kunstbus
Mail uw opmerking over of aanvulling op dit artikel naar kunstbus@gmail.com

Franco-Vlaamse-School

Franco Vlaamse School

De Franco-Vlaamse School of Nederlandse School genoemd, is een stijlrichting van polyfone vocale muziek in de 15e- en 16e eeuw.

Een nationalistische reflex ligt wellicht aan de oorsprong van de onderscheiden benamingen die Nederlandse, Franse en Vlaamse muziekwetenschappers voor de polyfonisten uit de Lage Landen hebben bedacht. De benamingen dekken overigens beslist dezelfde lading waar het de stijlen, periodes en componisten betreft. De "Nederlandse School" of de "Nederlandse polyfonisten" (met de nadruk op "Nederlands") zijn als verzamelnaam bedacht door muziekwetenschappers van het jonge "Koninkrijk der Nederlanden", dat van 1814 tot 1830 de huidige Beneluxlanden herenigde. Aan het begrip "Franco-Vlaamse School" wordt om voor de hand liggende redenen door Franse musicologen de voorkeur gegeven, hoewel de term historisch noch actueel steek houdt. En de Leuvense professor, dr. Ignace Bossuyt, lanceert het begrip "Vlaamse polyfonisten" waarschijnlijk vanuit dezelfde reflex die erin bestaat om hetzij de betrokkenheid van de eigen natiestaat dikker in de verf te zetten, hetzij - erger - het die eigen natiestaat niet te ontzeggen het avontuur van de Nederlandste polyfonisten geheel voor zich op te eisen en toe te eigenen.

Aangezien de toenmalige landsgrenzen enige vergelijking met de landsgrenzen vandaag niet geheel plegen te doorstaan, kan het begrip "Nederlands" voor verwarring zorgen. Weinig van de componisten die onder deze noemer worden samengebracht, zijn immers geboren op het grondgebied van het huidige Koninkrijk der Nederlanden. Het begrip "Nederlands" slaat uitdrukkelijk op de Lage Landen, die grotendeels overeenstemmen met de huidige Beneluxlanden en het door Frankrijk bezette deel (Noord-Nauw van Calais (Frans: Nord-Pas-de-Calais)) van de Nederlanden.
Verreweg de meeste en belangrijkste componisten zijn geboren in de historische graafschappen Vlaanderen en Henegouwen en in het hertogdom Brabant. Gedurende periodes van politieke stabiliteit in de 15de en 16de eeuw, m.a.w. tussen twee oorlogen in, waren deze gewesten binnen de Nederlanden het kerngebied van alle noemenswaardige economische en daarmee ook culturele activiteit, alhoewel niet alle centra terzelfder tijd even toonaangevend waren over de hele periode. Tegen het einde van de 16de eeuw was het kerngebied van muzikale vernieuwing niet alleen naar Italië verlegd, maar ook met autochtone Italianen bemand (Jacopo Peri, Carlo Gesualdo, Claudio Monteverdi).

Ofschoon de componisten geboren waren in de Lage Landen, vonden ze meestal emplooi buiten de Nederlanden, met name in Italië, Frankrijk, het Heilig Roomse Rijk (Duitsland, Oostenrijk, Bohemen, ...), Spanje, Engeland, Hongarije, Denemarken en andere delen van Europa. De verspreiding van hun componeerstijl, in de hand gewerkt door de revolutionaire ontwikkelingen op het gebied van de muziekdrukkunst vanaf 1501, creëerden de eerste werkelijk internationale stijl sinds de opgelegde eenvormigheid van de Gregoriaanse gezangen in de 9de eeuw.

Muzikaal gezien begint het tijdperk der Nederlanders met de waarneming van de terts en de sext als reine intervallen (in de middeleeuwen werden alleen het octaaf en de kwint als rein beschouwd).

De muzikale hegemonie der Nederlanders werd een halt toegeroepen op het concilie van Trente, waar van de kerkmuziek de goede verstaanbaarheid gevergd werd waar polyfone composities in eerste instantie niet op zijn gericht. Vanaf dan neemt het belang van de Italiaanse muziek en haar invloed buiten het schiereiland gestadig toe om vervolgens gedurende een tweetal eeuwen, en in weerwil van een a posteriori hoog ingeschatte Duitse concurrentie van Schütz over Buxtehude tot Bach, in de perceptie van tijdgenoten stand te houden.

Indeling
Binnen de Franco-Vlaamse School worden vaak vijf generaties onderscheiden als ijkpunten om vat te krijgen op de ontzaglijk rijke materie en de stijlevolutie.

De Nulgeneratie (circa 1380-1420)
De musicologen zijn niet geneigd de Nederlandse polyfonisten die omstreeks 1400 actief waren, niet zelden al buiten de Nederlanden (zoals in Italië waar zij al een behoorlijke reputatie opbouwden), niet zelden afkomstig uit de Romaans- en Nederlandstalige gebieden van het historische Prinsbisdom Luik, tot de eerste generatie componisten van de Nederlandse School uit te roepen. Derhalve worden ze hier verzameld als de nulgeneratie.
. Hugo Boy Monachus
. Johannes Ciconia
. Martinus Fabri
. Nicolas Grenon
. Johannes de Limburgia
. Mattheus Sanctus
. Petrus Vinderhout

- De Bourgondische stijl of Eerste Generatie of Eerste Nederlandse School (circa 1420-1470)
Het Bourgondische hof werd het centrum van de nieuwe muziek (ars nova). Gesteund door hertog Filips de Goede (1419-1467) konden kunstenaars en musici zich ontplooien. Componisten uit de Nederlanden, Engeland en Italië traden graag in dienst van het Bourgondische hof. Zij werden aangesteld om amusementsmuziek (chansons, dansmuziek) en kerkmuziek (motet en mis) te schrijven. De thematiek van de chansons sloot vaak nog aan bij de Middeleeuwse traditie van de hoofse liefde.
De muziek uit deze periode wordt gekenmerkt door isoritmiek en het toenemend belang van de vierstemmigheid. De mis wordt een autonome muzikale vorm.
Belangrijke componisten uit de Bourgondische School zijn: Giles Binchois (ca 1400-1460) en Guillaume Dufay (ca 1400-1474), alsmede Johannes Brassart, Simon le Breton, Antoine Busnois, Thomas Fabri, Hayne van Ghizeghem, Arnoldus de Lantins, Hugo de Lantins, Robert Morton, Johannes Pullois en Jacobus Vide.

De Bourgondische stijl wist de muziek uit de late Middeleeuwen te verbinden met de Renaissance en was een inspiratie voor de volgende generatie Franco-Vlaamse componisten. Vanaf 1450 wanneer de Franco-Vlaamse stijl tot bloei komt begint de Renaissance pas echt voor de muziek.

- Franco Vlaamse Stijl
Een aantal vooraanstaande componisten uit de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk ontwikkelde tussen ongeveer 1450 en 1550 een invloedrijke, sterk internationaal georiënteerde stijl. Deze componisten werkten in alle delen van Europa en vooral aan de Italiaanse hoven (in de roman 'Het motet voor de kardinaal' van Theun de Vries wordt geschreven over de migratie van Vlaamse musici en in het bijzonder Josquin Deprez). Ze zetten de vernieuwingen van de Bourgondiërs krachtig voort en dit leidt uiteindelijk tot de Gouden Eeuw van de polyfonie.
Componisten: Johannes Ockeghem (ca 1420-1497), Josquin Deprez (ca 1440-1521), Orlando di Lasso (ca 1532-1594).

Kenmerken van de Franco-Vlaamse school:
- imitatietechnieken (een motief uit de ene stem wordt overgenomen door een andere). Vormen van imitatie zijn de canon, vergroting (waarde van elke noot wordt verlengd), verkleining (waarde van elke noot wordt verkort) en de kreeft (melodie wordt van achter naar voren gespeeld).
- doorimitatie (een motief wordt in alle andere stemmen herhaald)
- drieklanken in de grondligging werden als bouwstenen gebruikt
- gelijkwaardigheid van alle stemmen. Cantus firmus kan in alle stemmen verschijnen.
- polyfone delen worden met homofone delen afgewisseld
- vierstemmig polyfone werken was de norm, vijf-en zesstemmig kwamen ook veel voor
- componisten hadden sterke voorkeur voor a-capella koorzang al kwam het regelmatig voor dat instrumenten de stemmen aanvulden
- de majeur-mineur tonaliteit neemt toe (Nog steeds spreken we van kerktoonsoorten ofwel modi uit de Middeleeuwen, maar door chromatische veranderingen (bes, fis, es, cis) gaat de toonsoort in feite steeds meer als majeur en mineur klinken.)

Tweede Generatie of Tweede Nederlandse School (circa 1470-1500)
Een keuze van componisten uit deze periode: Alexander Agricola, Jannes Agricola, Eloy d'Amerval, Jacobus Barbireau, Jacobus Barle, W. Braxatorius, Loyset Compère, Petrus Elinc, Jean Japart, Johannes Martini, Johannes Ghiselin alias Verbonnet, Johannes Ockeghem, Johannes Stockem

Derde Generatie of Derde Nederlandse School (circa 1500-1520)
Vanaf de derde generatie trokken veel componisten naar Italië. Muzikaal wordt de gelijkwaardigheid van alle stemmen nagestreefd. De vroegste Italiaanse drukken bevatten werk van componisten uit de Nederlanden en bevorderen de verspreiding van hun stijl, net zoals de fraai verluchte handschriften uit het atelier van Petrus Alamire (Petrus Imhof), door het Bourgondisch-Habsburgse Hof als relatiegeschenken over alle toenmalige vooraanstaande vorstenhuizen verspreid.
Belangrijke componisten uit deze periode zijn Rodolphus Agricola, Petrus Alamire, Noel Bauldeweyn, Antoine Brumel, Nicolaes Craen, Josquin Desprez, Heinrich Isaac, Collinet de Lannoy, Erasmus Lapicida, Nicolas Liegeois, Johannes Lupi, Jacob Obrecht, Matthaeus Pipelare, Pierre de la Rue, Paulus de Roda, Colijn Sampson, Gaspar van Weerbeke

Vierde Generatie of Vierde Nederlandse School (circa 1530-1560)
In de Vierde Nederlandse School verdringen de vijf- en zesstemmigheid de vierstemmigheid. De majeur- en mineurtoonsoorten en de klassieke harmonieleer met regels voor het opheffen van dissonante klanken komen op. Terwijl de componisten uit de Nederlanden nog steeds over heel Europa uitzwermen, ontstaan nu - een aantal decennia nadat Ottaviano Petrucci in 1501 in Venetië voor de eerste keer een bundel met polyfone muziek publiceert - in de Nederlanden, met name in Antwerpen (Susato) en Leuven (Phalesius), de eerste op polyfone muziek gerichte muziekuitgeverijen van enige omvang.
Een keuze uit de componisten uit deze periode: Benedictus Appenzeller, Jakob Arcadelt, Antoine Barbe, Josquin Baston, Cornelis Boscoop, Arnold von Bruck, Jacobus Clemens non Papa, Gheerkin de Hondt, Theodor Evertz, Franciscus Florius, Nicolas Gombert, Joest Hectre, Lupus Hellinck, Georgius Hompe, Pierken Jordain, Joannes de Latre, Gherardus Mes, Servaes van der Muelen, Salmier, Adrianus Scockaert, Carolus Souliaert, Tielman Susato, Gerardus van Turnhout, Hieronymus Vinders, Adriaan Willaert, Jan van Wintelroy, Joannes Zacheus

Vijfde Generatie of Vijfde Nederlandse School (circa 1560-1600)
In de tweede helft van de 16de eeuw is de Franco/Vlaamse stijl over geheel Europa verbreid en niet meer aan de Nederlanden gebonden.
Een keuze uit de componisten uit deze periode: Jan Belle, Severin Cornet, Ludovicus Episcopius, Noé Faignient, Jacobus Florii, Balduin Hoyoul, Orlando di Lasso, Jacobus de Kerle, Claude Le Jeune, Philippus De Monte, Andreas Pevernage, Jacob Regnart, Philippe Rogier, Cypriano de Rore, Johannes Tollius, Gerardus van Turnhout, Jan van Turnhout, Jacobus Vaet, Hubert Waelrant

Nabloei (circa 1600-1630)
De vocale muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck, Cornelis Schuyt, Cornelis en Jan Verdonck of die van Spanjes laatste kapelmeester van de Capilla Flamenca voor die werd ontbonden, Matteo Romero (Matthieu Rosmarin), behoort tot de nabloei van de Nederlandse School.

Copyright, This article is licensed under the GNU Free Documentation License. It uses material from the Wikipedia article http://nl.wikipedia.org/wiki/Franco-Vlaamse_School.

Klik hier voor informatie over auteurs, literatuur en websites waar veelvuldig uit geciteerd of geparafraseerd is.

Pageviews vandaag: 121.