kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 16-05-2008 voor het laatst bewerkt.

Gluckisten-en-Piccinisten

Oorlog der Glückisten en Piccinisten

'Twist' om de vraag of de Franse of de Italiaanse operavorm te preferen was. De "Gluckisten" verdedigden de Franse opera, de "Piccinnisten" de Italiaanse belcanto opera.

Met Glucks terugkeer naar de idealen van de vroege barokopera ontvlamde de bittere strijd tussen de zogenaamde Gluckisten, vertegenwoordigd door (A.F. Arnaud, J.B.A. Suard), en diegenen die het type van de Italiaanse zangopera propageerden, de Piccinisten (J.F. Marmontel, J.F. de la Harpe, Jean Le Rond Alembert). Gluck en Piccini zochten die twist niet op, ze werd voornamelijk gestreden tussen hun aanhangers, waaraan patriottistische motieven niet vreemd waren, die elkaar letterlijk naar het leven stonden.

Gluck
Op 16-jarige leeftijd begon Gluck een zelfstandige loopbaan als musicus. In Londen, gaf hij twee concerten met Händel. Vervolgens werd hij muziek-meester van de toekomstige koningin van Frankrijk. Nadat hij benoemd was tot directeur van het Burgtheater in Wenen, wijdde hij zich aan de opera seria, die hij geheel in de lijn van de Italiaanse opera schreef. De opdrachten die Gluck kreeg, dwongen hem echter af te wijken van de conventies van de opera seria, en de principes en regels van de Franse komische opera te volgen.

Hervormingsopera's
Christoph Willibald Glucks hervormingsopera's ontstonden als reactie op de Italiaanse opera seria, waarin de handeling nauwelijks van betekenis was en het accent geheel op de muziek lag, in het bijzonder op het vertoon van zangvirtuositeit. Gluck schreef zelf ook een aantal van dergelijke opera seria. Zijn verblijf in Wenen zette hem echter op het spoor van andere mogelijkheden: de opéras-comiques die hij hier schreef (o.a. l'Isle de Merlin , 1758, l'Arbre enchanté , 1759) en de samenwerking met de ballethervormers Gasparo Angiolini (1731-1803) en Jean-Georges Noverre (1727-1810), van wie hij enige zgn. dansdrama's van muziek voorzag (o.a. Don Juan, 1761) zijn van wezenlijke betekenis geweest voor het ontstaan van Glucks ideeën over een nieuw type ernstige opera. Als ideaal zag hij een kunstwerk waarin alle kunsten gelijkberechtigd samengingen bij en zich ondergeschikt maakten aan de verwezenlijking van een dramatische gedachte. Dit kwam erop neer dat voor het eerst sinds het ontstaan van de opera bij de Camerata weer betoogd werd dat in de opera de muziek zich naar de eisen van het drama te voegen heeft en niet andersom.
Gluck geeft met de vanuit deze beginselen, in nauwe samenwerking met de geestverwante tekstdichter Ranieri Calzabigi geschreven hervormingsopera's Orfeo ed Euridice (1962), Alceste (1767) en Paride ed Elena (1770), de aanzet tot de strijd die tussen de gluckisten en de piccinisten zou uitbreken. Ze werden alle te Wenen opgevoerd, maar met weinig succes en op advies van de Franse gezantschapsattaché François Leblanc du Roullet, die de verwantschap geconstateerd had van Glucks reformopera's in hun totaliteit met de Franse tragédie-lyrique (Rameau) verlegt Gluck vanaf 1773-1779 zijn activiteiten naar Parijs.
Leblanc du Roullet leverde ook de tekst voor Glucks eerste, in opdracht van Marie-Antoinette geschreven, Franse opera: Iphigénie en Aulide (1774), welke een enorm succes kende. Na het succes van Iphigénie en Aulide wordt hij door keizerin Maria Theresia benoemd tot hofcomponist. Andere opera's zijn: Armide (1777, tekst Philippe Quinault, ook al door Lully op muziek gezet) en zijn meesterwerk Iphigénie en Tauride (1779, tekst Nicolas-François Guillard). Tevens werden Orfeo (Orfee) en Alceste voor Parijs bewerkt.

Toen Gluck, wiens ideaal, mede dank zij Calzabigi en du Rollet, in menig opzicht met de oude tragédie lyrique overeenstemde, te Parijs verscheen met zijn zgn. hervormingsopera's op Franse tekst ontstond een heftige polemiek tussen voor- en tegenstanders: tegenover een groep fervente aanhangers stelden zich even felle tegenstanders op, die de Italiaanse stijl als het ideaal zagen en teneinde met Gluck te rivaliseren, de opera buffa-componist Niccolò Piccini uit Napels lieten overkomen. Deze manoeuvre pakte merkwaardig uit doordat Piccinni's opera Roland (1778), waarmee de Italianisanten in de polemiek tussen 'Gluckistes' en 'Piccinistes' hun gelijk hadden willen bewijzen, geheel in de geest van Gluck geschreven bleek te zijn. Andere componisten bij wie de verheven, strenge stijl van Glucks hervormingsopera's heeft doorgewerkt, waren Luigi Cherubini, Jean François Lesueur en Étienne Méhul.

Gluck was geen vernieuwer, maar zette de Franse lyrische kunst van Lully en Rameau voort. Hij vereenvoudigde het libretto en maakte het recitatief soepeler. Hij deelde de opvattingen van Rameau: "il faut donc imaginer des operas sans vers". Het grootste deel van zijn oeuvre is gewijd aan het toneel, in de stijl van de Italiaanse hofopera (21 Italiaanse opera's).

Piccini
De Italiaan Piccinni werd in 1728 geboren te Bari en overleed in 1800 in Passy, bij Parijs. Hij studeerde in Napels en debuteerde in 1754 met Le Donne Dispettose, de eerste van zijn 127 opera’s op zowel Italiaanse als Franse libretti. Hij had in zijn tijd groot succes. In Parijs ontstond een krachtmeting met de grote Gluck. Beiden schreven een Iphigénie en Tauride, die in het voordeel van Gluck uitviel. Piccini vervulde vooral een belangrijke rol in de ontwikkeling van de opera buffa, waarin hij plaats inruimde voor het sentiment.

Zie ook Querelle des Bouffons

Gluck had in zijn Franse hervormingsopera's getracht de tragédie lyrique van Lully en Rameau met de eisen van Rousseau c.s. te verzoenen, door meer respect voor het drama te hebben en door zowel natuurlijker recitatieven als pathetischer koren en aria's te schrijven. Zijn werken betekenden zowel het eindpunt van een ontwikkeling die tot Lully terugvoerde als het uitgangspunt voor een nieuwe ontwikkeling, die de ernstige Franse opera zou voeren naar de grand opéra naar Italiaans model van de 19de eeuw. Glucks Franse navolgers (o.a. Méhul, Spontini als verfranste Italiaan) sloegen reeds de weg in die daarheen zou leiden. Toch had, al sinds het midden van de 18de eeuw, de ernstige opera met zijn classicistische allure zijn centrale plaats in het Franse muziekleven verloren; ook Gluck kon daaraan niets veranderen. Had enerzijds de instrumentale muziek dank zij het toenemende concertleven een grote sociologische betekenis gekregen, anderzijds nam het jonge genre van de opéra comique een enorme vlucht.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 9.