kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Nederlands-Kamerkoor

Het Nederlands Kamerkoor, opgericht door Felix de Nobel in 1937, is een fulltime en zelfstandig vocaal ensemble dat zich richt op het a cappella repertoire van de vroege Middeleeuwen tot heden.

Naast het Groot Omroepkoor, dat deel uitmaakt van het Muziekcentrum van de Omroep, is het Nederlands Kamerkoor het enige volledig zelfstandige professionele koor in Nederland. Koren als die van De Nederlandse Opera, van het Orkest van de Achttiende Eeuw en de Nederlandse Bachvereniging zijn weliswaar professioneel, maar teveel aan hun overkoepelende organisatie verbonden om zelfstandig te opereren.

Geschiedenis
Het moment van ontstaan van het Nederlands Kamerkoor valt niet meer exact aan te wijzen. In 1937 werd de jonge musicus Felix de Nobel door VARA-Radio uitgenodigd om een koor te formeren voor een serie radiouitvoeringen van Bach-cantates. Dit koor, dat eerst de naam Pro Musica droeg, gaf begin 1939 een eerste openbare uitvoering te Haarlem, nu onder de naam Nederlandsch Kamerkoor.

De pioniers
De koorsamenstelling in het begin was curieus. Felix de Nobel, die koordirectie had gestudeerd bij Sem Dresden, wist het puik van zoete kelen om zich heen te verzamelen. Vele zangers die toen deel hebben uitgemaakt van het koor, zouden later grote naam als solist krijgen: Theo Baylé, Corry Bijster, Greet Koeman, Roos Boelsma, Annie Hermes, Guus Hoekman. De Nobel moest echter tot de conclusie komen dat onmogelijk een homogene eenheid kon worden gesmeed van opera- en oratoriumzangers, die “brulden om het hardst” (zoals Annie Hermes het uitdrukte) en die zijn koor op een duiventil deden lijken: zodra zij een lucratievere wijze vonden om hun zangkunst te beoefenen, vlogen zij uit.

Nadat Felix de Nobel zijn koor door de Tweede Wereldoorlog had weten te loodsen, begon hij in 1946 met een nieuwe formatie waarmee hij zijn kooridealen beter zou kunnen verwezenlijken. Na één seizoen in dienst bij Radio Nederland In den Overgangstijd moest het koor vervolgens voor lange tijd geheel op eigen benen staan. Door een strak repetitieregime bouwden dirigent en koor in korte tijd een repertoire van vijf eeuwen a cappella muziek op, dat zij op het hoogste niveau tot klinken wisten te brengen.

Uitnodigingen voor buitenlandse tournees volgden spoedig: Engeland (1948), Perugia (1949) en het prestigieuze festival van Edinburgh (1951). Deze buitenlandse optredens waren zeer succesvol en plaatsten het koor aan de wereldtop van de koorzang. De vaderlandse kranten maakten met jubelende verslagen melding van deze successen en Nederland ging beseffen welk een uniek ensemble het binnen zijn grenzen had. Het Nederlands Kamerkoor werd een veelgehoorde gast tijdens de Holland Festivals en de belangrijke koormanifestaties op vaderlandse bodem..

Contacten met componisten
Talrijke componisten, in binnen- en buitenland, raakten geïnspireerd om werken voor het koor te schrijven, de bekendste waarvan waren Francis Poulenc (foto), Frank Martin, Rudolf Escher, Hendrik Andriessen, Henk Badings. Hartelijke contacten werden opgebouwd met onder anderen Kodàly en Dallapiccola.

De weg naar adequate honorering
De artistieke successen stonden evenwel in schril contrast met de omstandigheden waaronder de koorleden moesten werken. De zangers konden niet verzekerd zijn van een vaste betrekking bij het koor. Felix de Nobel was alleenheerser over zijn groep. De financiële situatie van de zangers was precair. Het koor moest zich geheel zelfstandig bedruipen en men was blij met elke uitnodiging, ook als de vergoeding minimaal was. Zonder bijbaantjes was het niet mogelijk in het eigen levensonderhoud te voorzien.. Het voortbestaan van het koor hing voortdurend aan een zijden draad.
In 1951 werd bekend dat het koor een bescheiden regeringsbijdrage zou ontvangen, en in 1953 werd aan het Nederlands Kamerkoor voor het eerst een subsidie toegekend. In de jaren die volgden ging deze bijdrage gestaag omhoog, zodat het inkomen van de koorleden substantieel kon worden aangevuld.

De laatste jaren van De Nobel
In de personele samenstelling van het Nederlands Kamerkoor kwam nu continuïteit, hetgeen de artistieke prestaties ten goede kwam. De jaren tussen 1955 en 1965 kunnen worden beschouwd als een bloeiperiode in het bestaan van het koor. Als belangrijke evenementen in die periode kunnen worden genoemd de veelvuldige samenwerking met Carlo Maria Giulini in de operaproducties van het Holland Festival en de herhaalde tournees naar Noord-Amerika.
Vanaf 1965 kwam er ook verbetering in de sociale zekerheid van de zangers, met een structurele subsidiering door de overheid.

De eerste jaren na De Nobel
In deze ontwikkeling, hoe noodzakelijk ook vanuit sociaal opzicht, lag echter de kiem van een groot artistiek gevaar. De personele samenstelling van het Nederlands Kamerkoor wijzigde zich bijna niet meer, waardoor dirigent en zangers en dientengevolge ook hun publiek collectief verouderden. Toen Felix de Nobel in 1972 om leeftijds- en gezondheidsredenen het stokje moest overgeven, bleef het koor in ontredderde toestand achter. Een aantal oudere zangers zou eveneens moeten afvloeien, maar er bestond nog geen ervaring met de procedures. En wie moest de Nobel opvolgen – een dirigent met een onomstreden autoriteit, een kwaliteit die in de jaren zeventig niet meer zo op prijs gesteld werd, en zelfs wat verdacht geworden was? Bovendien bleek het koor, dat voorheen zo een grote reputatie in de oude muziek had verworven, niet meer in staat om mee te gaan met de authentieke uitvoeringspraktijk die destijds, juist in Nederland, zich zo sterk aan het ontwikkelen was.
Tijdens de jaren zeventig zou de rust in het Kamerkoor niet meer weerkeren. De dirigenten aan wie de artistieke leiding werd toevertrouwd, sneuvelden al na korte tijd in de verwarring waarmee de processen van personele verjonging en artistieke heroriëntatie gepaard gingen.

Het koor dat tot kort na de Tweede Wereldoorlog onder verantwoordelijkheid van de VARA opereerde, groeide onder De Nobel uit tot een zelfstandig kamerkoor en behoort inmiddels tot de absolute wereldtop. En hoewel het koor een moeilijke tijd doormaakte nadat De Nobel in 1972 het gezelschap verliet, wisten achtereenvolgende chef-dirigenten als Uwe Gronostay, Tonu Kaljuste en Stephen Layton het hoge niveau te bewaken en uit te bouwen.

De jaren tachtig
In het begin van de jaren tachtig was de verjonging van het koor voltooid. Men besloot niet meer op zoek te gaan naar één vaste dirigent die het koor in alle concerten zou kunnen leiden. Er werd weer aansluiting gezocht met de nieuwe uitvoeringspraktijk van oude muziek door op projectbasis dirigenten aan te trekken die een grote naam hadden op dat terrein of die later zouden krijgen: Gustav Leonhardt, Nicolaus Harnoncourt, Ton Koopman, Jos van Immerseel, Paul Van Nevel, Christopher Hogwood, Roger Norrington, Andrew Parrott, Peter Phillips en William Christie. Tevens maakte men kennis met erkende specialisten op andere terreinen (Reinbert de Leeuw, Uwe Gronostay) en befaamde algemener georiënteerde koordirigenten (Eric Ericson, John Alldis). Medio jaren tachtig werd het duidelijk dat het Nederlands Kamerkoor de weg naar de wereldtop had teruggevonden.

In 1987 werd Uwe Gronostay tot chef-dirigent en artistiek leider benoemd. Hij kreeg als taak de eenheid en continuïteit in de klankvorming te bevorderen, een taak die hij al vrij snel heel goed wist te vervullen, voornamelijk door intensief met het koor te werken aan zijn lievelingsmuziek: de laat-romantische koormuziek.
In 1997 nam Uwe Gronostay afscheid als chefdirigent en artistiek leider. De Deen Ivar Munk volgde hem op als de eerste níet-dirigerend artistiek leider in de geschiedenis van het Nederlands Kamerkoor.

De Estlandse dirigent Tõnu Kaljuste volgde Gronostay in 1998 op als chef-dirigent. Beide benoemingen brachten een verschuiving in de programmering met zich mee – meer nadruk op eigentijdse muziek, met name uit Oost- en Noord-Europa , en prachtige programma’s met muziek van Pärt, Tüur, Tormis en - een ware ontdekking - Taneyev.
De komst van Stephen Layton als chef-dirigent in 2002 gaf de programmering weer een sterke Britse tint, met muziek van o.a. Parry, Howells, Tavener en MacMillan, met componisten als Milhaud en Martinu als nodige, en gedenkwaardige, tegenstelling.

Zo groeide het Nederlands Kamerkoor naar de unieke positie die het thans inneemt: een professioneel vocaal ensemble, niet verbonden aan radio of opera, dat zingt onder leiding van de beroemdste dirigenten en specialisten, momenteel ook weer – zoals in de jaren 80 – zonder vaste dirigent.

Het Nederlands Kamerkoor nu
Hoogtepunten uit de afgelopen jaren geven aan hoe veelzijdig het koor is: Haydns ‘Die Jahreszeiten’ met Sir Simon Rattle in het Concertgebouw, een zeven uur durende uitvoering van ‘The Veil of the Temple’ van Sir John Tavener, en een avondvullend, semi-scenisch programma met liederen van Burt Bacharach, bewerkt voor a cappella koor en instrumentaal combo.
Het koor is ook een graag geziene gast in het buitenland, en maakte (meermaals) tournees in de V.S., Japan en Israel, en in grote delen van Europa.

Naast een regelmatige samenwerking met bekende ensembles als het Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen en het Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw, verzorgt het Nederlands Kamerkoor al jaren eigen abonnementsseries met programma’s van vooral a cappella muziek. Bijzonder geliefd bij het publiek zijn de series o.l.v. ere-gastdirigent Paul Van Nevel, die de afgelopen 20 jaar het koor heeft geholpen om zijn reputatie als vertolker van de oude muziek terug te winnen.

In de afgelopen seizoenen heeft het Nederlands Kamerkoor aan verschillende componisten opdrachten verleend. Wereldpremières van werken van Sir John Tavener, James MacMillan, Edith Canat de Chizy, Gija Kancheli, Hans Kox, Sir Harrison Birtwistle, Gerard Beljon, Karin Rehnqvist, Mauricio Kagel en Jan Vriend werden door de pers met enthousiasme ontvangen. Ook verzorgde het Nederlands Kamerkoor een succesvol avondvullend programma met door Bob Zimmerman voor het Nederlands Kamerkoor en ensemble gearrangeerde songs van Burt Bacharach. Voor de komende seizoenen staan er compositie opdrachten genoteerd aan onder meer Peter-Jan Wagemans, Karin Rehnqvist, Elmer Schönberger en Sir Harrison Birtwistle.

Het Nederlands Kamerkoor werkt samen met dirigenten die gespecialiseerd zijn in verschillende muziekperioden. In 2005 werd Peter Dijkstra vaste gastdirigent en de Vlaamse oude-muziekspecialist Paul Van Nevel ere-gastdirigent van het koor. Dirigent Klaas Stok is in hetzelfde jaar benoemd tot koorleider. Verder werkt het Nederlands Kamerkoor regelmatig samen met de dirigenten Marcus Creed, Ed Spanjaard, Reinbert de Leeuw en Roland Hayrabedian.

Het Nederlands Kamerkoor geeft jaarlijks eigen concertseries in Nederland en treedt daarnaast in binnen- en buitenland op met orkesten en ensembles als het Nieuw Ensemble, het ASKO Schönberg Ensemble, het Koninklijk Concertgebouworkest, het Nederlands Kamerorkest en het Orkest van de Achttiende Eeuw.

Het Nederlands Kamerkoor heeft inmiddels zo’n zeventig cd’s uitgebracht, waarvan verscheidene een Edison hebben gekregen. De meest recente cd-uitgaven betreffen French Choral Music, delen twee en drie, met muziek van Messiaen, Daniel-Lesur, Jolivet, Canat de Chizy en Ohana. Deze twee cd’s zijn in september 2007 uitgekomen onder het label Globe.

Het trouwe publiek van het koor vormde zich al 20 jaar geleden tot een actieve vriendenvereniging, Cantus Nobilitas, die zowel morele als praktische steun aan het koor verleent.

Website: www.nederlandskamerkoor.nl


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 105.