader van R.A. Vos, de latere administrateur en bestuurslid van het GOV, de tekst schreef.

Plannen om deze opera in 1933 in de Stadsschouwburg uit te voeren mislukten, maar in 1939 kon de uitvoering van dit eigen werk toch doorgang vinden. Al in 1924 was er werk van Kuiler uitgevoerd in de vorm van de muziek voor het openluchtspel ''s Levens Bruiloftsfeest', geschreven ter gelegenheid van het 62e lustrum van de universiteit. Vanaf 1925 werden er jaarlijks vijf jeugdconcerten gegeven. In de regel werd daaraan de nodige speciale zorg besteed. Kuiler leidde deze concerten in met een praatje en op de programmabladen stond een schets met de indeling van het orkest.

In de jaren dertig richtte mr Romke de Waard in samenwerking met R.A. Vos de Scholierenmuziekvereniging op. De leden van deze vereniging kregen tegen een gereduceerde prijs toegang tot de concerten, hetgeen in zekere mate ten koste ging van het bezoek aan de jeugdconcerten. De vereniging had tot doel bij jongeren belangstelling te wekken voor muziek en hen te gewennen aan concertbezoek. Zo hoopte men zich van een vaste schare GOV-toehoorders voor de toekomst te verzekeren.

In 1928 kreeg de GOV bij legaat van dr Menno Bolt fl. 5.000, - voor de aankoop van een orgel. Hoewel een voor de concertzaal geschikt instrument vele malen duurder was, werd toch een orgel aangeschaft. Sindsdien werd eens per jaar de zogenaamde Boltavond gehouden, waarbij de organist soleerde. Deze avonden waren vrij toegankelijk voor personeel van ziekenhuizen en verzorgingstehuizen.

Zes van de zeven Joodse orkestleden moesten 1941 op last van de bezetter het spelen staken. Eén van hen, de bekwame orkestmeester en tweede dirigent Jo Juda, had reeds in augustus 1940 het orkest moeten verlaten. Zijn opvolger werd de tweede dirigent, Jan van Epenhuysen.

Toen Kor Kuiler in 1944 zijn functie neerlegde, werd Jan van Epenhuysen zijn opvolger. Tweede dirigent werd Jan van 't Hof. Toen deze tot directeur van de muziekschool werd benoemd en duidelijk werd dat beide functies niet met elkaar te combineren waren, gaf Van 't Hof zijn baan bij het orkest op. Een nieuwe tweede dirigent werd niet benoemd. De GOV behielp zich voortaan met gastdirigenten. Van Epenhuysen had evenals Kuiler een voorliefde voor de opera. Daarnaast had hij een warme belangstelling voor Slavische muziek. Zijn muzikale beleid vertoonde veel overeenkomst met dat van Kuiler, zij het, dat hij ook regelmatig werk van moderne componisten op het repertoire nam.

In 1946 werd er een commissie geïnstalleerd voor het verzorgen van bedrijfsconcerten. Een gereduceerde prijs voor het toegangskaartje moest het onwennige publiek over de drempel helpen. De directie van Atlanta in Hoogezand nodigde het gehele orkest uit om in het bedrijf een concert te geven .

Na de oorlog breidde het aantal podiumbeurten in de regio zich sterk uit. In een aantal grote plaatsen werd 's middags een jeugdconcert gegeven, voorafgaand aan het concert 's avonds. Het orkest werd verder veel ingezet voor de begeleiding van koren bij grote uitvoeringen. De concerten, die gegeven werden in samenwerking met het Toonkunstkoor Bekker dat onder dezelfde dirigent stond als de GOV, vormden een vast element in de programmering.

De uitvoeringen van de Matthëus-Passion, die al voor de oorlog een traditie geworden waren, werden in de bezettingsjaren tijdelijk onderbroken [NOTE Iwema e.a., Gedenkboek Bekker, blz. 17.] . Samenwerking bestond er verder met de Groningse Bachvereniging en met het Nederlands Kamerkoor. In de loop van de jaren vijftig was het orkest strikt genomen geen stedelijk orkest meer. Het aantal activiteiten in de drie noordelijke provincies was zo toegenomen, dat er beter van een regionaal orkest gesproken kan worden.

Dat bleek ook uit de reorganisaties die na de oorlog plaats vonden. Aanleiding tot de eerste reorganisatie waren de pensioenen van de orkestleden. Opneming in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds werd wenselijk geacht; daartoe werd de GOV in 1951 bij wijze van tussenstadium voor het totstandkomen van een gemeenschappelijke regeling, een gemeentelijke stichting. Deze tijdelijke structuur bleef evenwel bestaan tot 1961 toen het Noordelijk Filharmonisch Orkest de GOV verving. Daarmee was een echt regionaal orkest ontstaan, met deelneming van de provincies Groningen en Drente.

Organisatie
De GOV

Boven is reeds vermeld dat men voor de Groninger Orkestvereniging de naamloze vennootschap als organisatievorm koos omdat men verwachtte het orkest daarmee een solide financiële basis te kunnen geven, ook voor de langere termijn. Aandeelhouder van de GOV was in de eerste plaats de sociëteit De Harmonie met 20 aandelen (fl. f 250, -). Tevens betaalde de Harmonie jaarlijks fl. 30.000, -. In ruil daarvoor kon de sociëteit rekenen op 104 concerten per jaar. Verdere aandeelhouders waren particulieren, leden van de Harmonie, concertbezoekers of personen die eenvoudig van mening waren, dat een stad als Groningen een eigen orkest moest hebben.

De aandeelhouders hadden in tegenstelling tot leden van de Harmonie geen vrije toegang tot de normale concerten; slechts vier keer per jaar werd een concert gegeven met gratis toegang voor de aandeelhouders. Hieruit blijkt wel het duidelijkst dat in de GOV na 1918 eigenlijk het Harmonieorkest bleef voortbestaan. Aandeelhouder werd men slechts uit belangstelling voor het orkest en niet om het profijt, want de aandelen leverden maximaal 2½ % dividend per jaar op; een eventuele overwinst werd toegevoegd aan het reservefonds van de GOV.

Een belangrijke verbetering in de financiële positie van het orkest werd bereikt toen de gemeente Groningen vanaf 1919 een jaarlijkse bijdrage in de exploitatiekosten ging betalen. Voor de fl. 20.000, - die de gemeente jaarlijks ter beschikking stelde, gaf het orkest 16 volksconcerten en 26 openluchtconcerten. Daarmee wordt een nieuw aspect duidelijk: het orkest gaat een rol spelen in de stedelijke cultuurpolitiek.

De gemeentelijke subsidie bewerkte tevens, dat de GOV nu aanspraak kon maken op een tegemoetkoming uit de rijkskas. Het rijk stelde immers als voorwaarde voor subsidiëring, dat de plaatselijke overheid een groot deel van de exploitatiekosten voor haar rekening moest nemen. In 1919 werd een aanvraag om rijkssubsidie met fl. 9.000, - gehonoreerd en in de daarop volgende jaren gaf het rijk een bijdrage van fl. 15.000, -. Overigens probeerde de NV GOV als een echte onderneming op te treden en streefde ernaar, zoveel mogelijk kostendekkend te werken.

In 1925 zag de sociëteit De Harmonie zich gedwongen het contract met de GOV op te zeggen. Ze kon de zware lasten die de exploitatie van het orkest met zich meebracht niet langer opbrengen. In 1926 ging het orkest vrijwel geheel voor eigen rekening optreden. Er was geen vast publiek van Harmonieleden meer. Wel bleef de GOV gebruik maken van de concertzaal en bijbehorende lokaliteiten in het sociëteitsgebouw. Bij wijze van tegenprestatie gaf het orkest zondagavondconcerten die in de eerste plaats voor de sociëteitsleden bedoeld waren [NOTE Secr. arch., doss. nr. 1.854.18 dl. I; inv. nr. 88; Jaarverslag 1926-1927.] . Ter compensatie van het gemis aan vaste inkomsten trachtte de GOV meer gelegenheden te vinden om in de regio te spelen.

In 1921 verhoogde de gemeente Groningen haar jaarlijkse bijdrage van fl. 20.000, - tot fl. 30.000, -. In 1927 was zij opnieuw bereid het jaarlijks subsidiebedrag te verhogen, deze keer tot fl. 45.000, -. Zij stelde echter nu de voorwaarde, dat de Groninger burgerij van haar kant minstens fl. 36.000, - bijeen zou brengen. Om gelden van particulieren te krijgen had het bestuur inmiddels een speciale commissie in leven geroepen, de "Propagandacommissie tot het Voortbestaan van het orkest" [NOTE Inv. nrs. 680-687.] . Stedelijke instellingen als de Maatschappij tot Nut van het Algemeen en het Roode Weeshuis gaven jaarlijks een aanzienlijk bedrag.

Het werd vanaf 1927 voor de GOV, ondanks de verhoogde gemeentelijke subsidie, geen gemakkelijke opgave, om los van de Harmonie de exploitatie van het orkest te verzorgen. Aanvragen om verhoging van de rijkssubsidie haalden niets uit, maar bij de provincie had men meer succes. Omdat de concerten nu voor een ieder toegankelijk waren en het orkest ook een duidelijke regionale functie vervulde, besloot het provinciaal bestuur in 1927 jaarlijks fl. 3.000, - bij te dragen [NOTE Zittingsverslag Prov. Staten 26 juli 1927, no. 9.] .

Nu het orkest volledig los stond van "De Harmonie" en niet meer kon rekenen op de sociëteitsleden als vast publiek moest het zich langs een andere weg van vaste concertbezoekers proberen te verzekeren. Een methode daarvoor was de invoering van de abonnementsconcerten op de woensdagavonden. De Propagandacommissie zag het vooral ook als haar taak nieuwe abonnementhouders te werven, zodat dit bestand in elk geval constant bleef en zo mogelijk werd uitgebreid. Om de financiële gevolgen van het los raken van "De Harmonie" op te vangen, spanden het "Fonds tot Instandhouding" en de vereniging "Vrienden van de GOV" zich in om financiële steun uit de particuliere hoek te krijgen. De "Vrienden" namen later de wervende taak van de Propagandacommissie over.

De oorlogsjaren bezorgden het orkest tal van moeilijkheden. De organisatorische strubbelingen bleken achteraf van tijdelijke aard. De veranderingen die plaats vonden bij de overheidsinstanties en de komst van allerlei toezichthoudende en controlerende instanties werkten vertragend en verwarrend en zorgden voor onnodige administratieve rompslomp. Het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, het kanaal voor de rijkssubsidie, moest plaats maken voor het departement Volksvoorlichting en Kunsten. De orkesten vielen onder de afdelingmuziek van dit departement en onder deze afdeling ressorteerde het Centraal Bureau voor het Orkestwezen, dat hoofdzakelijk toezicht moest houden op het financiële beleid van de acht gesubsidieerde Nederlandse orkesten.

De verenigingen zonder economisch doel werd in september 1940 de verplichting opgelegd hun activiteiten te melden bij de procureurs van de gerechtshoven, met de bedoeling het Nederlandse verenigingsleven te nazificeren en om beslag te leggen op eventueel bezit. Om deze registratie zo goed mogelijk te doen verlopen werd er een functionaris benoemd met de titel "Commissaris van de niet commerciële Verenigingen en Stichtingen". De GOV probeerde onder deze meldingsplicht uit te komen, door vol te houden, dat ze als NV niet tot deze categorie hoorde. Tenslotte moest ze op 4 maart 1943 toch de vereiste gegevens verstrekken. De aanmeldingen effenden de weg voor de oprichting van de Kultuurkamer in 1941. De orkestleden kregen de verplichting opgelegd zich bij de Kultuurkamer te melden. Het orkest stond als lid van het Centraal Bureau voor Orkestwezen automatisch ingeschreven bij de Kultuurkamer.

De Kultuurkamer was opgesplitst in 6 gilden, waarvan het Muziekgilde, met de onderafdeling vakgroep orkestmusici, de afdeling was, waaronder de GOV viel. Op 8 februari 1943 kwam het Centraal Bureauvoor Orkestwezen op non-actief en ging zijn taak over naar het Muziekgilde. Leden van het Centraal Bureau voor Orkestwezen was het onderscheid vaak niet duidelijk tussen het Muziekgilde en het bureau, omdat deze instellingen waren gebaseerd op een bepaalde ideologie in plaats van op een concrete taakomschrijving. Het gebrek aan een duidelijk omschreven taak bij al deze instanties werkte verwarring en overbodig werk in de hand. Ook het verbod op de uitvoering van werken van Joodse en andere, de nazi's onwelgevallige, componisten werd in 1945 uiteraard opgeheven. Veel ingrijpender was de verwijdering van joodse musici uit het orkest, waardoor het ook in kwalitatieve zin gevoelige verliezen leed.

In 1941 werd de GOV een subsidie gegarandeerd tot ruim fl. 70.000, -. Deze subsidie moest de orkestleden financieel onafhankelijk maken van bijverdiensten en was tegelijkertijd bedoeld als compensatie voor de inkomsten die het orkest als gevolg van de oorlogssituatie moest missen. Nu de salarissen van de orkestleden op een hoger plan gekomen waren, werden er ook hogere eisen gesteld aan hun prestaties. Ook de provincie verhoogde haar bijdrage en bracht deze op fl. 6.000, -.

Na de oorlog bleef het rijk subsidiëren overeenkomstig de in de oorlog gehanteerde maatstaven. In 1947 kwam er een nieuwe regeling waarbij het rijk 50% van de personeelslasten voor zijn rekening nam en de gemeente de andere helft moest betalen. Volledig ten laste van de gemeente kwamen de dirigent en het administratief personeel. De provincie verhoogde haar subsidie tot fl. 10.000, - en ook de provincie Drenthe begon een bijdrage te leveren omdat het orkest daar ook werkzaam was.

Ondanks deze positieve ontwikkelingen kwam de GOV kort na de oorlog opnieuw in financiële moeilijkheden. De NV beschikte over onvoldoende geld voor een deugdelijke pensioenvoorziening voor van haar werknemers, terwijl de loonkosten stegen als gevolg van loonsverhogingen en de afdracht van premies voor de sociale verzekeringen. Men dacht de oplossing gevonden te hebben in een gemeenschappelijke regeling, waarin de gemeente en de provincie Groningen als overheidspartners en de nieuwe vereniging "Vrienden van de GOV" als partner vanuit het particulier initiatief zouden deelnemen.

Daarmee kwamen de werknemers in overheidsdienst en konden opgenomen worden in het ABP. Aangezien realisering van deze constructie wel tijd dreigde te vergen, werd besloten in het belang van de orkestleden uit te zien naar een voorlopige regeling. Er werd voor een termijn van één jaar een gemeentelijke stichting in het leven geroepen; wanneer nodig kon deze termijn nog met één jaar verlengd worden. Op 1 september ging het personeel over naar de gemeentelijke stichting De Groninger Orkest Vereniging, waardoor er twee GOV's waren: de (tijdelijke) gemeentelijke stichting en de particuliere NV. Deze laatste moest haar bezittingen afstaan aan de gemeente Groningen, waarna ze door deze aan de stichting GOV in bruikleen werden gegeven.

De minister van binnenlandse zaken verwierp echter de voorgestelde gemeenschappelijke regeling, omdat hij meende dat een particuliere vereniging als de "Vrienden van de GOV" geen gelijkwaardige plaats kon innemen naast de beide overheidspartners. Noodgedwongen bleef de gemeentelijke GOV nu voortbestaan; provinciale overheden waren dus niet vertegenwoordigd.

Ten tijde van de gemeentelijke stichting bleven rijk en gemeente het orkest ieder voor een gelijk deel subsidiëren, terwijl de provincie 1/8 deel van de exploitatiekosten met een maximum van fl. 20.000, - voor haar rekening nam.

In 1956 werd de commissie-Witteman ingesteld om te adviseren over de door het rijk gesubsidieerde orkesten. Deze commissie ontwierp een classificatie van de bestaande ensembles, die bepalend zou zijn voor de financiële steun van het rijk. De commissie zag de GOV als een stedelijk orkest en plaatste het daarom in de laagste categorie. Daardoor was de kans op subsidiëring van rijkswege vrijwel nihil. Voor de GOV en de andere subsidiegevers was dit aanleiding om zich te bezinnen op de vraag of een reorganisatie ertoe zou kunnen leiden dat het orkest als regionaal orkest geclassificeerd kon worden. Daarbij lag de toezegging op tafel dat de GOV hoger geklasseerd zou worden wanneer het aantal podiumbeurten uitgebreid werd tot 150 en de verhouding tussen het aantal concerten in de stad en in de regio minimaal drie op twee zou zijn.

Het bleek niet mogelijk om de provincie Friesland in het overleg te betrekken, omdat deze provincie het voortbestaan van het Frysk Orkest niet in gevaar wilde brengen. De provincies Groningen en Drenthe kwamen evenwel tot overeenstemming en op 23 juni 1961 werden de statuten van de gemeentelijke stichting GOV gewijzigd. De regionale functie werd officieel vastgelegd en de GOV begon onder de naam "Noordelijk Filharmonisch Orkest" een nieuw bestaan als het regionale orkest voor Groningen en Drenthe. De oude NV GOV bleef voortbestaan als een lege NV.

De samenstelling van het bestuur is door de vele organisatorische veranderingen in de loop der tijd nogal aan verandering onderhevig geweest. In 1919 bestond het bestuur uit zeven leden, waarvan er drie rechtstreeks door de aandeelhoudersvergadering werden gekozen. Verder hadden twee vertegenwoordigers van "De Harmonie" en twee van de gemeente Groningen zitting in het bestuur; deze laatste vier bestuursleden werden door de aandeelhouders gekozen uit dubbeltallen opgemaakt door het bestuur van "De Harmonie" respectievelijk het college van B. en W. In 1925 werd uitbreiding van het aantal bestuursleden mogelijk gemaakt door in de statuten te bepalen dat er 'tenminste' zeven leden zouden moeten zijn. De GOV voegde in 1925 één bestuurslid toe en de gemeentelijke vertegenwoordiging werd van twee op driepersonen gebracht in verband met de aanmerkelijke verhoging van de subsidie.

In 1951 bestond het GOV-bestuur uit elf leden, waarvan er zes rechtstreeks door de NV benoemd werden. Het bestuur van de gemeentelijke stichting GOV telde zeven leden, waarvan er één benoemd werd door Gedeputeerde Staten, twee door B. en W. en vier door de NV "Groninger Orkestvereniging". Deze samenstelling bleef tot 1961 ongewijzigd.

Organen binnen en buiten de GOV

De muziekcommissie
Tijdens de reorganisatie in 1926 werd uit een aantal bestuursleden de muziekcommissie gevormd, die in die bijzondere situatie tot taak kreeg de niet-administratieve zaken te regelen. Uit de notulen, die op één uitzondering na vanaf 1943 bewaard zijn, blijkt dat de commissie toen bestond uit vijf leden van het GOV-bestuur, één of twee niet-bestuursleden die sterk bij het orkest betrokken waren en de dirigent. Hoewel de tweede dirigent en de administrateur telkens de vergadering bijwoonden is niet duidelijk of ze officieel lid van de commissie waren, of dat ze vanwege hun functie verplicht waren de vergaderingen bij te wonen.

Deze commissie verrichtte het voorbereidende werk voor de seizoenprogrammering. In het verlengde daarvan lag de beoordeling van de artistieke kwaliteiten van de orkestleden en het afnemen van proefspel bij sollicitaties. Specifiek belast met de keus van de muziek was een groep van drie personen uit deze commissie, waarvan de dirigent het middelpunt was. Vanaf 1951 bestond de commissie uit het dagelijks bestuur van de gemeentelijke stichting GOV, de dirigent en twee personen van buiten het dagelijks bestuur.

De Propagandacommissie
Deze commissie werd in 1926 ingesteld naar aanleiding van de eis van het Groninger gemeentebestuur, dat er vanuit de burgerij minimaal f 36.000, -moest worden opgebracht, wilde B. en W. een subsidie van f 45.000, - verlenen. In juli 1926 stuurde de "Propagandacommissie voor het voortbestaan der Orkest Vereeniging" een groot aantal propagandistes op pad, nadat er circulaires verspreid waren in de stad. De start van de campagne werd gevormd door een zevental lezingen over het belang van het orkest. Een volledig beeld van de werkzaamheden van deze commissie valt niet meer te krijgen, omdat er teveel stukken ontbreken. Bewaard gebleven lijsten van donaties en giften doen vermoeden dat er uit een groot aantal giften een waarborgfonds gevormd is. Over dit fonds ontbreken echter nadere gegevens.

In 1934 vergaderde voor het eerst de Propagandacommissie, die waarschijnlijk een jongere versie geweest zal zijn van de oude "voor het voortbestaan...". In 1935 ging deze commissie samenwerken met het Fonds tot Instandhouding (zie onder). Naast het werven van abonnementhouders voorde GOV wierf de Propagandacommissie ook contribuanten voor het Fonds tot Instandhouding. Het maken van propaganda voor de GOV ging in 1936 over op dein dat jaar opgerichte vereniging "Vrienden van de GOV" (zie onder). We mogen aannemen dat de Propagandacommissie toen is opgeheven.

In de commissie van 1926 zaten op één uitzondering na uitsluitend bestuursleden van de GOV. Deze commissieleden benoemden de 27 propagandistes, die op hun beurt weer vijf helpsters zochten. In de hernieuwde propagandacommissie van 1934 had slechts één vertegenwoordiger van het GOV-bestuur zitting.

De overige leden van beide commissies waren personen, die nauw betrokken waren bij het orkest. Eén van de commissieleden was getrouwd met een bestuurslid van de GOV.

Het Fonds tot Instandhouding
Dit fonds is waarschijnlijk voortgekomen uit het reeds genoemde Waarborgfonds. In 1935 werd het fonds een rechtspersoon in de vorm vaneen stichting . Het bestuur bestond uit zeven leden; de penningmeester was de penningmeester van de NV GOV, terwijl de andere bestuursleden door het bestuur van de GOV werden gekozen uit dubbeltallen, opgesteld door het fondsbestuur. In 1955 kwam het Fonds samen met de hieronder behandelde vereniging "Vrienden van de GOV" onder één bestuur.

Het Pensioenfonds
Dit fonds is gevormd in de tijd dat de sociëteit "De Harmonie" het orkest exploiteerde (voor 1918). Uit de jaren voor 1937 ontbreken echter de gegevens. In 1926, toen het orkest en de sociëteit goeddeels ontkoppeld waren, namen twee bestuursleden van de GOV zitting in het in totaal zevenpersonen tellende bestuur. Verder werd één bestuurslid benoemd door B. en W., één door het Harmoniebestuur en drie door de orkestleden.

Het pensioenfonds voorzag in uitkeringen aan orkestleden die 65 jaar waren geworden. Verder konden er in incidentele gevallen uitkeringen gedaan worden, bijvoorbeeld in geval van ziekte of ter aanvulling van een te lage uitkering waarop een werknemer buiten het pensioenfonds om recht had.

De vaste inkomsten voor het fonds werden gevormd door afdrachten van de salarissen van de orkestleden. Naast andere, incidentele, inkomsten zoals schenkingen, werd jaarlijks een aantal concerten gegeven ten behoeve van het pensioenfonds. Het fonds beschikte over een reservefonds. Vanaf 1942 bestond de mogelijkheid om een deel van de pensioenbijdrage te gebruiken als premie voor een levensverzekering, waarvoor de GOV een collectief contract had afgesloten.

Na de oorlog bleek de pensioenvoorziening volstrekt onvoldoende, hetgeen leidde tot de eerder genoemde herstructurering van de GOV tot een gemeentelijke stichting. Het pensioenfonds bleef bestaan voor die personen, die hieruit reeds een uitkering kregen en voor de orkestleden die niet in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds konden worden opgenomen. Bovendien diende het als steunfonds waaruit aanvullingen op door andere fondsen verstrekte uitkeringen konden worden betaald, in het geval deze te laag waren.

Het pensioenfonds kan worden beschouwd als een orgaan van de GOV.

De vereniging "Vrienden van de GOV"
Ter gelegenheid van het 12½-jarig bestaan van de GOV vormde zich in 1931 een comité onder voorzitterschap van prof. dr. H.W.C. Bordewijk, dat ter gelegenheid van het jubileum enkele orkestwerken aanbood. Uit dit initiatief ontstond in 1936 de vereniging "Vrienden van de GOV", die zich ten doel stelde het orkest financieel te steunen. Ook het "Fonds tot Instandhouding" had dat doel (zie boven), maar daarbij was het initiatief van het GOV-bestuur zelf uitgegaan. De vereniging was weinig actief, totdat de gemeente Groningen er in 1954 op wees dat de particuliere bijdragen voor het orkest onder de maat waren. Daarop nam de vereniging enkele initiatieven, waaronder een donateursactie onder het bedrijfsleven. Verhoging van het aantal leden om daarmee de inkomsten én de afdracht aan de GOV te verhogen, zou relatief veel moeite vergen.

In 1955 kwam de vereniging samen met het "Fonds tot Instandhouding" onder één bestuur. De vereniging bleef ook na 1961 de drager van het particulier initiatief, nu onder de naam "Vrienden van het NFO". De vereniging stond geheel los van de GOV, hoewel er op het bestuurlijk niveau intensieve contacten bestonden.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.


Er is nog niet op dit artikel gereageerd.

Pageviews vandaag: 6.