kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Variatievorm

Thema, gevolgd door variaties.

In de Renaissance werd de variatievorm zeer populair. Een bekende melodie wordt hier als uitgangspunt genomen. In dit genre neemt het aantal noten bij elke volgende variatie toe. Vooral in Engeland (William Byrd, Orlando Gibbons) kwam de variatievorm tot grote bloei, maar ook Jan Pietersz Sweelinck (1562-1621) schreef prachtige variatiereeksen.

De variatievorm had in de late zestiende eeuw een bijzondere bloeiperiode met het werk van de Engelse virginalisten; zij ontleenden hun naam aan het virginaal, de benaming die men destijds gebruikte voor alle toetsinstrumenten waarbij de snaren werden getokkeld. De melodieën die ten grondslag lagen aan de variaties zijn over het algemeen kort, eenvoudig en liedachtig. Op basis van een melodie zien we vervolgens een reeks variaties van bijvoorbeeld een stuk of zes tot meer dan twintig, terwijl de structuur van het thema blijft behouden.

De Variatievorm is een vorm waarbij een lied of een danswijsje, later een thema, aanleiding geeft tot een reeks samenhangende variaties. Het oerprincipe is gebaseerd op de uitgangspunten : herhaling en verandering.
Soorten:
- Strenge of Figurale variatie : Het thema wordt gewijzigd door melodische omspelingen of ritmische wijzigingen, maar behoud harmonische basis en structuur (komt veel voor in klassiek). Bijvoorbeeld: de romanesca uit de partite op Aria di Ruggiero van Frescobaldi.
- De melodie werd versierd (bleef in het hoge register) en de onderliggende harmonieën werden niet veranderd. (Jan Adam Reinken 1623-1722)
- Cantus Firmus: Het thema komt overanderd voor, daarnaast ontwikkelen zich tegenstemmen. de melodie werd niet of nauwelijks veranderd (soms anders gearrangeerd). Bij elke variatie was er ander contrapunt materiaal. (Sweelinck, Scheidt)
- Ostinatovariatie: Het vaste gegeven is een korte melodische formule die steeds herhaald wordt. Komt altijd voor in de bas en wordt ook basso continuo genoemd (barok)

Orgel composities uit midden en noord Duitsland, werden gebaseerd op korale melodieën. Vooral na het midden van 17e eeuw gebeurde dit op grote schaal en variëteit, maar het principe was al te vinden in werken van Sweelinck en Scheidt. (Tabulatura Nova; Scheidt 1624 (geschreven in een moderne Italiaanse stijl). De werken van Scheidt, en zijn invloed als leraar waren de fundering voor de orgelontwikkeling in noord Duitsland tijdens de barok.

Belangrijkste "eerbetoon" aan het ritme is misschien wel het feit dat componisten hun muziek steeds meer met ritmische herkenningspunten structureren. In de klassieke traditie wordt een compositie vormgegeven door melodische en harmonische herkenningspunten. Het duidelijkste kan men dit zien aan de klassieke variatievorm: een melodie wordt telkens gevarieerd, waarbij melodie en harmonie echter zoveel mogelijk gehandhaafd blijven om de muziek als variatie herkenbaar te houden; het ritme daarentegen wordt veelvuldig gevarieerd.

Gesloten variatievorm; een variatievorm waarbij de variaties in elkaar overgaan, dus net als bij een passacaglia. De Passacaglia is een variatievorm op een ostinato baslijn die terug te voeren is op een Spaanse dansvorm rond 1600. De Passacaille werd in de barokperiode door veel componisten gebruikt.

De Vihuela: Differencias of variaties op een thema waren oorspronkelijk instrumentale onderbrekingen van het gezongene in liederen met vihuelabegeleiding. Later werden dit zelfstandige composities, Sommigen zeggen hierom dat de vihuelacomponisten de variatievorm hebben uitgevonden.

In de klassieke periode behoorde het schrijven van variatiewerken tot de normale uitdrukkingsmiddelen van die tijd. Haydn, Mozart en Beethoven hebben elk een flink aantal van deze werken nagelaten, gebaseerd op eigen thema's of op die van anderen. In de romantiek echter werd het wat minder vanzelfsprekend deze vorm te beoefenen, hoewel er zich onder het geringe aantal variatiewerken wel enige van groot belang bevinden: Schumann's 'Études Symphoniques', Mendelssohn's 'Variations Sérieuses', beide voor piano en natuurlijk Brahm's 'Händel- en 'Paganini-Variaties' voor piano en de Haydn variaties' voor orkest. Deze componisten vertegenwoordigen de meer conservatieve stroming in de Duitse romantiek en hadden het voorbeeld van de klassieken en vooral van Beethoven voor ogen. Daar tegenover stond de Neudeutsche Schule van programmamuziek en opera, waarbij het beoefenen van de variatietechniek - die leidde tot een op zichzelf staande vorm - niet gebruikelijk was, hoewel de variatietechniek op zichzelf wel degelijk een grote rol speelde.

Hier treedt een belangrijk verschil aan het licht. De klassieke richting ging uit van de variatietechniek, zoals die bij Beethoven en Mozart tot volle ontplooiing kwam. Het thema zelf werd onderworpen aan alle mogelijke vormen van variatie: het kan worden omspeeld, voorzien van versieringen, zo veranderd dat alleen de meest belangrijke noten overeind blijven, veranderd in tempo enz. ...

Voor de makers van programmamuziek is dit een weinig aanlokkelijke handelwijze, hun thema's zijn immers dragers van ideeën of beelden mensen of zelfs voorwerpen uit en zijn daarom vastomlijnde muzikale gestalten, die alleen om programmatische redenen veranderd worden. In deze muziek (met Berlioz, Wagner, Liszt en R. Strauss als belangrijke componisten) wordt dus niet zozeer het thema, als wel de omgeving waarin het geplaatst wordt, veranderd. (R. Strauss' orkestwerk 'Don Quichote' is hierop een interessante uitzondering, hij noemde het stuk ook niet zonder reden 'Fantastische Variationen', het is een klassieke variatievorm met alle kenmerken van de romantische programmamuziek).

Ook Reger had deze techniek gebruikt in zijn grote orgelfantasieën, waarbij het koraal-thema steeds ongewijzigd in totaal verschillende muzikale omgevingen kwam te staan: het thema is onaangetast en de omgeving waarin het is geplaatst drukt de gevoelens uit die bij het tekstgedeelte hoorde dat op dat moment met het koraal correspondeert. Niet voor niets staat Reger in deze koraalfantasieën (niet natuurlijk in de daaropvolgende fuga's) het dichtst bij de Neudeutsche Schule.

In zijn kleine variatiewerken en in het enige grote werk gebaseerd op een eigen thema, sluit Reger aan bij de variatietechniek van Schumann en Brahms; in de grotere werken, op andermans tema's, zien we een vermenging van de beide stromingen.

In de variatievorm ligt saaiheid snel op de loer. Begrijpelijk, probeer maar eens zeer inventief met eenzelfde melodie om te gaan, dat valt niet mee. Een mogelijkheid hiertoe is de melodie in de verschillende stemmen te leggen. Zonder veel aan de structuur te veranderen krijg je hierdoor een heel andere klankkleur wat de variatie ten goede komt.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 104.