kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Norbert Rosseau

Norbert Rosseau geboren Gent 11 december 1907, gestorven 1975
Belgisch componist

Norbert Rosseau woonde van 1915-32 in Italië en studeerde piano, orgel en contrapunt aan de Academia di Santa Cecilia te Rome.

Invaliditeit aan zijn rechterhand noodzaakte Rosseau om na de W.O. II zijn instrumentale (viool) carrière op te geven.

Werk:
Rosseau zegt zelf dat er wat stijl betreft geen periodisering mogelijk is in zijn werk. Hij was soms tegelijkertijd aan meerdere werken bezig in een totaal verschillende stijl.

Zijn eerste belangrijke composities, namelijk de Suite agreste (1937) en H2O (1939) liggen in het verlengde van zijn studies in Italië en bevatten zowel impressionistische als expressionistische stijlkenmerken.

Na 1940 heeft Rosseau meer belangstelling voor het oratorium, o.a. Inferno (tijdens de oorlogsjaren geschreven op tekst van Dante) en L’An Mille (midden ’40). Op dat moment was er van experiment bij Rosseau nog geen sprake.

In 1952 componeert hij het oratorium Maria van den Kerselaar ter gelegenheid van de 500e verjaardag van de bedevaart naar O.L.Vrouw van Kerselare bij Oudenaarde. Onder invloed van zijn contacten met de "Schola Cantorum" van de St.-Baafskathedraal te Gent schrijft hij in de volgende twintig jaar nog verschillende grote koorwerken zoals onder meer het Evangelie volgens Johannes (1965), Het lied van de vriend en zijn wijngaard (1967), Stenen en brood (1972) en het Passieverhaal volgens Mattheus (1970-73). Dit laatstgenoemde werk wordt traditioneel elk jaar op Goede Vrijdag in de St.-Baafskathedraal van Gent uitgevoerd.

In 1947 kunnen we echter spreken van een keerpunt: in op.38 houdt Rosseau totaal geen rekening meer met de algemeen geldende regels, wat voor hemzelf een ware "bevrijding" betekent. Rosseau’s analyse van op.38 leidde tot een studie van de dodecafonie die hij in een groot aantal composities zal toepassen, zoals o.a. in de Sonatine, op.41 voor altviool en piano (1949), het Postludio, op.81 voor orgel (1962) en het Pianokwartet opus posthumus (1975). In zijn benadering van de twaalftoonstechniek probeert hij het idee van het thematische denken en een consonante harmonie te behouden.
Hij stelde een twaalftonenreeks samen die het mogelijk maakte om vier consonante akkoorden te vormen: twee kleine en twee grote tertsakkoorden. Met dit materiaal bouwde hij een harmonisch systeem op dat aan de basis lag van verschillende composities zoals zijn Eerste Symfonie (1953), een Mis voor acht stemmen en contrabas (1953), de Variations pour orchestre (1962), 24 vocalises dodécaphoniques (1955), Trois jouets (1955) en het oratorium Maria van den Kerselaar (1951).

Tot 1960 maakt Rosseau overwegend gebruik van dodekafonie. Daarna stapt hij geleidelijk over naar de electronische en de concrete muziek. Reeds voor de oorlog experimenteerde Rosseau op dit terrein. Samen met een bevriend technicus ontwierp hij toestellen met het oog op elektronische realisaties. Door geldgebrek en een tekort aan aangepast technisch materieel zijn deze experimenten echter uitgesteld.
In 1957 bezocht Rosseau het "Centre des recherches radiophoniques" te Parijs om de nieuwste ontwikkelingen op het vlak van elektronische en concrete muziek te leren kennen. De oprichting van het I.P.E.M. (het Instituut voor Psycho-acustica en Elektronische Muziek) in 1962, die gegroeid is uit een samenwerking van de Gentse universiteit en de toenmalige BRT, was van grote betekenis voor iedereen die belangstelling had voor elektronische muziek. Er vonden voordrachten en concerten plaats en er werd functionele muziek geproduceerd voor televisie en film. Zo schreef Rosseau ook elektronische muziek als begeleiding bij gedichten van Bertien Buyl (De Twee, Weerty en Klokhuisruimte, 1964) en Adriaan Magerman (Ode aan Gent — Impromptu, 1969).
In 1967 componeerde Rosseau de Elektronische Mis voor O.L.H.-Hemelvaart, die geheel elektro-akoestisch is opgebouwd. Het materiaal voor deze mis (die een Introitus, Kyrie, Gloria enz. bevat) bestaat uit vervormde bandopnamen van knapenstemmen, klanken van kristallen glas en neertikkende waterdruppels.

Verder was Norbert Rosseau ook lid van "Spectra", een beweging die ontstaan is vanuit het I.P.E.M en waarin Louis De Meester een prominente rol heeft gespeeld. Hier wordt vooral de nadruk gelegd op de experimentele muziek en de samenwerking tussen cultuur en wetenschap, de dialoog tussen componisten en ingenieurs.

Rond 1963 schreef Rosseau enkele monofone werken, eenstemmige composities voor groot orkest zonder één enkel akkoord of meerstemmigheid. De spanning moet hier vanuit de melodie komen. Rosseau baseerde zich hierbij op de muziekgeschiedenis; de zuivere monodie of monofonie (zoals in het gregoriaans, het volkslied en sommige trouvèreliederen) was hierbij zijn uitgangspunt. In de Sinfonia liturgica (zijn tweede symfonie) uit 1961 is de enige samenklank een octaaf. De melodie, gezongen door vier solisten en een vierstemmig gemengd koor) bevat echter een uitermate grote ambitus (tot vier octaven) en wordt zeer gevarieerd gekleurd door het orkest. Het werk is oorspronkelijk zonder maatstrepen geschreven (cf. het gregoriaans), de maatstrepen werden pas later toegevoegd om het samenspel te vereenvoudigen en hebben dus geen enkele ritmische betekenis. Dezelfde techniek wordt ook toegepast in zijn Evangelie volgens Johannes (1965), een passieverhaal voor solisten en vierstemmig koor a-capella.

Bron: www.muziekcentrum.be


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 118.