kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Oratorium

Muziekstuk voor solisten, koor en orkest, aanvankelijk gebaseerd op een bijbels gegeven. Er zijn veel overeenkomsten tussen opera en oratorium, maar een oratorium heeft in het algemeen meer koorwerk en de toneelhandeling is vervangen door een verteller.

De oude polyfone stijl in de kerkmuziek (stilus antiquus, gravis) van de barok handhaafde zich, maar onderging wel de invloed van de zich ontwikkelende harmonische schrijfwijze, wat in het bijzonder door de nu obligaat wordende meespelende en becijferde orgelpartij in de hand werd gewerkt. Waar men het zich veroorloven kon, paste men echter liever de concerterende-stijl met zijn vele koren, orkesten, vocalisten en instrumentalistenensembles toe (stilus luxurians). Ook de eenstemmige begeleide stijl deed sedert Viadana's Cento Concerti ecclesiastici, zij het veelal ingeweven als contrasterend element in de concerterende stijl, zijn intrede. De sterkste invloed van de ontwikkeling der wereldse muziek toont echter het oratorium, een soort geestelijke opera in concertvorm, welke ontstond onder invloed van de opkomst van de opera uit het oude motet (met Latijnse tekst als oratorium latinum) of uit de oude Lauda (met Italiaanse tekst als oratorio volgare), de eerste met groter aandeel van het koor, de tweede overwegend solistisch.

Muziektechnisch is het oratorium precies als de opera samengesteld (met uitzondering van balletmuziek); het libretto behandelt echter doorgaans een meer of minder religieus gegeven, is althans ernstig van aard; hoewel vele oratoria zich voor toneelmatige dramatisering lenen, worden zij tegenwoordig steeds in concertvorm uitgevoerd.

[Lat.], muzikaal-dramatisch genre met een voornamelijk religieus thema. De oorsprong van het muzikale begrip oratorium ligt ongeveer in 1640, en er was toen aanvankelijk een omvangrijke, meestal religieuze tekst bedoeld, die voor niet liturgisch gebruik op muziek werd gezet en vervolgens niet geënsceneerd werd uitgevoerd.
Als onmiddellijke voorloper van het oratorium geldt het basso continuo-begeleide madrigaal, dat in de eerste decennia van de 17e eeuw was ontstaan. Als karakteristiek vertoonde het een vastomlijnde, meestal aan het Oude testament ontleende handeling, die samengesteld werd uit verhalende partijen en de directe rede. Deze wisseling van meerstemmige - en solopartijen werd ook :"dialogo" genoemd. Het proces van uitbreiding en verzelfstandiging van de dialogi volgde ongeveer gelijk aan de ontwikkeling van de opera.

Het begrip oratorium is afgeleid van het Latijnse "oratio", daarmee bedoelde de rooms-katholieke kerk een kapel of gebedskamer. Daar werden zogenaamde "Esercizi spirituali" (d.w.z. "geestelijke oefeningen") gehouden; de meestal in de volkstaal voorgedragen teksten en de muziek waren in tegenstelling tot de mis niet aan vaste teksten en riten gebonden
Als karakteristiek kenmerk van de in de eerste helft van de 17e eeuw beschaafde oratoriumstijl, in het bijzonder in Rome, gold de omvangrijke rol van de verteller (testo = Gr.:tekst), de wisseling van de recitatieve en ariamelodielijn bij de solopartijen, de aan het koor toegewezen functie van toeschouwer, vermaner en verteller, evenals de tweedelige grote formele opzet van de compositie.

Kon het vooral in Bologna en Florence tot volle bloei gekomen oratorium in Venetië zelf verbazingwekkend genoeg zich niet als zelfstandig genre vestigen, toch had de in deze stad maatgevende operastijl van Claudio Monteverdi en Francesco Cavalli in de tweede helft van de 17e eeuw een beslissende invloed op de ontwikkeling van het oratorium. Men onderscheidt ook hier alleen tussen secco- en accompagnato-recitatieven en stelde tegenover het recitatief de aria. De zangpartijen werden nu meer dan voorheen door orkesten begeleid.

Bij de wisseling van de 17e naar de 18e eeuw kristalliseerde bij het Italiaanse oratorium de overgang van het Venetiaanse naar het Napolitaanse stijl zich uit. De recitatieven werden korter, de aria's behielden de da-capo-vorm en werden meestal door strijkers begeleid.
Tot de belangrijkste vertegenwoordigers van deze richting worden in Italië gerekend allereerst Giovanni Battista Pergolesi, N. Jommelli, Nicola Porpora en niet in het minst Georg Friedrich Händel, die tijdens zijn verblijf daar aanvankelijk oratoria in het Italiaans componeerde, alvorens hij ze in Londen componeerde in de Engelse taal, waaronder de Messiah. Tot de tweede groep van de in Napolitaanse stijl componerende toondichters behoorden Niccolò Piccini, B. Galuppi en Antonio Sacchini, die grotere virtuoze elementen in hun composities meenamen. Als laatste vertegenwoordigers van het Italiaanse oratorium, waarvan de geschiedenis na 200 jaar eindigt, gelden wel Domenico Cimarosa, Antonio Salieri en Karl Ditters von Dittersdorf.
Uit het Duitstalige gebied bekeerde Johann Adolf Hasse zich het eerst tot de Napolitaanse oratoriumstijl. Vanaf 1850 voegden zich daar o.a. Ignaz Holzbauer, Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart bij met hun Italiaanse oratoriacomposities.

In Duitsland had zich echter kort na 1700 een onafhankelijk type Duitstalig oratorium ontwikkeld, waarvan de zogenaamde "Deutsche Passion" zowel als de "Historia" tot voorlopers gerekend kunnen worden. Zowel wat betreft de vormgeving als de stofkeuze (Oude testament, heiligenlegenden, allegorische thema's, passieverhalen) gold het Italiaanse oratorium als voorbeeld. Het karakteristieke onderscheid was aanvankelijk, dat de bijbeltekst in gebonden stijl opnieuw begrijpelijk werd gemaakt. In de loop van de 18e eeuw verstond men onder oratorium ook het versmelten van letterlijke bijbelteksten met koralen en vrije dichtwerken, men denke hierbij vooral aan J.S. Bachs Weihnachtsoratorium.

De tweede helft van de 18e eeuw bracht een wezenlijke verandering voor het genre oratorium met zich mee. Het werd in toenemende mate uit de kerk verbannen en vond een nieuw onderdak in de concertzaal. Al in 1739 had Johann Mattheson in zijn definitie: "Een oratorium is niets anders als een vocaal gedicht, dat een zekere handeling of deugdzame gebeurtenis op dramatische wijze uitbeeldt" de religieuze componenten volledig achter zich gelaten. Feitelijk stonden nu geen bijbelse gebeurtenissen meer op de voorgrond, maar ging het in eerste instantie om de uitbeelding van menselijke gevoelens. De overgang van het bijbels-historische naar het gevoels-oratorium werd vooral duidelijk bij J.A. Scheibe en C.Ph.E. Bach. Als hoogtepunt van het genre moeten tegen het eind van de 18e eeuw J. Haydns oratoria Die Schöpfung en Die Jahreszeiten worden gezien.

In de 19e eeuw raakte het Duitse oratorium in toenemende mate in een dilemma. Enerzijds was er de concurrentie met de grote, artistiek hoogwaardige symfonische werken en moest het de verandering in smaak naar het romantische en fantastische onderwerp volgen, anderzijds moest het ook in de stroom van het historisme aan de eisen van eenvoud en stichtelijkheid voldoen.

Felix Mendelssohn Bartholdy vond in zijn oratoria Paulus en "Elias" een ideaal compromis, omdat hij daarin bijv. door de inzet van dramatisch-polyfoonse koren en groepskoralen evenals door de recitatieve toonzetting van de bijbelse tekst-partij bewust aanknoopte bij de oratoriumtraditie van een J.S. Bach, zonder daarbij echter afstand te doen van de harmonische en muzikale taal van zijn tijd. Naast de bijbelse thematiek verheugden zich intussen ook historische en nationale onderwerpen zich in een grote populariteit. Zo kunnen hier worden genoemd titels als "Gutenberg" van Carl Loewe of Odysseus en "Gustav Adolf" van M. Bruch. De grote dramaticus in de muziek Richard Wagner zag het echter al in 1834 al als een "openbare miskenning van de tegenwoordige tijd", dat "men nu oratoria schrijft, aan gehalte en vorm waarvan niemand meer gelooft". De Bayreuther achtte de vereniging van mythische boodschap, muzikaal drama en toneelgebeurtenis binnen eigen daarvoor ingerichte cultuurplaatsen als enig mogelijke oplossing voor het voortbestaan van het oratorium, dat hij geringschattend als een "geslachtsloos opera-embryo" aanduidde.
Sinds het begin van de 20e eeuw vervaagden de contouren van het oratorium zienderogen. De muzikale omzetting van filosofische of esthetisch belangrijke literatuur werd even gewoon als de compositie van een bijbeltekst of een op actuele sociale of politieke problemen gebaseerd onderwerp. Zo stelde Benjamin Britten met zijn War requiem de verschrikkingen van de oorlog aan de kaak; Krzysztof Penderecki herdacht in zijn Dies irae; oratorium ter nagedachtenis aan de vermoorden in Auschwitz de nazi-slachtoffers.

Dramatische, epische (=verhalende) en lyrische stijlen werden naar believen vemengd, orkest zowel als koor in het middelpunt geplaatst of alleen maar zijdelings behandeld. Zelfs de vele honderden jaren lang geldende karakteristiek van de pure concertuitvoering verloor zijn uitsluitendheid; denk bijv. aan het door Arthur Honegger zelfs met "scenisch oratorium" ondertitelde werk Jeanne d'Arc au bûcher (dwz. Jeanne d'Arc op de brandstapel).
Daarmee is het oratorium heden ten dage tot een verzamelnaam geworden, die bijna alle grote werken, voor solisten, koor en orkest omvat.

groot, geestelijk (minder vaak wereldlijk) zangwerk voor solisten, koor en orkest. Ontstaan in Italië na 1550 uit de door F.Neri gehouden bijeenkomsten met muziek (oratoria). Onderscheidt zich van passie 'passio', kerkcantate, motetten, enz. doordat het niet liturgisch is, van de opera doordat het niet bestemd is voor scenische vertoning, van de cantate doordat meer epiek en sterkere dramatiek kenmerkend zijn. De bestanddelen van een oratorium zijn deels lyrisch (aria's en duetten), deels episch (recitatieven) en dramatisch (veeleer koorpartijen). De schepper van het zelfstandige, moderne oratorium is Handel, wiens werken een hoogtepunt vormen in dit genre. (onder meer The Messiah).


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 14.