kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Venetiaanse-Opera

Het was een met Rome geassocieerd gezelschap dat de opera naar Venetië bracht. De librettist, componist en teorbespeler Benedetto Ferrari (ca 1603-1681) en de componist Francesco Manelli luidden de Venetiaanse opera in met hun uitvoering van Andromeda in het Teatro San Cassiano in 1637. Dit was een theater waar publiek tegen betaling werd toegelaten, een beslissende stap in de geschiedenis van de opera, omdat zij tot dan toe afhankelijk was geweest van rijke of aristocratische patronen. Produkties zoals Andromeda waren 'low-budget' ondernemingen, waarbij librettist Ferrari tevens als musicus en componist Manelli en diens vrouw tevens als zangers actief waren. Alles bij elkaar waren er zes zangers, van wie er drie castraten waren, en twaalf instrumentalisten, waaronder twee klavecimbelspelers en twee trompettisten. Niettemin probeerde men in deze en latere Venetiaanse opera's op een kleinschalige manier de theatrale wonderen van de intermedi en de Romeinse opera's te evenaren.

Toen Monteverdi in 1607 als kapelmeester aan de San Marco naar Venetië vertrok, was Mantua's bloeitijd ten einde en zocht de jonge kunstvorm een toevlucht in de lagunenstad. Nadat enige opera's in het Palazzo Mocenigo waren opgevoerd, werd aldaar in 1637 het eerste openbare operatheater, San Cassiano, geopend, dat tot 1681 door nog elf andere werd gevolgd. In deze tijd werden voor deze verschillende schouwburgen ca 300 opera's gecomponeerd door meesters als Monteverdi, Francesco Cavalli, Marc-Antonio Cesti, Legrenzi, Ziani, Carlo Pollarolo, Carlo Pallavicini e.a. De Venetiaanse opera schafte om commerciële redenen de koren af, beperkte het orkest tot meestal driestemmig behandeld strijkorkest en zocht haar kracht grotendeels in de solozangkunst, waarbij meer en meer van mannelijke sopranen en alten, zgn. castraatzangers, gebruik werd gemaakt.

Monteverdi schreef zijn twee laatste opera's voor Venetië: Il ritorno d'Ulisse in patria en L'incoronazione di Poppea die respectievelijk in 1641 en 1642 werden uitgevoerd. Poppea heeft niet de afwisselende, kleurrijke orkestratie en het grote instrumentale en theatrale apparaat van Orfeo, maar is onovertroffen in de uitbeelding van menselijke karakters en hartstochten door middel van muziek en ligt in dit opzicht ver voor op alle andere zeventiende-eeuwse opera's. Ondanks de trend tot toenemende differentiëring van recitatief en aria bleef Monteverdi zoeken naar een flexibele mengeling van declamatorisch recitatief en meer lyrische en formele monodie.

Een van de meest vooraanstaande Venetiaanse operacomponisten was Monteverdi's leerling, Pier Francesco Cavalli (1602- 1676). De voortdurende vraag naar nieuwe werken in Venetië vindt zijn weerslag in de omvang van Cavalli's produktie. Van zijn eenenveertig opera's was Giasone de beroemdste (1649), een complete partituur met scènes waarin aria's en recitatieven elkaar afwisselen en de twee stijlen altijd zorgvuldig van elkaar onderscheiden blijven. Van Cavalli's andere opera's zijn Egisto (1643), Ormindo (1644) en Calisto (1651) de laatste tijd weer opgevoerd, met wijzigingen en toevoegingen die de componist waarschijnlijk versteld hadden doen staan. Cavalli's recitatief heeft niet de veelzijdigheid en de psychologische nuances van dat van Monteverdi, maar is toch rijk aan dramatische en ontroerende momenten. De veel meer uitgewerkte aria's zijn echte theaterstukken.

De opera's van Antonio Cesti (1623-1669) zijn meer gepolijst maar stilistisch minder krachtig dan die van Cavalli; Ces ti blinkt uit in lyrische aria's en duetten. Zijn beroemdste opera Il pomo d'oro (De gouden appel) werd in 1667 in Wenen uitgevoerd ter gelegenheid van het huwelijk van keizer Leopold 1. Als feestopera werd hij ten tonele gebracht zonder op de kosten te letten, waardoor hij vele in Venetië niet gebruikelijke attracties had, zoals een opvallend groot orkest en vele koren.
Il pomo d'oro was ook opmerkelijk vanwege zijn buitensporige theatrale effecten. Ingewikkelde machinerieën maakten de weergave van zeeslagen, belegeringen, stormen, schipbreuken, goden die uit de hemel afdaalden en allerlei wonderlijke plotselinge transformaties mogelijk, zoals in Venetië de gewone gang van zaken was geworden, maar de opvoering van Il pomo d'oro overtrof alles wat tot die tijd in opera geprobeerd was.
Meer karakteristiek is Orontea (ca 1649), een van de opera's die in de zeventiende eeuw het meest regelmatig werden uitgevoerd, niet alleen in Venetië, maar ook in Rome, Florence, Milaan, Napels, Innsbruck en elders.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw verbreidde de opera zich in Italië en van daaruit naar andere landen. Het belangrijkste Italiaanse centrum bleef Venetië, waarvan de operagebouwen in heel Europa beroemd waren.
De Venetiaanse opera was in deze tijd indrukwekkend, zowel dramatisch als muzikaal, ook al waren de plots een allegaartje van onwaarschijnlijke karakters en situaties, een irrationele mengeling van serieuze en komische scènes, die voornamelijk dienden als aanleiding voor mooie melodieën, prachtige solozang en verbluffende theatrale effecten, zoals wolken met een groot aantal mensen erop, betoverde tuinen en gedaanteverwisselingen. De vocale virtuositeit had nog niet de hoogtes bereikt die zij in de achttiende eeuw zou bereiken, maar ging wel al in die richting. Het koor was nagenoeg verdwenen, het orkest deed weinig meer dan begeleiden en de recitatieven waren muzikaal nauwelijks van belang: de aria voerde de boventoon en haar overwinning betekende in zekere zin ook de overwinning van de populaire smaak op het aristocratische raffinement van het oorspronkelijke Florentijnse recitatief, dat zo nauw verbonden was met de ritmen en stemmingen van de tekst.

Tal van Italiaanse meesters uit de Venetiaanse School trokken ook naar Oostenrijk en Duitsland, waar zij aan het keizerlijke hof en aan de katholieke hoven met open armen werden ontvangen (Cesti, Draghi, Badia, Caldara, P. A. en M.A. Ziani, G.B. en M.A. Bononcini enz.). Waar rijke middelen ter beschikking stonden, versmaadden zij het niet, daarvan gebruik te maken, zoals Cesti in zijn voor Wenen geschreven feestopera Il pomo d'oro (1667).
In Modena werkte o.a. Alessandro Stradella, die behalve opera's ook tal van oratoria schreef, en uit wiens werken Händel vele stukken heeft overgenomen. Een Italiaan die uitsluitend buiten Italië gewerkt heeft was Agostino Steffani, die voor München, Hannover en Düsseldorf zijn opera's componeerde en in het bijzonder uitblonk als componist van zgn. kamerduetten: cantates voor twee zangstemmen met basso continuo


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 67.