kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 27-03-2008 voor het laatst bewerkt.

Romeinse-opera

De opera, in de eerste jaren van haar bestaan nog als dramma per musica of favola in musica aangeduid, vond na haar eerste verwezenlijking te Florence ook aanhangers en beoefenaars in andere steden. Te Rome onderging zij de invloed van de strenge en contrareformatorische geest die daar heerste, zodat de nog renaissancistische Grieks-mythologische gegevens het veld moesten ruimen voor meer stichtelijke en moraliserende onderwerpen, zoals reeds in 1600 Emilio dei Cavalieri's Rappresentazione di anima e di corpo, Aggazzari's Eumelio (1606) en Stefano Landi's San Alessio (1634). In de Romeinse opera valt reeds de nadruk meer op het puur muzikale: het recitatief, hoofdschotel der Florentijnse opera, treedt op de achtergrond, en de koren, in Florence slechts uit classicistische overwegingen (nl. dat ook de Griekse treurspelen koren kenden) behouden, zijn in Rome talrijk en meer uitgewerkt. De handeling begint zich in tal van kleine muzikale eenheden op te lossen.

Om allerlei redenen werd de opera in de jaren twintig van de zeventiende eeuw een Romeinse aangelegenheid. Hoewel het Vaticaan hierin een neutrale positie innam, waren er in Rome veel rijke prelaten die met elkaar wedijverden in het verzorgen van overvloedig vertier voor hun gasten. De opera was bijzonder gebaat bij de verkiezing van Maffeo Barberini tot paus Urbanus VIII in 1623, omdat zijn neven daardoor in een gunstige positie kwamen. Zij werden enthousiaste sponsors van opera's. Enkele libretto's gingen over heiligenlevens, maar de meeste hadden mythologische onderwerpen of waren gebaseerd op episodes uit de epische gedichten van Tasso, Ariosto en Marino. De meest produktieve librettist van religieuze, serieuze en komische opera's was Giulio Rospigliosi, die in 1657 tot kardinaal werd verheven en tien jaar later tot paus werd gekozen (Clemens IX). Zijn beroemdste libretto was Sant' Alessio (1632), gebaseerd op het leven van de vijfde-eeuwse Sint-Alexis en op muziek gezet door Stefano Landi (ca 1590-ca 1655). Romeinse componisten voerden ook een aantal pastorale opera's op. Vreemd genoeg was het in Rome dat de komische opera begon aan een onafhankelijke ontwikkeling.
In de muziek van de Romeinse opera werd het onderscheid tussen twee duidelijk omschreven soorten solozang, recitatief en aria, groter dan ooit tevoren. Het recitatief leek meer op voordracht dan bij Peri of Monteverdi, terwijl de aria's melodieus en voornamelijk strofisch waren, hoewel sommige een basso ostinato hadden. Daartussenin bevonden zich wat de componist van La catena d'Adone (1626), Domenico Mazzocchi (1592-1665), half-aria's (mezz'arie) noemde: korte, melodieuze intermezzo's temidden van recitatieven. De vele vocale ensemblesmkken in de Romeinse opera's zijn ontleend aan de madrigaaltraditie, hoewel ze daar uiteraard van verschillen door de aanwezigheid van een continuo en door het meer regelmatige ritme dat rond deze tijd algemeen ingang had gevonden.
Ook de prelude van Landi's Sant' Alessio is opmerkelijk, omdat hij bestaat uit een langzame introductie in akkoorden, die gevolgd wordt door een meer energiek canzonadeel. De prelude of sinfonia voor de tweede akte is wederom een orkestrale canzona, maar zonder de langzame introductie. De tweedelige vorm van de eerste prelude (langzaam in akkoorden; snel en contrapuntisch, soms met eeIYafsluitende herinnering aan het langzame deel) werd later het gangbare patroon voor de zeventiende-eeuwse opera-ouverture. In Frankrijk kreeg deze vorm bepaalde speciale karakteristieken, misschien door het voorbeeld van ouvertures bij de vroege balletten. Dit genre raakte bekend als de Franse ouverture, en werd als zodanig een van de belangrijkste instrumentale vormen in de midden en late barok.

De belangrijkste latere Romeinse componist van opera's was Luigi Rossi (1597-1653). Zijn Orfeo (Parijs, 1647), met een libretto van Francesco Buti, is gebaseerd op hetzelfde onderwerp als de eerdere opera's van Peri, Caccini en Monteverdi. Dit werk illustreert de verandering die het opera libretto had doorgemaakt in de loop van de eerste helft van de zeventiende eeuw. De antieke eenvoud van de mythe is bijna geheel bedolven onder een massa irrelevante incidenten en karakters, spectaculaire toneeleffecten en detonerende komische episodes. De introductie van het komische, het groteske, en het louter sensationele in een zogenaamd serieus drama was gedurende het merendeel van de zeventiende eeuw een normale gang van zaken voor Italiaanse librettisten. Het was een teken dat de zuiverheid van het drama niet meer de hoogste prioriteit had, zoals bij de vroege Florentijnen en bij Monteverdi, en dat men de antieke mythes geleidelijk was gaan zien als conventioneel materiaal waarvan men vrijelijk gebruik kon maken als het maar vermaak opleverde en goede gelegenheden voor de componist en de zangers. De teloorgang van het libretto viel samen met de ontwikkeling van een imposante stijl in de theatermuziek. Rossi's Orfeo is, in feite, een goed uitgekiende opeenvolging van zulke prachtige aria's en ensembles dat de luisteraar de dramatische gebreken ervan zal vergeven.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 37.