kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Stefan Wolpe

Amerikaans componist van Duitse afkomst, Berlijn 1902 - New York 1972,

Wolpe kon met wat hij op persoonlijk en muzikaal vlak meemaakte een paar levens gevuld hebben. Hij schreef socialistische strijdliederen, was de belangrijkste componist van het Bauhaus, was een van de grondleggers van het muziekleven in Israël en een boegbeeld van de avant-garde in het naoorlogse Amerika.

Wolpe studeerde bij Paul Juon en Franz Schreker (Scherchen), en later bij Anton Webern.

Dat Wolpe een temperamentvol man was staat buiten kijf. Op het conservatorium schrijft hij uit frustratie over de conservatieve lessen een dermate provocerend muziekje - waarin hij een straatliedje combineert met een bachiaanse fuga - dat zijn leraar hem met een klap in het gezicht van school stuurt. Met evenveel koppigheid ontvlucht hij op achttienjarige leeftijd het letterlijk hardhandige regime van zijn vader.

De componist Stefan Wolpe was idealist in hart en nieren. In zijn opera Zeus und Elida (1928), meende hij kunst en politiek te kunnen verenigen.

De Nazi's bestempelden zijn muziek als "entartet".

Hij werd compositieleraar aan het conservatorium van Jeruzalem.

Stefan Wolpe is een componist, die de bijzondere belangstelling heeft van Werner Herbers en zijn Ebony Band. Van Wolpe worden twee korte opera's uitgevoerd door de Ebony Band: "Zeus und Elida" en "Schöne Geschichten". Beide werken werden geschreven vlak voordat Wolpe Nazi-Duitsland ontvluchtte in 1933.

In 1938 vestigde hij zich in de V.S., alwaar hij aan verscheidene instellingen te Philadelphia en New York doceerde.

Wolpe componeerde piano- en kamermuziek, symfonische werken, opera's, balletten koormuziek en publiceerde muziektheoretische geschriften. Zijn oeuvre omvat de opera's Schone Geschichten en Zeus und Elida, 2 symfonieën, het oratorium Klondyke (1930- 1931), Passion eines Menschen (1930; voor dansers, zangers, koor en orkest), het ballet The man from Midian (1940), een strijkkwartet (1968), een kwartet voor hobo, viool, piano en slagwerk (1969), een concert voor piano, klarinet en contrabas (1969) en Braken sequences (1970; voor piano).

Stephan Wolpe - Tango
Stefan Wolpe schreef in zijn jonge jaren een aantal werken voor dans- en theatergezelschappen. Deze dansstukken adermen de sfeer van de Neue Sachlichkeit uit. Melodie, harmonie en ritme worden erin gereduceerd tot fragmentarische elementen. Ze worden niet ontwikkeld, maar worden veeleer 'kubistisch' gerangschikt. Ook in deze Tango ondergaan de verschillende muzikale elementen een reductieproces waarbij uiteindelijk alleen een skelet van de Tango overblijft.

Stephan Wolpe - Strijkkwartet
Verbeelding, zintuiglijkheid - "ik wil dat mijn muziek klinkt alsof je een stukje been in de mond neemt" - en het streven om tegenstellingen met elkaar te verzoenen, zijn de voornaamste kenmerken van Wolpes muziek. Zo ook in dit enige strijkkwartet van Stefan Wolpe dat alle macht aan de fantasie, in de eerste plaats die van de luisteraar, overlaat.

De werken van Stefan Wolpe sluiten direct aan bij Schönbergs erfenis. Vooral het Chamber Piece nr 2 vertoont hetzelfde gebruik van karige middelen, een luchtig ironische toon en invloeden van jazz en dansmuziek als Schönbergs werk.

componist Stefan Wolpe is in Europa niet zo erg bekend. Hij was geen veelschrijver en bovendien heeft hij een groot deel van zijn jeugdwerken van vóór 1923 eigenhandig vernietigd.

Stefan Wolpe was het derde kind in een gezin met een Russische vader en een Oostenrijkse moeder. Dankzij z'n moeder belandt Stefan op het Berlijnse conservatorium, waar hij piano- en theorielessen krijgt. Maar Stefan voelt zich allesbehalve thuis in het conservatieve conservatorium klimaat. Met name de theorielessen van Alfred Richter, die zich alleen maar bezig houdt met fuga-oefeningen, beschouwt hij als terreur en Stefan besluit tot protest: hij schrijft een compositie waarin hij een straatliedje combineert met een fuga van Bach. Hij wordt beloond met een klap in zijn gezicht en moet het conservatorium verlaten.
Toch wil Wolpe zijn muzikale talenten verder ontwikkelen en hij gaat naar de Berliner Hochschule für Musik. Maar als blijkt dat ook hier de lessen beperkt blijven tot het schrijven van fuga's, houdt Wolpe het voor gezien.

Tot hij in 1921 Ferruccio Busoni ontmoet, in wie hij een componist vindt, die niet alleen zijn muzikale horizon verbreedt, maar met wie hij ook allerlei vraagstukken van esthetische aard kan bespreken.
In die tijd schrijft Wolpe zijn Vijf liederen opus 1, op teksten van Friedrich Hölderlin.

Wolpe is aan de ene kant geïnteresseerd in artistieke vernieuwingen die uit de traditie voortkomen, maar aan de andere kant voelt hij zich aangetrokken tot de radicaliteit van het experiment.
Zodoende komt hij in aanraking met de Berlijnse dadaïsten en met de Bauhaus-groep rond Walter Gropius in Weimar. Zijn ontmoeting met de schilder Paul Klee betekent veel voor Wolpes artistieke ontwikkeling.
In feite zijn de socialistische idealen van de Bauhaus-groep en het vrolijke nihilisme van de dadaïsten 2 loten aan dezelfde stam: een reactie op de massale wreedheden uit de Eerste Wereldoorlog.
Nog extremer in politieke opvattingen is de November-gruppe. In 1922 wordt Wolpe lid van deze Vereniging van radicale kunstenaars, waarbinnen hij roemruchte collega's als Kurt Weill, Hans Eisler en Vladimir Vogel ontmoet. In zijn muziek neigt Wolpe in die tijd naar een soort vrije a-tonaliteit, zoals in Wozzeck van Alban Berg en zijn eigen kameropera Schöne Geschichten.

Schöne Geschichten is samengesteld uit gedramatiseerde korte verhalen en moppen over onderwerpen als wetenschap, religie, liefde, recht, filosofie en patriottisme. De tekst is van Wolpe zelf.
De muziek voor elk van de 7, elkaar snel opvolgende en bijtend sarcastische komische scènes, is weliswaar geschreven voor een acht-koppige jazzband, maar doet denken aan de a-tonale stijl van Alban Berg, een componist die Wolpe na aan het hart lag.
De vocale partijen bestaan grotendeels uit Sprechstimmen. Schöne Geschichten werd in 1993 door de Ebony Band in première gebracht

In de jaren 20 wordt de Duitse avant-garde zowel door het Oosten als door het Westen beïnvloed.
In het Oosten lonkt de communistische overwinning, het streven naar een rechtvaardige maatschappij, waaraan ook kunstenaars hun steentje bijdragen.
In het Westen schittert de jazz-muziek, het symbool van vrolijkheid, optimisme en zorgeloosheid.

Wolpe wordt meegesleept door deze uit Amerika overgewaaide trend. Hij schrijft een serie kleine jazzstukjes voor piano én de absurdistische kameropera Zeus und Elida.

Zeus und Elida, op teksten van Karl Wickerhauser en Otto Hahn, werd nooit eerder op de planken gebracht. Regisseur Leonard Frank bedacht een semi-scènisch plan voor de wereldpremière in het Transformatorhuis van de Westergasfabriek, de thuisbasis van de Toneelgroep Amsterdam. In Zeus und Elida daalt de Griekse oppergod Zeus neer op de Potzdammer Platz in het Berlijn van de jaren 20. Lopend onder de lichtreclames zoekt Zeus naar zijn vroegere geliefde Europa. Hij meent haar te herkennen: eerst op een reclamebord en later in een passerend hoertje. Als hij onbetaald met haar de liefde wil bedrijven, wordt hij beschuldigd van aanranding.
"Zeus staat eigenlijk voor het oorspronkelijke Duitse ideaal uit de klassieke, beschaafde Weimar-republiek", zegt Werner Herbers, "Maar hij is een aan lager wal geraakte sukkel met een Lederhose onder zijn kleding. Hij snapt niets van wat er om hem heen gebeurt."
Lichtreklameborden op het podium suggereren de drukke Potzdammer Platz. Evenals bouwputten, 20 KM-borden, een brandblusser, en natuurlijk de posters waarop de mooie Elida reklame maakt voor zeep.
Leden van Capella Amsterdam, in prachtige kostuums uit de jaren 20 staan en lopen dwars door het orkest heen. Zeus daalt met een grote roofvogel op zijn schouder in deze drukte neer. Als de officier van justitie uiteindelijk besluit het plein schoon te vegen, vluchten de koorleden het publiek in.
Zeus und Elida (1928) is een echte Zeitoper, een dik aangezette satire op de burgelijke moraal en de civiele autoriteit in het Duitsland waar Hitler net aan de macht begon te komen. De muziek bestaat uit een reeks sterk gestileerde jazznummers, zoals een charleston, een tango en een boston, maar dan genadeloos vervormd naar Stefan Wolpes scherpe, atonale schrijfwijze.
In de wereldpremière van Zeus und Alida, 28 juni 1997 in Amsterdam, zong de bariton Michael Kraus de rol van Zeus, de sopraan Franziska Hirzel was Elida, tenor Hans Aschenbach was de Ansager en de bas Harry van der Kamp de Officier van Justitie.

De beurskrach van 1929 maakt een wreed einde aan het optimisme dat zo met de jazzmuziek is verbonden. En voor Wolpe komt daar nog een andere teleurstelling bij: de jazzmuziek die hij schrijft, blijkt over het algemeen veel te moeilijk voor de musici. Een probleem waar overigens ook de Ebony-band mee te maken had.

In 1930 wordt Wolpe lid van de Duitse Communistische Partij. "Kunst als wapen in de klassenstrijd", luidt het motto, en Wolpe zet zich aan het componeren van strijdliederen, die overigens vaak als onbruikbaar van de hand worden gewezen, omdat ze -alweer- te moeilijk zijn.
De muzikale satire ligt hem beter en voor de theatergroep Truppe schrijft hij stukken waarmee het gezelschap ware furore maakt. Met name Die Mausefalle wordt een onvervalst publiekssucces.

Maar dan komt Hitler aan de macht. Theaters worden gesloten, acteurs worden opgepakt, en als zijn broer door de Nazi's wordt mishandeld, besluit Wolpe te vluchten.
Eerst naar Moskou, maar het aanbod van de autoriteiten om zich definitief in de Sovjet-Unie te vestigen, wijst Wolpe toch maar van de hand. In plaats daarvan gaat hij naar Wenen om les te nemen bij Anton Webern: "Om mijzelf te vernieuwen, te regenereren en om mijn uit de fuga's ontwikkelde muzikale vaardigheden weer op een rijtje te zetten", aldus de componist.

In 1934 emigreert hij naar Palestina, waar hij zijn aanleg voor lesgeven ontdekt. Als pedagoog werkt hij in kiboetsen en op het conservatorium van Jeruzalem. Maar het muzikale klimaat blijkt er uiteindelijk toch te conservatief voor Wolpe.
In 1938 pakt hij opnieuw zijn boeltje om zich definitief in de Verenigde Staten te vestigen. Zijn leven lang blijft hij lesgeven aan een groot aantal universiteiten. Tot zijn leerlingen behoren Morton Feldman, David Tudor, George Russell en zelfs van Charlie Parker is bekend dat hij graag les bij Wolpe had willen nemen. De laatste 10 jaren van zijn leven lijdt Wolpe aan de Ziekte van Parkinson. Maar hij blijft componeren, tot aan zijn dood in 1972 in New York.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 158.