kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 03 06 2016 14:46 voor het laatst bewerkt.

Viool

Westers snaaristrument,

De viool behoort tot de groep chordofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het in trilling brengen van snaren). Binnen deze groep wordt hij dan geplaatst onder de groep strijkinstrumenten.
De viool is het kleinste lid van de familie van gestreken snaarinstrumenten waartoe de altviool, de cello en de contrabas behoren. De viool heeft een toonomvang van minstens 3 octaven en zit als stem onder de altviool.

De viool is het kleinste en hoogst klinkende strijkinstrument. De vier open snaren zijn in kwinten gestemd: sol - re - la - mi. De muziek voor de viool staat in de solsleutel genoteerd.

De prachtige toon en de mogelijkheid om een breed scala aan klankkleuren tot uitdrukking te brengen, zijn de belangrijkste eigenschappen voor de populariteit van de strijkinstrumenten. De viool heeft zeer veel uitdrukkingsmogelijkheden. De viool speelt dan ook een hoofdrol in het symfonieorkest. In het orkest zijn de violen het talrijkst vertegenwoordigd. Ze worden meestal in twee groepen verdeeld: eerste en tweede violen, die elk een eigen partij spelen. Beide groepen moeten echter even vaardig zijn! Ook in een strijkorkest is een viool heel belangrijk.

MATERIAAL: Hout en snaren van oorspronkelijk arm, later metaal of kunststof. De klankkast is 36 cm. lang.
Het eenvoudige uiterlijk van deze instrumenten is misleidend, want de bouw van een strijkinstrument vraagt om veel kennis en vakmanschap. Vioolbouwers wilden niet alleen dat hun violen er mooi uitzagen, ze wilden ook dat ze een mooie toon hadden. De verhoudingen van het instrument, de lengte van de hals en de toets, de hoogte van de kam, plaatsing van de f-gaten, stapel en zangbalk, de kwaliteit van de lak; het waren allemaal zaken waarmee ze steeds bleven experimenteren.
De krul op de kop van het instrument is overbodig. De vioolbouwers versierden meestal dit deel van het instrument.
De stemschroeven, waarmee de speler de snaren op de juiste basislengte brengt en dus het instrument stemt, zitten bovenaan aan de zijkant.
De speler maakt met de linkerhand de snaren korter door ze tegen de toets te drukken: hoe korter de snaar, hoe hoger de klank.
De vier snaren zijn gespannen over de kam; deze brengt de trillingen over op de klankkast.
De klankkast zorgt voor versterking van het geluid.
Rechts en links van de kam zijn f-gaten uitgesneden, om de klank vrij te laten. Aan beide kanten van deze klankgaten is de klankkast getailleerd, wat het strijken op de buitenste snaren vergemakkelijkt.
Binnenin zit de ziel of stokje: de verbinding tussen het boven- en onderblad, als steun en versteviging;
het hout en de vernis zijn heel belangrijk voor de toonvorming.
Het instrument wordt tegen de hals geplaatst en met behulp van de kinsteun vastgehouden.

De vier snaren (G-D-A-E) worden aangestreken met een strijkstok, dit noemt men arco.
Met de rechterhand wordt de strijkstok (ook boog genoemd) vastgehouden.
Het strijkgedeelte van de houten strijkstok is gemaakt van paardenhaar. Hij brengt de snaren aan het trillen.
Het paardenhaar is bespannen tussen punt en slof en wordt regelmatig ingewreven met collofaan (een harssoort).

Door de viool op verschillende manieren te bespelen krijg je telkens andere klankmogelijkheden waar de componist natuurlijk dankbaar gebruik van maakt. Een tweetal speelmanieren die veel door violisten gebruikt worden zijn: pizzicato en tremolo.
Om de toon zachter te laten klinken kan er op de kam een demper ( Sourdine ) geplaatst worden, dit noemt men con sordino (met demper).

ontstaan
Het ontstaan van de strijkersfamilie dateert ongeveer uit de tweede helft van de 16e eeuw. In Europa werden echter tijdens de middeleeuwen reeds andere strijkinstrumenten bespeeld. Drie daarvan hadden een beslissende invloed op de de ontwikkeling van de vioolfamily: de rebec, de vedel en de Lira de Braccio.

viola
De viola (of viola da gamba) was een voorganger van de viool. De viola heeft zes dunne snaren, de klankgaten zijn verschillend van vorm, het achterblad van de viola is plat en de strijkstok van de viola is breder dan die van de viool. Bovendien heeft de viola frets. Stukjes metaal op de toets, die precies aangeven waar de snaar moet worden ingedrukt voor een bepaalde toon. Frets ziet je ook bij gitaren. De viola geeft een rustige klank. Hij kan goed samen met blokfluiten en menselijke stemmen.

rebec
Weer een ander strijkinstrument was de rebec. Dit instrument had een kleine, peervormige romp met een rond achterblad en een korte hals. De romp werd uit één stuk hout gemaakt. Vooral in de Middeleeuwen en de Renaissance was dit instrument erg populair.

Vedel
Een andere voorganger van de viool is de vedel, een Middeleeuws strijkinstrument. De vedel kwam voor in Afrika, Azië en Europa. Er zijn twee basisvormen: de spike-vedel met een lange hals en de korthalsvedel. Sommige vedels hebben maar één of twee snaren, anderen hebben 3 of 4 gestreken snaren plus eventueel een aantal meetrillende snaren.

lira da braccio en de lira da gamba
Uit de vedel ontwikkelde zich de lira da braccio en de lira da gamba. Deze instrumenten lijken veel op de moderne viool. De lira da braccio werd tegen de linkerschouder gehouden, de grotere lira da gamba tussen de knieën van de speler. De lira da braccio heeft vijf gewone snaren en twee basssnaren. Bij de lira da gamba kan het aantal gewone snaren oplopen tot vijftien.

viool
De eerste echte violen werden omstreeks 1550 gebouwd in de Italiaanse vioolbouwcentra Brescia en Cremona.
De eerste echte viool, had vier snaren, een getailleerde romp en f-vormige klankgaten - een vorm die in 400 jaar slechts weinig is veranderd. In het begin had de viool een doffe, bescheiden toon, als gevolg van het feit dat de snaren dik waren en zeer los aan de klankkast vast zaten.

In Cremona werkte de grote vioolbouwer Andrea Amati (1535 tot 1610), een kunstenaar met veel smaak en een talent voor het oplossen van klankproblemen. Waarschijnlijk leerde hij veel van de luitenbouwers. Hij gaf de viool zijn definitieve vorm. Anderen hebben geprobeerd om een andere vorm te bedenken, maar de vorm van Amati was het best. Hij haalde de materialen voor het bouwen van een viool uit Venetië. Zijn instrumenten hadden een weke en zoete toon. Zijn 2 zoons namen na zijn dood de werkplaats over.

Het bouwen van violen begon in het Italië van de 16e eeuw en bloeide op onder mensen als Stradivarius (1644 -1737).
Antonio Stradivari (1644 tot 1737) groeide op in een klein dorpje in Italië in de streek waar bomen groeiden waarvan het hout wordt gebruikt voor violen. Toen hij een jaar of 16 was, vertrok hij naar Cremona. Daar leerde hij van Nicolo Amati het vak van viool bouwen. Antonio had talent; al in 1665 signeerde hij een viool met zijn eigen naam Stradivarius (Het was in die tijd een gewoonte om je naam in het in het Latijns op een viool te zetten die jij had gemaakt). Die eerste viool van hem was een meesterwerk! Na een aantal jaren begon hij zijn eigen werkplaats.
Aan geld had hij geen gebrek en dus kon hij rustig de mooiste violen bouwen Hij gebruikte een heel bijzondere kwaliteit hout. Sommige mensen denken dat hij een eigen stuk bos bezat in de buurt van Cremona en dat hij daar de eerste keus had. Of dat waar is weet niemand. Hij had ook een bijzondere lak, waarvan de formule nooit is achterhaald. Stradivari heeft in totaal 1000 violen gemaakt waar er nog 450 van over zijn op de hele wereld. Stradivari is erg oud geworden: 93 jaar. En zelfs op die leeftijd maakte hij nog prachtige violen.

Omstreeks het begin van de 17e eeuw werd de viool ook als zelfstandig instrument van belang, want toen werd het opgenomen in de standaardbezetting van de Italiaanse opera-orkesten. Een nog sterker accent kreeg de viool als orkestinstrument toen in 1626 Louis XIII aan zijn hof een orkest formeerde, dat bekend stond onder de naam ‘Les vingt-quatre violons du Roy’ en later in die eeuw onder leiding van Lully beroemd werd.

Tijdens de 18e eeuw breidden violist-componisten zoals Vivaldi en Tartini het bereik van de speeltechniek uit.
Hun concerten en solosonates vroegen om een vollere, helderder en meer briljante toon. Dit werd o.a. verkregen door het gebruik van dunnere snaren) en een veel grotere spanning van de snaar om briljante passagewerk mogelijk te maken. Ook het binnenwerk van de klankkast en de toets moesten iets worden veranderd om deze grotere spanning te kunnen verdragen.
De techniek van de linkerhand werd veel uitgebreider, waarbij er nieuwe vingerzettingen werden uitgedacht voor de zeer hoge tonen. In het begin van de 18e eeuw werd het toen gebruikelijk om de viool onder de kin te houden. Voordien werd het instrument tegen de borstkas of het sleutelbeen geplaatst.

Later in die eeuw werd de strijkstok verbeterd, deze werd langer, breder en sterker. Tegen het eind van de 18 de eeuw gaf de Franse stokkenmaker François Tourte (1747-1835) de strijkstok zijn definitieve vorm. Zijn nieuwe stok was veerkrachtiger en langer. Zo werd het eenvoudiger om een vloeiende streek te maken, wat bij zangerige muziek zoals bijv. Mozart en Haydn onontbeerlijk was, en kon de violist nog meer noten op één streek spelen. Veel 19 eeuwse vioolmuziek zou met een ouderwetse stok nauwelijks te spelen zijn.

De definitieve vorm van de huidige viool ontstond aan het einde van de 18e eeuw. Niccolò Paganini zorgde in de 19e eeuw met zijn uitzonderlijke talent voor een hoogtepunt in virtuoos vioolspel. Paganini was daarnaast ook componist en hij schreef technisch moeilijke en briljante werken, die voor de hedendaagse violist nog steeds een uitdaging en inspiratie zijn.

Bronnen: www.muziekindex.nl, www.digischool.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 170.