kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Generazione-dell'80

Generazione dell’80 (generatie van 1880)

Groep Italiaanse componisten, rond 1880 geboren die na de muziek van Giuseppe Verdi nieuwe wegen zochten om de Italiaanse opera te ontwikkelen.

Arrigo Boito - Mefistofele
Het is altijd moeilijk het begin van een historische beweging vast te stellen, immers veelvuldig zijn de stromingen die samenvloeien voor de geestelijke vorming van een tijdperk. Wanneer begon in Italië de omvangrijke muzikale beweging die zou voeren naar de hedendaagse muziek? Een speciale datum is zeer belangrijk: 6 maart 1868, de dag waarop in de Scala te Milaan de eerste uitvoering gegeven werd van de opera Mefistofele van Arrigo Boito. Het was de eerste keer dat in een Italiaans theater een gevecht werd geleverd dat in zeker opzicht deed denken aan de storm die Victor Hugo's Hernani ontketende in Parijs, veertig jaar vroeger. En evenals in Parijs was ook in Milaan de uitwerking véél belangrijker dan men vandaag nog wil aannemen. Want met Mefistofele - en achter het werk zelf de actie van de voornaamste ingewijden die de dichtermusicus aangespoord hadden deze omvangrijke opera te componeren - trachtte de Italiaanse muziek los te breken uit de ban van dat bewonderenswaardige 'provincialisme', waarin zij tot dan toe had geleefd.

Misschien was het die wijdere blik op de muzikale problemen, die ontvankelijkheid voor de leer van Wagner, die in Italië de herleving hielp ontstaan. Ofschoon dus de opera de enige erkende muzikale uiting was, kwam reeds in het midden van de 19de eeuw een beweging op tot hernieuwing van de Italiaanse muziekcultuur. Het is hoofdzakelijk de verdienste van enkele grote solisten, een begin hiertoe te hebben gemaakt. Zij overschreden in hun specifieke hoedanigheid van vertolkers der absolute muziek veelvuldig de grenzen van het 'Vaderland der Opera' en kwamen in aanraking met zeer belangrijke muziek van 'vreemde oorsprong', hoofdzakelijk Duitse. Het waren o.a. A. Bazzini, beroemd virtuoos, die al op vrij jonge leeftijd zijn concertcarrière afbrak om zich aan de compositie en het onderwijs te wijden; G. Buonamici en A. Scontrino, die een grote activiteit ontwikkelde vooral t.a.v. het onderwijs der instrumentale muziek aan de jeugd. Maar nog belangrijker dan dezen waren G. Sgambati en G. Martucci. Beiden hadden als grote pianisten en voortreffelijke dirigenten gelegenheid, op hun reizen in het buitenland in aanraking te komen met de sterkste vertegenwoordigers der muziekcultuur van hun tijd, waarvan zij verwoede verdedigers en voorvechters werden. Dit impliceert, dat men ook in hun eigen composities bepaalde invloeden - en gebreken - van die cultuur kon terugvinden, daar hun persoonlijkheid niet de middelen vond zich boven een zeker epigonendom - van Duitse stempel te verheffen (Wagner, Brahms en anderen). Toch waren zij enorm belangrijk: het was hun verdienste en de verdienste van de toonkunstenaars van die generatie - dat Italië weer terugkeerde tot de absolute muziek. Tot hen moet ook nog worden gerekend Marco Enrico Bossi, organist van wereld faam en uitstekend componist.

Ferruccio Busoni
De figuur die zeker méér dan alle bovengenoemden oprijst en op de voorgrond treedt, is die van Ferruccio Busoni, een van de grootste pianisten in de annalen der geschiedenis, meester in de hoogste zin van het woord, componist met opmerkelijke gaven, en scherp denker die in de muziek het humanistische ideaal van de geestelijk-volmaakte mens vertegenwoordigde. Zijn visie op de kunst - bevrucht door zijn opleiding in Duitsland, welk land toen de hoogste top in het rijk der muziek scheen te zijn heeft een geestelijke horizon als weinigen, om niet te zeggen niemand, van zijn tijd hadden. Hij voorspelde de muzikale revolutie, waarvan hij zich tot een der apostelen had opgeworpen. Zijn geschriften over muziek openbaarden een bezorgdheid voor de toekomst, die niemand vóór hem ooit had gevoeld. En dit alles was verbonden met een bijna mystiek gevoel voor de muziek en de kunst in het algemeen. Dat hij als componist geen grote hoogte heeft bereikt is in zekere zin onbelangrijk, maar des te belangrijker en helderder was zijn gedachtenwereld die in menig opzicht verwant is met die van Schönberg.

Jonge Italiaanse School der 20ste eeuw (Generazione dell'80)
Van al deze kunstenaars, die heden in de herinnering leven door de waardering die men voor hen koestert, meer dan omdat men hen kende, stammen in directe of indirecte lijn die musici af, die, zij het dan ten onrechte maar in ieder geval gemakshalve, hergegroepeerd werden in de jonge Italiaanse School der 20ste eeuw. Zij waren óf werkelijk eigen leerlingen der voorgaanden, óf geboren in een cultureel klimaat dat door hen geschapen was. Het zijn: Ottorino Respighi, Ildebrando Pizzetti, Gianfrancesco Malipiero en Alfredo Casella.

Indien men aan de kunstenaars der hiervoor genoemde groep de naam pioniers zou willen geven, dan zou op de thans genoemden de naam herstellers van de muziekcultuur in Italië van toepassing zijn. Terwijl de vorigen nog nauw verbonden waren met het Duitse voorbeeld (in die tijd het enig mogelijke), opende zich voor deze nieuwe groep een geheel ander verschiet, door de kennismaking met dat grootse gebied der Italiaanse muziek, dat op zijn beurt het voorbeeld was geweest voor de muziek van de hele wereld.

Pizzetti ontdekte de humanistische wereld die in haar dramatische conceptie woord, muziek en moraal verenigde en voorts, op meer technisch-muzikaal gebied, de beoefening van het gregoriaans.
Malipiero opende de archieven van de bibliotheek der Venetiaanse School en bewerkstelligde aldus de herleving van de werken van Monteverdi, Vivaldi e.a.
Casella zorgde voor de terugkeer van de muzikale gedachten van Scarlatti tot Rossini.

De enige aan wie het moeilijk, zo niet onmogelijk, is een attribuut van deze aard toe te kennen, is Respighi, die de formeel-technische visie der Duitsers verruimde naar de wijdere gebieden der Russische en Franse School, waar hij de hoedanigheden van overnam en ontwikkelde, meer als handig vakman dan als geniaal kunstenaar.

Zonder echter aan de een meer of minder verdienste te willen toekennen dan aan de ander, maar alleen door te constateren dat de gehele geestelijke sfeer in de Italiaanse muziek veranderde, kan men vaststellen dat aan bovenvermelde groep de verdienste toekwam, de muzikale orde in de Italiaanse muziekcultuur hersteld te hebben, waarbij zij weer aanknoopten aan de zuiverste Italiaanse traditie van de 17de en 18de eeuw, die, zoals wij hierboven reeds zeiden, in de daaruit voortspruitende 19de eeuw vergeten was. Ook werd reeds gezegd dat het fout ware, aan deze toonkunstenaars van de jonge Italiaanse School een zelfde etiket te geven; immers dit zou een overeenkomst van gezichtspunten veronderstellen die zij niet bezaten, zelfs al ware het ideaal: de Italiaanse muziek op hoger plan te brengen, bij hen allen identiek. Maar de uitdrukkingsmiddelen van elk zijn zeer verschillend, verschillend is ook hun persoonlijkheid en ver uiteen liggen hun doelstellingen.

Ottorino Respighi
Ottorino Respighi was boven alles een 'alfresco schilder' en van hem herinnert men zich vooral twee symfonische gedichten (eigenlijk symfonische impressies, want voor het 'gedicht' missen zij de organische eenheid en de zekerheid van uitdrukking) : I Pini di Roma en Le fontane di Roma, composities van grote instrumentale durf, die echter naar het koloriet ten nauwste verbonden zijn met de Franse poèmes symphoniques van Debussy en Dukas, en naar de vorm met de Duitse en Russische School (Strauss, Rimski-Korssakow). De andere werken van Respighi, de opera's inbegrepen, komen niet uit boven een smaakvolle middelmaat; zij zijn krachtig en opmerkelijk handig, maar worden niet gedragen door een werkelijke, innerlijke en esthetische noodzaak.

Ildebrando Pizzetti
Veel persoonlijker en karakteristieker voor de tijdgeest is Ildebrando Pizzetti, wiens muziek-dramatische werken men niet kan negeren, ook al kan men ze moeilijk voor onsterfelijk houden. Zijn dramatische conceptie - men moet weten dat hij zelf zijn libretto's ontwerpt en zo hij al niet het gegeven zelf bedenkt, houdt hij zich toch uitvoerig met de tekst bezig - maakt zich ten enenmale los van elke geijkte theatervorm, terwijl hij gelijktijdig het poëtische en het morele element in zijn drama's brengt en dit niet op zichzelf betrekt (zoals bij het burgerlijke verisme) maar het beziet van humanistisch oogpunt uit. Men zou kunnen zeggen dat zijn figuren symbolen zijn van gevoelens zoals goedheid, haat, liefde, en hun belevenissen, hoewel persoonlijk, belevenissen van de gehele mensheid. Hij laat zijn keuze vnl. vallen op bijbelse onderwerpen, maar hij versmaadt ook andere thema's niet. Zijn voornaamste opera's zijn Debora e Jaele, Lo Straniero, Fedra (tekst van d'Annunzio). Afgezien van iedere artistieke waardebepaling, was zijn moraliserende invloed uiterst belangrijk, en het valt niet te loochenen dat er geen Italiaanse toonkunstenaar is die niet van zijn voorbeelden geleerd heeft. Zijn werken liggen hoofdzakelijk op het gebied van het theater,
doch ook op het terrein van de kamermuziek, en van de symfonische muziek heeft hij menig belangrijke bladzijde geschreven.

Gianfrancesco Malipiero
Volkomen anders van temperament en van natuur is de eminente kunstenaar Gianfrancesco Malipiero. Volmaakt Venetiaan als hij is (dat wil vanzelfsprekend zeggen: minnaar van de schoonheid in al haar verschijningen), komt hij tot artistieke rijpheid onder het teken van de Venetiaanse 17de en 18de eeuw, onder de dubbele invloed van muziek en poëzie. Het is voldoende, eraan te herinneren dat hij alle werken van Monteverdi uitgaf en van werken van Vivaldi de uitgave leidde (zonder nog te spreken van de revisie van talrijke minder belangrijke composities) om duidelijk te maken dat een dusdanige geestesgesteldheid natuurlijk niet kon ontkomen aan de invloed van deze meesters. Deze onvermoeibare werker heeft een enorme hoeveelheid muziek van elk genre geschreven, van kwartet tot opera, van liederen tot symfonieën.
Hij is zo persoonlijk, dat men zijn stijl kan herkennen na drie maten van een willekeurig werk. Het is wellicht een ietwat improviserende stijl, maar hij is vaak zeer krachtig van werking en boordevol humor. Men heeft meermalen getracht hem te classificeren en waarschijnlijk komt men de waarheid het meest nabij als men hem een barok musicus noemt. Maar barok in een veel lichtere zin dan men gewoonlijk onder dat woord verstaat. Men kan van hem herhalen wat wij reeds van Pizzetti zeiden: nl. dat er geen jongere musicus in Italië bestaat die hem (bewust of onbewust) niet een of ander verschuldigd is. Hij heeft veel leerlingen gehad en nog meer discipelen, van wie velen in de ban kwamen van
zijn fascinerende persoonlijkheid zonder erin te slagen meer te worden dan epigonen. Hij is zeer precies en voerde heel zijn leven strijd tegen de slechte gebruiken in de muziek, niet alleen met zijn werk als componist en leermeester, maar ook als schrijver en met zijn zeer scherpe en gispende woorden, waarvan weinigen verschoond zijn gebleven.

Alfredo Casella
Weer geheel anders, maar ook zeer interessant is de persoonlijkheid van Alfredo Casella, componist, dirigent, Pianist, spreker, leraar, schrijver en herziener. Hij reisde door de hele wereld, onvermoeibaar in zijn aandacht voor alle uitingen die ook maar van het geringste belang konden zijn. Volkomen Italiaans van geest, nam hij alles aan regels en gebruiken in zich op waar hij op zijn reizen mee in aanraking kwam; hij transformeerde alles op zijn eigen manier en gaf dat wat hij geleerd had door. Hij had een zeer grote invloed op de Italiaanse muzikale gewoonten, welke hij bevrijdde van veel provincialistische kluisters, doch hij wist zijn manier van internationalisme te vangen in een volmaakt Italiaanse wijze van uitdrukking. Men kan hem beschouwen aIs de leider van een school, want veel jonge toonkunstenaars zijn Casella's directe leerlingen geweest en vele anderen hebben hem gekend.

Bij deze vier musici kan men natuurlijk nog vele andere voegen die evenwel niet hun belangrijkheid delen en die vooral niet een zo beslissende uitwerking op de geschiedenis van de Italiaanse muziek hebben gehad. Want werkelijk, aan hen komt de verdienste toe dat zij van de grond af een Italiaanse School hebben opgebouwd waarin toch elke afzonderlijke persoonlijkheid zijn eigen vrijheid en zijn eigen speciale karakter behield. Zij hebben metterdaad de banden weer aangeknoopt met de oereigen Italiaanse traditie. Aan hen komt de verdienste toe, dat zij ons de eerste werken hebben geschonken van een eigen Italiaanse 'absolute muziek'. Aan hen ook de verdienste, een school opgericht te hebben, waardoor alle hedendaagse jongeren direct of indirect afstammen van hun artistieke vaderschap

Tot de groep, maar van minder belang, behoorden ook de volgende componisten:
Franco Alfano, 1875 – 1954
Ermanno Wolf-Ferrari, 1876 – 1948
Vincenzo Tommasini, 1878 – 1950
Riccardo Zandonai, 1883 – 1944
De componist Mario Castelnuovo-Tedesco (1895 – 1968) wordt soms ook nog tot deze groep gerekend.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 185.