kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Opera-Comique

Opéra Comique

Ook opéra bouffon [Fr.], de Franse komische opera van de 18de eeuw. De opéra comique bestaat uit gesproken dialogen en zangstukken met een meestal vrolijke, maar ook ontroerend-lyrische en heel soms tragische inhoud.

De Franse versie van de lichte opera stond bekend als opéra comique. De opéracomique vindt zijn oorsprong in de kluchten, blijspelletjes enz. van auteurs als Dancourt, Favart, Prion e.a., waarvoor componisten als Lacoste, Rameau, Mouret, Gilliers, Lacroix e.a. liedjes e.d. schreven. Hij begon rond 1710 als een simpel volksvermaak dat werd opgevoerd op dorpsmarkten en was tot het midden van de eeuw voor zijn muziek vrijwel geheel aangewezen op populaire liedjes (vaudevilles), of simpele melodieën in navolging van zulke liedjes. Tegen het midden van de eeuw kregen deze stukken meer allure, ze werden minder satirisch en meer sentimenteel en larmoyant in de zin van de stukken van Nivelle de la Chaussée en de 'drames bourgeois' van Diderot. J.J. Rousseau gaf aan het genre vaste vorm met Le devin du village 1752, een idyllisch werkje, waarbij de muziek, hoe simpel ook, reeds een belangrijke rol speelde. Het succes was enorm.

encyclopédistes (verlichting)
Er was verzet tegen de Franse traditionele operavormen en dit nam toe nadat Rameau in 1739 met het ballet Les fêtes d'Hébé en de tragédie lyrique Dardanus het hoogtepunt van zijn roem had bereikt. Deze oppositie leidde tot een heftige en langdurige polemiek, waaraan behalve Rameau ook vooraanstaande auteurs zoals Rousseau, d'Alembert, Grimm e.a. deelnamen. De zgn. encyclopédistes (o.a. Rousseau. Diderot, d'Alembert) eisten grotere natuurlijkheid in de declamatie, minder opschik, meer eenvoud in onderwerp en regie, meer pantomime en minder 'ballet'. De Italiaanse opera buffa van Pergolesi was hun ideaal. Het was dan ook met moeite dat de traditionele ernstige opera zich na Rameau handhaafde, o.a. bij F. Francreur en F. Rebel, Mondonville (Titon et L'Aurore, 1753), La Borde (Thétis et Pelée, 1765), en Gossec (o.a. Sabinus 1773).

1752 - Le devin du village - Rousseau
Rousseau, die eerder had verklaard dat 'de Fransen geen muziek konden hebben', componeerde in 1752 een charmante kleine opera, Le Devin du village (De waarzegger van het dorp), met recitatieven en door de nieuwe Italiaanse melodiestijl geïnspireerde aria's, zoals J'ai perdu tout mon bonheur, gezongen door de heldin Colette.
De frasering van deze aria is bondig (in groepjes van twee maten) en de harmonisering en de begeleiding zijn simpel. De voortdurende herhaling van een aardige vondst wordt alleen afgewisseld door een dominantsectie, die de melodie een iets andere wending geeft. De hoofdmelodie keert nog één keer terug, als in een rondeau, na een récit, een tussenspel dat in zijn declamatorische zangstijl sterk door het Italiaanse recitatief is beïnvloed maar ook Franse agréments bevat.

querelle des bouffons
Het bezoek van de Italiaanse Buffonisten aan Parijs in 1752 stimuleerde de produktie van opéras comiques waarin nieuwe melodieën (de-zogenaamde ariettes) in een gemengde Italiaans-Franse stijl werden geïntroduceerd naast de oude vaudevilles. De Italiaanse Buffonisten oogstten grote bijval met opvoeringen van Pergolesi's Serva padrona en andere opere buffe. Rousseau c.s. zagen in deze Italiaanse komische opera's hun ideaal verwezenlijkt. Reeds sinds het begin van de 18de eeuw bestond er in Frankrijk een polemiek tussen voor- en tegenstanders van de Italiaanse muziek (Lully's biograaf Lecerf de la Viéville contra de abbé Raguenet. ca 1704). Deze strijd laaide nu hoog op. De medestanders van Rousseau (die in 1753 bovendien een Lettre sur la musique française publiceerde, waarin hij een felle aanval op Lully en Rameau deed) noemden zich bouffonnistes. de polemiek noemt men sindsdien de 'querelle des bouffons'.

Uit de buffonistenstrijd ontwikkelde zich de eigen Franse vorm van de komische opera. In de Franse opéra comique werd, net als in alle nationale vormen van lichte opera behalve de Italiaanse, gebruik gemaakt van gesproken dialoog in plaats van recitatieven.

Geleidelijk verdrongen de ariettes de vaudevilles, tot men tegen het eind van de jaren zestig deze laatste helemaal liet vallen en alle muziek nieuw werd gecomponeerd. Een van de componisten in dit overgangsdecennium was Gluck, die een aantal opéras comiques bewerkte en componeerde voor opvoeringen aan het Weense hof.

In overeenstemming met de algemene Europese trend in de tweede helft van de eeuw kreeg de opéra comique een romantische ondertoon en in sommige libretto's werden de brandende sociale kwesties die Frankrijk tijdens de jaren voor de Revolutie bezighielden vrijmoedig behandeld.

De produktie van opéras-comiques, met gesproken dialoog en gezongen ariettes, romances, ensembles en evt. enkele instrumentale fragmenten, nam spoedig vaste vormen aan en kreeg een grote omvang: na de werkjes van kleinere figuren zoals Dauvergne (Les troqueurs, 1753) en Duni (o.a. Ninette à la cour. 1752; L'îsle des fous; Le peintre amoureux de son modèle; Le milicien) verschenen al spoedig de vaak charmante werken van François André Danican Philidor (1726-1795; ook beroemd als schaakmeester), Pierre-Alexandre Monsigny (1729-1817) en de in België geboren André Ernest Modeste Grétry (1741-1813), naast die van secundaire meesters.

Van Philidor noemen wij: Blaise le savetier (1759), Le quiproquo (1760), Le soldat magicien (1760), Le jardinier et son seigneur (1761), Le maréchal ferrant (1761), Le Bûcheron et les trois souhaits (1763), Le sorcier (1764), Tom Jones (1765). Philidor schreef drie grote (ernstige) opera's, die echter weinig succes hadden.

Philidor, Monsigny en Grétry
Was Philidor, leerling van Campra, een gedegen musicus, Monsigny bezat daarentegen nauwelijks vakkennis; niettemin had hij, dank zij grote melodische gaven, veel succes, o.a. met Les aveux indiscrets (1759), Le cadi dupé (1760), Le roi et le fermier (1762), Rose et Colas (1763), Aline (1766). Le déserteur (1769), La belle Arsène (1773), Félix ou l'enfant trouvé (1777).

Van het komische geraakte de opéra-comique steeds meer in het domein van de sentimentaliteit en soms van het dramatische, met name in libretto's van Sedaine en Favart.
Aan de behoefte van het publiek aan roerende, actuele en onderhoudende stukken wist vooral Grétry te voldoen. Geboortig uit Luik werd hij, na een studietijd in Italië, te Parijs al spoedig beroemd met een schier eindeloze reeks opéras-comiques waarvan we slechts noemen: Le huron (1768), Lucille (1769), Les deux avares (1770), L'ami de la maison (1771), Zémire et Azor (1772), Céphale et Procris (1774), Le jugement de Midas (1778), Les événements imprévus (1780), Andromaque (grand-opéra, 1780), Le caravane du Caire (1783), L'épreuve villageoise (1784), Richard Cmur de Lion (1785), Rouil Barbe-bleue (1789). Pierre le Grand (1790), Guillaume Tell (1791), Anacréon chez Polycrate (1797).

1784 Richard Coeur-de-Lion - Grétry
De opera Richard Coeur-de-Lion (1784) van Grétry was een voorloper van vele reddingsopera's rond de eeuwwisseling (zoals ook Beethovens Fidelio er een was) waarin de held, nadat hij twee en een halve akte in doodsgevaar had verkeerd, uiteindelijk werd gered door de heldenmoed van een toegenegen vriend. De muziek van Grétry in zijn vijftig of meer opera's gaat nooit diep, maar is melodieus, zingbaar en zeer effectief en heeft soms ontroerende dramatische momenten.

Meer en meer begon de opéra-comique zijn idyllisch (Le devin du village) en komisch karakter te verliezen. De Revolutie bracht de componisten ertoe fel bewogen onderwerpen te kiezen (de zgn. reddingsopera bijv.). De muziek werd pathetischer, gevarieerder, rijker van vorm, zij kreeg meer ensembles; het recitatief werd bewogener en voerde o.a. het melodrama in (in de mode gebracht door de scène lyrique Pygmalion van Rousseau-Coignet, 1770). We vermelden uit de Revolutietijd de namen Dalayrac (o.a. Léon ou le château de Monténéro, 1798), Méhul (o.a. Ariodant, Mélidore), Lesueur (o.a. La caverne, Paul et Virginie), P. Gaveaux enz.

Als burgerlijke operavorm stond de opéra comique lijnrecht tegenover de hoofse tragédie lyrique. Vanaf 1790 kreeg de opéra comique meer en meer een algemene betekenis als opera met dialogen; dit in tegenstelling tot de tragédie lyrique die altijd geheel uit muzikale gedeelten bestaat.

De Opera Comique, met zijn afwisseling van gesproken dialoog en muzikale nummers, was enorm populair in Frankrijk. Hij bloeide tijdens de revolutie en de Napoleontische tijd en werd later in de negentiende eeuw muzikaal gezien nog belangrijker.
Vooral Boieldieu en Adam brachten de Opéra Comique in de 19de eeuw tot bloei.
De laatste belangrijke opéra comique was Carmen van Bizet.

De Opéra Comique werd het voorbeeld voor het Duitse zangspel.

Franse Revolutie
Betreffende de geschiedenis der muziek - zo goed als de geschiedenis in het algemeen - kan worden gezegd dat het jaar 1789, het uitbreken der Revolutie, in Frankrijk de mijlpaal was die het begin der 19de eeuw anticiperend markeerde. Ook voor de muziek brak er toen een nieuw tijdperk aan: haar werd een 'sociale functie' toegekend als 'principal ornement de nos fêtes', en tussen de jaren 1790 en 1802 werden, in opdracht van het nieuwe bewind, (in Frankrijk) niet minder dan 2337 nationale hymnen, koren en cantates, al of niet met begeleiding van symfonische of militaire orkesten, gecomponeerd.
Deze gelegenheidswerken, ter glorificatie der Franse Revolutie, waren over het algemeen op traditionele leest geschoeid, terwijl de doorgaans hoogdravende teksten, doorkruid, naar het voorbeeld van Gluck, met mythologische toespelingen op de Griekse of Romeinse oudheid, niet zelden hun neerslag vonden in de muziek waarvan de melodie van een zeker 'pompiérisme' en het ritme van monotonie dan ook niet altijd waren vrij te pleiten.

De nationale hymnen en cantates van de Franse Revolutie wisten zich als autonome kunstvorm niet te handhaven. Doch verschillende hunner karakteristieke elementen en verworvenheden, zoals de heroïeke toon en muzikale praal der massakoren, werden in latere tijden geexploiteerd Op andere gebieden, en in het bijzonder in de grand opéra - door Meyerbeer, Rossini, Offenbach, Adam, David, Hervé, Thomas en Reyer -, alsmede in de opéra-comique, die overigens door Lesueur en Cherubini al in een iets woeliger dramatisch vaarwater was gebracht.

Het is de grote verdienste van C.F. Gounod geweest, dat hij de opéra-comique nadien weer zuiverde van elementen die vreemd waren aan het wezen ervan, en van zekere buitenlandse invloeden (Meyerbeer en Rossini), om aldus in deze typisch Franse kunstvorm de nationale waarden van evenwicht, klaarheid en discrete gevoelsexpressie opnieuw in ere te herstellen. Een werk als Baucis of Mireille is voor dit herstel stellig meer karakteristiek dan de wereldberoemde Faust, die tot op de dag van heden het kasstuk bij uitnemendheid van de Parijse Opéra is gebleven; doch als schepper van de 'opéra de demi-caractère' heeft Gounod ontegenzeglijk de weg gebaand voor componisten als Georges Bizet, Massenet, Chabrier, Messager, een weg die tot in de 20ste eeuw vervolgd werd door Reynaldo Hahn, Louis Beyds, Henri Sauguet, Georges Auric en zelfs Jacques Ibert, Jean Françaix, Arthur Honegger en Darius Milhaud, voor zover deze laatste figuren zich in het randgebied tussen operette en opera buffa bewogen hebben.

Indien men onder bovengenoemde operacomponisten de figuur zou willen aanwijzen, die de eerste stoot gaf tot de vernieuwing waardoor de 20ste eeuw reeds werd aangekondigd, dan moet de keuze zeker vallen op Emanuel Chabrier. Componist van orkestwerken, liederen, pianostukken en opera's, stond hij eensdeels - speciaal in Gwendoline - ongetwijfeld nog onder de duidelijke invloed van Richard Wagner, die het Franse geestesleven in zijn tijd domineerde. Anderzijds echter heeft Chabrier zowel in zijn piano-oeuvre en liederen als in opera's (L'étoile en Le roi malgré lui) een geluid doen horen, dat door zijn frisheid en originaliteit een Ravel, een Poulenc, een Milhaud, een Sauguet en zelfs een Strawinsky in verschillende opzichten tot voorbeeld kon strekken.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 187.