muziekbus







Muziekgeschiedenis


ca 8000 vC Eerste muzikale uitingen van de mens (ratels, rammelaars, bromhout, eentonige fluiten uit beenderen)
ca 6000 vC Zang en slaginstrumenten.
ca 3000 vC Gebruik van de pentatoniek in Egypte
ca 2000 vC Gebruik van de pentatoniek in China
ca 1900 vC Overgang van pentatoniek op modaal systeem
ca 1200 vC Gebruik van bronzen lieren Noord Europa
ca 1000 vC Overgang pentatoniek op modaal systeem Midden-Oosten
ca 800 vC Uitvinding van het muziek-spijkerschrift in Babylon
ca 700 vC Barden en Keltische dichters en zangers in Gallië, Wales, Schotland en Ierland
ca 500 vC Toonsysteem met vierde tonen in Indië
ca 400 vC Muziek geschreven voor Griekse toneelstukken
Van de Oudgriekse muziek zijn geen partituren bewaard gebleven, wel kunnen er reconstructies gemaakt worden op basis van overgeleverde beschrijvingen. De belangrijkste invloed die deze periode op de ontwikkeling van de klassieke muziek heeft gehad, is van muziektheoretische aard. Pythagoras construeerde zijn diatonische toonladder met zuiver reine kwinten.
ca 100 vC De Romeinen nemen de Griekse muziek en instrumenten over

0


ca 100 nC Feestliederen bij de Germanen

Vroeg-Christelijke Liturgie
Tussen de jaren 0 en 600 zijn vele verschillende plaatselijke christelijke liturgieën ontstaan, waarvan we niet veel concreet weten. Wel is zeker dat waar het christendom verspreid wordt, de plaatselijke muziek ook een rol speelt in de ontwikkeling van de liturgische muziek. Dat betekent dus grote verschillen tussen de muziek in gebieden als bijvoorbeeld het huidige Italië, Frankrijk, Griekenland, Libanon, Syrië en de Oostelijke culturen.

Middeleeuwen (400 - 1400/1500)
Er is sprake van een driestandenmaatschappij: geestelijkheid, adel en burgerij.
Beroepsmusici zijn voornamelijk in dienst van de Kerk. Dit verandert pas aan het einde van de Middeleeuwen. De in de kerk gezongen melodieën waren voornamelijk uit Azië afkomstig. Deze melodieën ondergingen een verandering: zij werden ontdaan van hun versieringen, zodat slechts de belangrijkste tonen overbleven.

Gregoriaans (eenstemmig) vanaf ca 600
Paus Gregorius de Grote (540 - 604) verzamelde en ordende alle kerkelijke melodieën. Ook legt deze paus het kerkelijk jaar vast en richt een professionele zangschool, de Schola Cantorum op.

Voor en tijdens de regeringsperiode van Karel de Grote (742 - 814) is er een grote politieke en economische staat ontstaan: het Frankische keizerrijk. In de kunst spreken we van de Karolingische-Renaissance. Het in stand houden van een rijk dat zich van het huidige Noord-Duitsland heeft uitgestrekt tot en met de Pyreneeën en een deel van Italië in het Zuiden en tot aan de Russische grens in het Oosten, vraagt om eenheid van bestuur, recht enz. Maar ook een grote mate van eenheid in religie en eredienst draagt bij aan orde en rust. Daar is dus voortvarend aan gewerkt.

Het christendom is het geloof, dat overal wordt verspreid en de liturgie is van de Latijnse kerk (Rome). De muziek ervan (de kerkelijke gezangen) wordt vanaf 850 Gregoriaans genoemd, omdat deze volgens de overlevering onder Paus Gregorius I
(590-604) is geordend en vastgesteld.

De oorsprong van het Gregoriaans ligt in de muziek van de Joodse synagoge. Daarom zijn als kenmerken uit de Joodse muziek te herkennen: het responsoriaal gezang (wisselzang tussen voorganger en koor), de psalmodie ( het reciteren op één toon met een kleine aanhef en slotcadens) en het melismatisch zingen (meerdere tonen worden gezongen op één lettergreep).
Diatoniek (Kerktoonsoorten) en syllabische (één toon per lettergreep) gezangen wijzen op invloed van de Griekse muziek. antifonaal gezang (wisselzang tussen koren) komt uit Syrië.

Het Gregoriaans ritme is vrij, dus niet gebonden aan vaste maatschema's. Uitvoering van het ritme wordt bepaald door de voordracht van de tekst. Het notenschrift dat in de oudste handschriften voor het Gregoriaans wordt gebruikt, is het neumenschrift. Dit is het begin van muzieknotatie in de westerse muziek: de toonhoogte is bij benadering gegeven als een soort geheugensteun, de ritmische structuur is niet gegeven.

Het Gregoriaanse repertoire bestaat uit 3000 overgeleverde melodieën. De belangrijkste functie van het Gregoriaans was de geloofsgemeenschap in een stemming van vroomheid te brengen. De muziek stond dus volledig in dienst van het geloof.

Tot de twaalfde eeuw is het Gregoriaans een muziek in ontwikkeling. Daarna treedt het verval in door nieuwe ontwikkelingen zoals meerstemmigheid en de ontwikkeling van muziek met een vaste maatindeling (ritmische verdelingen in tweeën en drieën).

Primitieve meerstemmigheid, Polyfonie, wordt toegepast in heel Europa (900 nC)
Meerstemmigheid is in West-Europa in de Middeleeuwen tot ontwikkeling gekomen en mag gezien worden als een belangrijke bijdrage en mischien wel de belangrijkste van de westerse muziek aan de muziekgeschiedenis. In verschillende handschriften zijn theoretische verhandelingen over meerstemmigheid gevonden, maar over het uitvoeren ervan tussen 850 en 1100 weten we in feite niets.

De eerste meerstemmige stukken noemt men organum. De oudste vorm is het zogenaamde parallel organum ( vanaf ca 800 ), hierbij zingt men in parallelle kwarten, waarbij de bovenstem de oorspronkelijke melodie zingt en de onderstem, een kwart lager, de toegevoegde. Hierna volgde het zwevend organum, waar aan het begin van een organum bijv. achtereenvolgens een prime, secunde en een terts gezongen wordt en daarna pas de parallelle kwarten/ kwinten, aan het einde gebeurde dan het omgekeerde. Drie- en vierstemmigheid ontstaat door de stemmen een oktaaf hoger te verdubbelen (jongensstemmen).
Bij het melismatisch organum ( vanaf ca 1100 )wordt de oorspronkelijke (Gregoriaanse) melodie in lange noten gezongen (tenor) en de tegenstem zingt erboven een vrije stem (duplum).

Guido van Arezzo (980 - 1050): uitvinder van de 'moderne' muzieknotatie (1000 nC)

Ars antiqua (1150-1300), Notre Dame organum,
Een eerste hoogtepunt in de ontwikkeling van de meerstemmigheid is in de de tweede helft van de twaalfde eeuw aan de Notre Dame te Parijs. Hier worden door anonieme componisten meerstemmige composities geschreven. Als componisten zijn Leoninus en Perotinus genoemd. Deze groep componisten behoren tot de Notre Dame school.

Motet, vanaf 1250
In de tweede helft van de 13e eeuw was het motet het belangrijkste polyfone compositietype. Het motet ontwikkeld zich vanuit het melismatisch organum toen nieuwe tekst aan het duplum (de vrije stem boven de tenor) werd gegeven. Werd er een derde stem aan toegevoegd dan noemde men die het triplum. Kenmerkend voor het motet is dat iedere stem een eigen tekst heeft. In het motet zijn de verschillende stemmen melodisch en ritmisch onafhankelijk van elkaar. Het motet begint als een vorm van geestelijke muziek maar doordat de tekst van de toegevoegde stemmen (steeds vaker Frans i.p.v. Latijn) meer en meer een wereldlijke inhoud krijgt en de tenor steeds vaker instrumentaal wordt, verliest het steeds meer z'n kerkelijk karakter.

Ars nova, vanaf ca 1300, (14e eeuw)
De Ars nova is de eerste periode waarin componisten goed te identificeren zijn. Guillaume de Machaut (ca.1300-1377) en Philippe de Vitry (ca 1291-1361) waren twee belangrijke componisten. De componisten van de 14e eeuw schreven veel meer wereldse dan religieuze muziek. De benaming Ars nova wijst op een aantal vernieuwingen die in de eerste plaats betrekking hadden op de techniek (ars) van de muziek. De tenor, nu cantus firmus genoemd werd nog steeds ontleend aan Gregoriaanse gezangen. Door gebruik te maken van herhalingen (in de cantus firmus) en door voor de bovenstemmen langere melodieën te gebruiken (in de Ars antiqua muziek kwamen steeds terugkerende korte melodische lijnen voor) werd eenheid in de compositie bereikt. Het motet was veelal driestemmig, pas in de Renaissance werd een vierstemmige zetting gemeengoed.

Francesco Landino (1325 - 1397)

Wereldlijke muziek staat tegenover geestelijke muziek (liturgische muziek, kerkmuziek). In de wereldlijke muziek van de Middeleeuwen maken we een onderscheid tussen volksliederen en kunstliederen.

Renaissance 1400/1500 - 1600
De muziek wordt in vergelijking met de Middeleeuwen vermenselijkt. De relatie tekst-muziek wordt belangrijker. In plaats van de grillige melodielijnen van de gotische muziek wordt de eenvoudige door de menselijke adem bepaalde melodie het ideaal. Voor het eerst mag muziek beluisterd worden puur om haar esthetische kwaliteiten. De wereldlijke muziek gaat een steeds grotere rol spelen ook krijgt de instrumentale muziek voor het eerst zelfstandige betekenis.

Franco-Vlaamse school
- De Bourgondische stijl
Het Bourgondische hof werd het centrum van de nieuwe muziek ( ars nova ). Gesteund door hertog Filips de Goede (1419-1467) konden kunstenaars en musici zich ontplooien. Componisten uit de Nederlanden, Engeland en Italië traden graag in dienst van het Bourgondische hof. Zij werden aangesteld om amusementsmuziek ( chansons, dansmuziek ) en kerkmuziek ( motet en mis ) te schrijven. De thematiek van de chansons sloot vaak nog aan bij de Middeleeuwse traditie van de hoofse liefde.
Componisten: Giles Binchois (ca 1400-1460) en Guillaume Dufay (ca 1400-1474).

De Bourgondische stijl wist de muziek uit de late Middeleeuwen te verbinden met de Renaissance. Vanaf 1450 wanneer de Franco-Vlaamse stijl tot bloei komt begint de Renaissance pas echt voor de muziek.

- De Franco-Vlaamse stijl
Een aantal vooraanstaande componisten uit de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk ontwikkelde tussen ongeveer 1450 en 1550 een invloedrijke, sterk internationaal georiënteerde stijl. Deze componisten werkten in alle delen van Europa en vooral aan de Italiaanse hoven en het vaticaan. Ze zetten de vernieuwingen van de Bourgondiërs krachtig voort en dit leidt uiteindelijk tot de Gouden Eeuw van de polyfonie.

Johannes Ockeghem (ca 1420-1497), Josquin Deprez (ca 1440-1521), Heinrich Isaac (1450 - 1517), Jacob Obrecht (1450 - 1505),

Als gevolg van de uitvinding van de muziekdruk (1476) zijn vanaf het begin van de 16e eeuw zeer veel composities gedrukt.

Adriaan Willaert (1485 - 1562), Orlando di Lasso (ca 1532-1594)

Katholieke kerkmuziek
Alle componisten uit de Renaissance schreven geestelijke muziek. Het grootste deel van hun repertoire bestond daaruit. De mis en vooral het motet waren de meest gebruikte genres binnen de katholieke kerkmuziek. Door de dichte stemmenweefsels van soms wel vijf of zes vocale partijen ontstond een volle klank. Ondanks de pleidooien meerstemmige muziek in de kerk te verbieden was de uitkomst van het concilie van Trente (1545-1563) toch positief. Maar aan een aantal voorwaarden moest wel worden voldaan: een duidelijk verstaanbare tekst, terughoudendheid in expressie en geen wereldlijke cantus firmus in de missen. De Italiaanse componist Palestrina, beïnvloed door de Franco-Vlaamse stijl, heeft in zijn missen en motetten deze polyfone schrijfwijze geperfectioneerd.

Protestantse kerkmuziek
Maarten Luther, was behalve theoloog ook musicus. Ook hij vond dat kerkmuziek soms zo ingewikkeld was dat ze de aandacht afleidde van de tekst. Ook hij stelde een vereenvoudiging voor. Alleen deze vereenvoudiging werd veel fanatieker gerealiseerd dan wat het concilie voor elkaar kreeg. De eerste verandering was de vertaling van de liturgie in de volkstaal (bij Luther dus in het Duits). Tevens werden middeleeuwse gregoriaanse en wereldlijke melodieën aangepast aan de toenmalige tijd en van nieuwe teksten voorzien ( contrafact ). De melodieën werden metrischer en teksten werden opgemaakt in een strofische vorm (ze begonnen meer op dichtversjes te lijken). Deze melodieën, die unisono, gezongen werden noemen we koralen. Zo'n 100 jaar later zou J.S. Bach de koraalcantate naar een hoogtepunt voeren. Het orgel kreeg een belangrijke plaats in de Lutherse kerk.

wereldlijke muziek
De muziek bleef liturgische doelen dienen, maar de wereldlijke muziek was sterk in opkomst. het motet kreeg zijn wereldlijke tegenhanger in het Italiaanse madrigaal, en ook de instrumentale muziek begon steeds meer een zelfstandige rol te spelen. Met name in Venetië waar al het begin van de Barok te beluisteren viel.

volksmuziek
Tot de wereldlijke muziek behoorde de volksmuziek. Over de volksmuziek zelf is niet zo heel veel bekend omdat deze niet genoteerd werd. Wel gebruikten componisten melodieën uit volksliederen in genres die zeer populair waren in Europa. In Frankrijk het chanson, in Engeland de carol, in Duitsland het lied en in Italië de frottola. Toch horen deze genres niet tot de volksmuziek. Het was muziek die vooral populair was bij de hoven.

kunstmuziek
Naast deze populaire vaak wat luchtigere genres ontstond meer ernstige en verheven muziek uitsluitend gericht op de hogere maatschappelijke klasse. Deze 'kunstmuziek' ( musica reservata ) stelde hoge eisen aan beoefenaar en luisteraar. Tot deze kunstmuziek behoorde het madrigaal. In de madrigalen werden niet alleen wereldlijke teksten gebruikt maar ook levendige ritmen. Madrigalen werden meestal nieuw gecomponeerd en waren aanvankelijk veelal homofoon. Madrigalen waren ernstig en verheven van toon en teksten waren in de begintijd vaak van vooraanstaande dichters (Petrarca). Ook teksten over liefde en liefdesverdriet (een steeds weer onuitputtelijke bron van inspiratie door alle eeuwen heen) waren zeer populair.
Een belangrijke componist van madrigalen was Claudio Monteverdi (1576-1643).

Engelse madrigaal: De gouden tijd van het wereldlijk lied brak in Engeland later aan dan op het vasteland van Europa. Het Engelse madrigaal is overwegend homofoon en heeft de melodie in de bovenstem. De belangrijkste componist in dit genre was Thomas Morley (1557-1602).

Venetiaanse school
In de late Renaissance (2e helft 16e eeuw) werd in Venetië zowel in de muziek als in de schilderkunst een krachtige impuls gegeven voor de ontwikkeling van de latere Barokstijl. Kenmerkend voor de Venetiaanse muziekstijl is het gebruik van de meerkorigheid. In tegenstelling tot de complexe, polyfone lijnen van de Frans-Vlaamse componisten bestond de Venetiaanse muziek grotendeels uit massieve homofone harmoniën. Twee belangrijke componisten zijn: Andrea Gabrieli (1610-1585) en diens neef Giovanni Gabrieli (1554-1612).

Jacobus Clemens non Papa (1510 - 1556), Philippus de Monte (1521 - 1603), Giovanni Pierluigi Palestrina (1525 - 1594), Orlando di Lasso (1532 - 1594), William Byrd (1543 - 1623),

De Venetianen braken door het inzetten van instrumenten met de a-capella traditie van de renaissance. Door die verschillende samenstellingen van de diverse koren ontstonden nieuwe klankkleuren. Deze koren werden in de composities vaak tegenover elkaar gezet waardoor instrumentale en vocale partijen, groot koor en klein koor of solist afgewisseld werden met elkaar. Hierdoor ontstaat een dialoog tussen de verschillende koren. Dit noemen we stile concertato. Deze stijl werd karakteristiek voor de Barokstijl en wordt ook wel concertatostijl genoemd. De nadruk op contrast en harmonie (homofonie) in plaats van de gelijkwaardigheid van alle stemmen in de polyfonie, luidt het eind in van de Renaissance op muziekgebied en het begin van een nieuw tijdperk: de Barok.


Barok 1600 - 1750
De groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater (toneel, opera) en concertleven in de steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven. De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumententale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies. De wereld lijkt een theater met acteurs, ceremoniemeesters en muziek: pruiken, gekunstelde aanspreek- en omgangsvormen vooral aan de hoven, in de opera zijn castraten dé sterren.

instrumenten: Instrumentale ensembles worden zelfstandig. Ze zijn per partij solistisch of twee/drievoudig bezet en bestaan uit strijkers en/of blazers ( hobo, fagot, fluiten, trompet). Er ontstaat een echte instrumentale muziek los van de vokale modellen. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek) bereiken in de Barok een hoogtepunt in hun ontwikkeling.

Basso continuo: In ensemble muziek wordt de éénstemmig uitgeschreven baspartij vaak door een basinstrument en toetsinstrument (in accoorden) gespeeld: basso continuo. De instrumenten zijn cello (eventueel ook gamba of fagot) en clavecimbel. In de kerk wordt in plaats van het clavecimbel het orgel gebruikt en in de meer intieme huismuziek de luit/gitaar. Het basso continuo is de begeleiding en erom heen worden alle mogelijke ensembles samengesteld. Naast één of meerdere melodiestemmen wordt een basmelodie gegeven met cijfers. Vandaar ook de term becijferde bas naast basso continuo.

Vormen en genres:
concerteren/ dubbelkorigheid: in vokale en instrumentale Muziek is er sprake van een afwisselen tussen groepen, waarbij het ook kan gaan om solistisch bezette groepen.
Uit de concerterende stijl ontstaat het: concerto grosso met concertino en tutti: een instrumentaal werk voor orkest en een groep solisten.
Soloconcert: soloinstrument en orkest.
Suite: een reeks van gestileerde dansen, bestaande uit bijvoorbeeld een allemande, courante, sarabande, gigue, bourrée, gavotte. Als opening kan een sinfonia of ouverture aanwezig zijn, een deel zonder dansachtergrond wordt aria genoemd. Sarabande (langzaam, driedelig) en gigue (snel, imitatorisch) zijn vergelijkenderwijs goed te herkennen.
Ouverture: Als voorspel voor een opera e.d. maken we onderscheid tussen de Franse en Italiaanse ouverture of sinfonia. Beiden hebben drie delen, maar de Franse in de volgorde langzaam - snel - langzaam en de Italiaanse is snel - langzaam - snel.
Fuga: Een polyfone compositietechniek op basis van één thema. In de fuga-expositie wordt het thema achtereenvolgens in iedere stem ten gehore gebracht, eventueel begeleid door basso continuo en daarna gevolgd door een tegenmelodie of een vrije tegenstem. In de verdere verwerking kan het thema worden vergroot, verkleind, omgekeerd, van achter naar voren gespeeld (kreeft).
Sonate: Duosonate en triosonate zijn werken voor resp. drie en vier instrumenten. Dergelijke sonates bestaan uit meerdere delen, meestal drie of vier, en worden uitgevoerd door één c.q. twee soloinstrumenten met begeleiding van basso continuo (twee instrumenten).
Basso ostinato: Variaties op een Chaconne of Passacaglia. Het gaat om een verdere ontwikkeling van de variaties op dansbassen uit de Renaissance.

Gemengde vocaal/instrumentale vormen: Opera, oratorium, cantate, passie (oratorium op het lijdensverhaal), missen: In al deze vormen worden instrumentale stukken als ouvertures, tussenspelen afgewisseld met koorpassages, recitatieven en aria's (ook duetten, terzetten, kwartetten enz.) door solozangers. Het verschil zit in de inhoud (wereldlijk of geestelijk) en de lengte: oratorium en opera zijn avondvullend, een mis en cantate kunnen 15 minuten, maar ook 45 minuten duren. Een cantate kan een wereldlijke of geestelijke inhoud hebben, een oratorium vooral geestelijke thema's. De opera is wereldlijk en wordt op toneel gespeeld. Veel geestelijke muziek is ongeschikt voor de liturgieviering door de lengte en de grote bezettingen.

Recitatief en Aria zijn onderdelen van de gemengde vormen. Het recitatief is een declamatorisch gezang op een duidelijk hoorbare toonhoogte.
Rond 1600 ontstaat in de opera de monodie (monodische stijl). Dit is een recitatief-achtige melodie die door een basso continuo wordt begeleid. De stem declameert niet op één toon, maar uit zich in een vrije melodie.
Als echt declamatorisch gezang onderscheiden we in de latere vormen het:
Recitativo secco: alleen begeleiding door basso continuo
Recitativo accompagnato: begeleiding door orkest (als 'filmmuziek' het verhaal ondersteunen).
Een aria: de echte kunst van het zingen, in de vorm van een lied. Het eerste deel van een aria wordt vaak (met veel versieringen) herhaald: da capo principe.

stijlkenmerken:
De melodiebouw wordt gekenmerkt door veel sequensmatige motiefherhalingen. Zo kan een voortdurend voortgaande melodische lijn ontstaan: voortspinningsmelodiek.
De melodie wordt bij de uitvoering versierd. Vaak staan bij noten versieringstekens, maar in veel gevallen mag de uitvoerder zelf versieringen toevoegen, maar volgens allerlei vaste regels en voorschriften. De toonsoorten zijn majeur en mineur geworden mede door invloed van het basso continuo. De kerktoonsoorten spelen geen rol meer van betekenis.
toonduur: De muziek krijgt een duidelijke maatindeling en het ritme kan daarbij een sterk motorisch karakter krijgen. Daartegenover is vaak sprake van tempo rubato, waarbij de uitvoerder naar eigen smaak verbredingen en versnellingen toepast, wat niet is genoteerd.
dynamiek: Dynamiek wordt bepaald door terrassendynamiek of echodynamiek. Crescendo en decrescendo komt zeer beperkt voor.
uitvoeringspraktijk: Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking wil brengen. Deze kunnen van invloed zijn op de structuur van een werk. De affecten zijn kwaadheid/ razernij, vreugde, vurige liefde, dodelijke droefheid, rust/vertrouwen.

Don Carlo Gesualdo (1560 - 1613), John Dowland (1562 - 1625), Jan Pieterszoon Sweelinck (1562 - 1621), John Bull (1562 - 1628), Claudio Monteverdi (1567 - 1643)
Orlando Gibbons (1583 - 1625), Girolamo Frescobaldi (1583 - 1643), Heinrich Schütz (1585 - 1672),
Jean- Baptiste Lully (1632 - 1687), Dietrich Buxtehude (1637 - 1707)
Johann Christoph Bach (1642 - 1703)
Arcangelo Corelli (1653 - 1713), Johannes Pachelbel (1653 - 1706), Henry Purcell (1659 - 1695)
Alessandro Scarlatti (1660 - 1725), François Couperin (1668 - 1733)
Tomaso Albinoni (1671 - 1750), Antonio Vivaldi (1675 - 1745)
Georg Philipp Telemann (1681 - 1767), Jean-Philippe Rameau (1683 - 1764), Georg Friedrich Handel (1685 - 1759), Johann Sebastian Bach (1685 - 1750), Domenico Scarlatti (1685 - 1757)
Jean-Baptiste Loeillet (1690 - 1730), Giuseppe Tartini (1692 - 1770), Johann Joachim Quantz (1697 - 1773)
Pergolesi (Giovanni Battista) (1710 - 1736), Wilhelm Friedmann Bach (1710 - 1784), Carl Philipp Emanuel Bach (1714 - 1788),
Chrisoph Willibald von Gluck (1714 - 1787), Johann Stamitz (1717 - 1757)

De barok mondt uit in de rococo, het classicisme ('de klassiek'), en de préromantiek (1740-1800). In de rococo vinden we niet-symmetrische, vrije muziek met veel versieringen. Het classicisme daarentegen wordt gekenmerkt door evenwichtige, eenvoudige en regelmatige opbouw. De eerste werken van Beethoven en van Mozart en Haydn zijn hier mooie voorbeelden van. In de preromantiek wordt de brug geslagen naar de romantiek: de zangerige gevoelsmatige melodie overheerst.

Classicisme (Weense Klassieken) 1750 - 1820
Het klassieke symfonieorkest bestaat uit een strijkorkest, aangevuld met blaasinstrumenten (fluit, klarinet, hobo, fagot, trompet, trombone, hoorn) en pauken.
Een voorloper van het klassieke symfonieorkest is het orkest van de Mannheimers uit de eerste helft van de 18de eeuw. Daarin was het clavecimbel uit het barokorkest vervangen door enige hoorns (voor vulnoten), de klarinet was toegevoegd aan de blaasinstrumenten, de strijkersgroep was versterkt en de dirigent stond voor het orkest.
Een nieuw instrument is de piano.
Het strijkkwartet is hét kamermuziekensemble van de klassieke periode en bestaat uit eerste en tweede viool, altviool en cello. Aan het strijkkwartet worden vaak één of meer instrumenten toegevoegd: zo bestaat een hobokwintet uit een hobo en strijkkwartet.

Franz Joseph Haydn (1732-1809), Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), Ludwig van Beethoven (1770-1827)
De muziek van de Weense Klassieken draait om deze drie componisten. Ze zijn alle drie verbonden geweest met Wenen als muzikaal centrum. De kwalificatie  "klassiek" is hen gegeven, omdat de gestructureerde vormen van hun werken en het toepassen van een beperkt Contrast in muzikale middelen passen in het streven van die Periode naar het evenwicht van de klassieke Esthetica.

Vormen en genres
Symfonie: Een meestal vierdelig werk voor Symfonieorkest. De verschillende Delen hebben een duidelijk verschil in Tempo en karakter. Het eerste deel is snel, eventueel na een langzame Inleiding. Het tweede deel is rustig of echt langzaam met een wat zangerig karakter. Deze Delen hebben meestal de hoofdvormstructuur. Het derde deel is wat luchtiger en gevat in een eenvoudige driedelige Structuur, bijvoorbeeld menuet-trio-menuet. Het vierde deel is snel en levendig (hoofdvorm of rondovorm).
Sonate: Een drie- of vierdelig werk voor soloinstrument of kamermuziekensemble. De Structuur is in principe hetzelfde als bij de Symfonie.
Soloconcert: Een meestal driedelig werk voor een soloinstrument en Orkest. Het muzikale idioom is van de Periode en lijkt dus sterk op die van de Symfonie. De Cadens in een Soloconcert is een Passage, waarin de solist een virtuose Improvisatie speelt. Na een gegeven formule valt het Orkest weer in en wordt het deel afgesloten. Veel componisten "componeerden" ook deze Cadens.
Strijkkwartet: Het Strijkkwartet is in feite een Sonate voor het Strijkkwartet.

- Voor de Piano (pianoforte) worden veel werken geschreven, zowel voor piano-solo alleen, voor Piano met allerlei kamermuziekensembles en voor Piano en Orkest (pianoconcerten).
- De Ontwikkeling van Opera en Oratorium gaat verder.
- Het Menuet is een dans, welke in gestileerde Vorm in klassieke werken voorkomt, bijvoorbeeld als derde deel van een Symfonie. De Vorm ervan is driedelig: menuet-trio-menuet (A B A). Bij Beethoven en latere componisten wordt het Menuet vervangen door het Scherzo.
- Door de strenge periodebouw zijn de structuren in de Muziek duidelijk, zoals bijvoorbeeld de liedvormen of de rondovorm (ABACA of ABACABA of ABACADA of ABACADABA enz.).
- De hoofdvormstructuur is van groot belang: trefwoorden als eerste en tweede Thema, overgangs- of Verbindingszin, Doorwerking (verwerking van allerlei Thema's), Reprise (herhaling van het begin, maar zonder Modulatie), Coda.

Stijlkenmerken
Stemvoering: Overwegend homofoon
Toonstelsel: Klassieke toonsoorten (majeur/ Mineur)
Toonhoogte:
Kenmerkend is een strakke periodisering van de melodische Structuur: de Muziek bestaat uit een duidelijk geheel van muzikale (vol)zinnen, die elk weer bestaan uit voor- en nazinnen. De periodes zijn meestal regelmatig verdeeld in zinnen van vier of acht maten enz. Drieklankmotieven spelen in de Structuur van de Melodie een belangrijke rol. Deze en andere motieven worden verwerkt door Technieken als Contrast, Voortspinnen en Ontwikkeling. Drieklanken en toonladderfiguren zijn belangrijk in instrumentaal passagespel.
Typerend voor de compositietechniek zijn modulaties naar de dominant-toonsoort of van Mineur naar de majeur-parallel.
In de Begeleiding spelen gebroken drieklanken een belangrijke rol: Albertijnse Bas.
Cadenzen in de betekenis van opeenvolgingen van Accoorden, met name aan het slot van een muziekwerk, zijn relatief eenvoudig en bestaan uit de Accoorden op de eerste, vierde en vijfde Trap van de Toonladder: I, IV en V. In C Majeur gaat dat om het C, het F en het G Accoord.
Ritme: Over het algemeen enkelvoudige maatsoorten (2/4, 3/4) en een gelijkmatig Ritme.
Structuur: Heldere en evenwichtige bouw met duidelijk onderscheiden Delen. Motivische Doorwerking in plaats van contrapuntische Doorwerking.

Overige muzikale middelen
Contrastwerking is in de 18de eeuw een belangrijk muzikaal middel. Vergeleken met de mogelijkheden in latere Muziek is de contrastwerking beperkt van omvang, maar deze gematigdheid past goed bij het ideaal van de tijd. Zo is de meerstemmige schrijfwijze sterk Homofoon, maar zorgt Polyfonie voor een zekere afwisseling. Kenmerkend zijn passages met unisonospel. Ook dynamische verschillen zijn beperkt, maar Crescendo en Decrescendo zijn belangrijk en het Sforzando (plotselinge dynamische accenten) wordt veel toegepast.

Johann Christoph Friedrich Bach (1732 - 1795), François Joseph Gossec (1734 - 1829), Johann Christian Bach (1735 - 1782),
Niccoló Paganini (1782 - 1840), John Field (1782 - 1837), Carl Maria von Weber (1786 - 1826),
Gioacchino Rossini (1792 - 1868), Franz Schubert (1797 - 1829),
Vincenzo Bellini (1801 - 1835), Hector Berlioz (1803 - 1869), Johann Strauss Senior (1804 - 1849), Mikhail Glinka (1804 - 1857), Felix Mendelssohn (1809 - 1847),

De negentiende eeuw eeuw wordt in de kunst- en cultuurgeschiedenis de Periode van de Romantiek genoemd. In het eerste deel van de negentiende eeuw wordt de Muziek vooral beïnvloed door de Duitse Romantiek in de Literatuur. Wenen is (nog steeds) het culturele centrum.

De economische en politieke ontwikkelingen na de Franse Revolutie (1789) brengen steeds meer macht bij de gegoede burgerij. Met als gevolg, dat de Salon van de rijke burger een trefpunt wordt voor professionele muziekbeoefening naast concertzalen, operatheaters en Kerken.

Biedermeier

Romantiek 1820 - 1900
De alledaagse werkelijkheid van de negentiende eeuw wordt sterk bepaald door de industriële revolutie met als gevolg ingrijpende maatschappelijke veranderingen met name op sociaal-economisch gebied en een toenemende vervreemding van de Natuur. Als reactie probeert de mens te ontsnappen aan die alledaagse werkelijkheid en zoekt men zijn toevlucht in de wereld van dromen, Religie, Fantasie, sprookjes, Mythologie, occultisme, het buitenaardse, de idealisering van de Natuur. Dit is met name in de Literatuur en de beeldende Kunst te merken, maar ook in de Muziek vinden we het een en ander terug in pogingen buitenmuzikale onderwerpen door muzikale middelen uit te beelden: Programmamuziek. Ook is zelfexpressie, het tot uitdrukking brengen van eigen stemmingen en emoties, een kenmerk van negentiende eeuwse Kunst en Muziek. Wat de amateuristische muziekbeoefening betreft is er sprake van een uitgebreid netwerk voor huismuziek (vocaal en instrumentaal).

Vormen en genres
De Muziek in de negentiende eeuw kent vele vernieuwingen, maar ook wordt voortgebouwd op de muzikale vormen en Genres van de Weense Klassieken.
Aan de ene kant zien we een continue Ontwikkeling, die tot Ver in de twintigste eeuw doorloopt, maar ook is er sprake van grote tegenstellingen tussen de 19de eeuw en de eeuw ervoor en erna.
Symfonieën, soloconcerten, sonates, strijkkwartetten en andere kamermuziekvormen blijven belangrijk. Deze traditionele Genres bepalen voor een groot deel de Muziek in de negentiende eeuw. Nieuw is echter de verschuiving naar zelfexpressie en uitdrukking geven aan emotie, waardoor de strakke vormen en structuren van het Classicisme worden verlaten en de werken omvangrijker worden.

opera
In de romantische Opera bereikt het Bel Canto (‘mooi’ zingen met beheersing van Timbre en ademhaling) met versieringen vooral in de hoge registers van de Stem) haar hoogtepunt. De Operette is een luchtiger, soms satirische versie van de Opera, waarbij de teksten tussen de zangnummers gesproken werden. De melodieën in de Operette liggen wat gemakkelijker in het Gehoor. In de Opera werken verschillende Kunsten samen: Literatuur, Muziek, toneel, dans, Architectuur en Schilderkunst, maar Muziek en vooral de Zang is in de meeste Opera's het belangrijkst. In de Muziekdrama's van Wagner wordt meer gestreefd naar een versmelting van die kunstvormen: een Gesamtkunstwerk.

Het Lied: Een specifieke negentiende eeuwse kunstvorm is het Lied, waarbij we een onderscheid maken tussen Coupletlied (melodie en Begeleiding zijn in ieder Couplet gelijk), Gevarieerd Coupletlied ( Melodie en Begeleiding veranderen in bepaalde coupletten) en Doorgecomponeerd Lied (passend bij de tekst telkens een nieuwe melodie/ Begeleiding, door terugkerende motieven zal toch sprake zijn van een eenheid). Liederen worden voornamelijk begeleid door de Piano, maar wanneer een Lied door het Symfonieorkest wordt begeleid, spreken we van Orkestlied.

Franz Schubert (1797-1828) schreef meer dan 600 Lieder met veel gevoel voor evenwicht tussen tekst en Muziek. Hij schreef ook volledig doorgecomponeerde Lieder (b.v. 'Erlkönig'), waarin de Muziek voortdurend verandert om de gemoedsbewegingen in de tekst te verklanken. Gedurende de gehele 19e eeuw stonden Schuberts liederen model voor andere liedcomponisten..

Nieuw in de Romantiek zijn kleinere muzikale vormen met name in de piano- en Kamermuziek.
Van dansen afgeleid zijn de Wals, Bolero, Mazurka, Polka, Polonaise. Titels als étude (oefenstuk), Nocturne, Elegie(klaagzang), Berceuse (wiegelied) wijzen op een functie, maar geven ook een karakter aan. Bagatelle, Capriccio, Lied Ohne Worte zijn karakterstukken.

Het Symfonisch Gedicht (ééndelig) en de programmatische Symfonie (meerdelig) zijn vormen die in het bijzonder passen bij de romantische gedachtenwereld. Het gaat om instrumentale Muziek met een buitenmuzikale inhoud, die door een titel of programma kenbaar wordt gemaakt. De inhoud bestaat bij voorkeur uit een opeenvolging van handelingen, situaties, beelden of gedachten. De Componist geeft daaraan muzikaal Vorm en leidt daarmee de aandacht en het voorstellingsvermogen van de luisteraar in een bepaalde richting.

Vroege Romantiek: Franz Schubert (1797-1828) - liederen en pianomuziek, Weber - (sprookjes)opera, Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847), Robert Schumann (1810-1856)
Hoog Romantiek: Berlioz - programmatische Symfonie, Frédéric Chopin (1810/1849) - pianomuziek, Franz Liszt (1811/1886) - pianomuziek, Symfonisch Gedicht, Giuseppe Verdi (1813/1901) - Italiaanse Opera, Richard Wagner (1813/1883) - Muziekdrama Opera, Johannes Brahms (1833-1897) - Symfonie, Soloconcert, Anton Bruckner (1824-1896) - Symfonie, Grieg - Noorwegen, Moessorgski - Rusland
Laat Romantiek: César Franck (1822/1890) - Symfonie, klassieke vormen, Mahler - symfonie/ orkestlied

Instrumenten
De Saxofoon is een nieuw instrument (Adolphe Sax). Andere instrumenten worden technisch verbeterd/ veranderd: de Klank wordt vaak minder genuanceerd, maar wel sterker van Geluid en handiger te bespelen. Zo worden instrumenten functioneler in het 19e eeuwse Symfonieorkest: Dwarsfluit (metaal met kleppen), de Harp (volledig chromatisch door dubbele pedalen), Strijkinstrumenten (met Zilver omwikkelde snaren en een stalen kern), Trompet en Hoorn (toevoeging van Ventielen maakte deze instrumenten veel flexibeler).

In het Symfonieorkest wordt het aantal instrumenten voortdurend uitgebreid (b.v. de Celesta, de Xylofoon en Marimba). Het Symfonieorkest werd daardoor omvangrijker, mede omdat aan de traditionele instrumentenfamilies alten en tenoren werden toegevoegd. Door subtiele combinaties van instrumenten ontstaan nieuwe klankkleuren en wordt het werken met klankkleurverschillen een belangrijk onderdeel van de compositietechniek.

Virtuositeit in het bespelen van instrumenten wordt zeer belangrijk, van solisten wordt verwacht dat zij technisch het uiterste uit hun instrumenten kunnen halen ( Paganini, Liszt, Chopin). Vooral voor de Piano is in de Romantiek veel zeer virtuoze Muziek geschreven.

De Piano is hét instrument van de 19e eeuw. Rond 1700 is de Piano (pianoforte) ontwikkeld en na honderd jaar was er sprake van een volwaardig instrument. In 1825 kreeg het instrument voor het eerst een metalen frame, waardoor veel meer snaarspanning mogelijk is: het begin van de Ontwikkeling naar de moderne concertvleugel.

Stijlkenmerken
Ritme en Tempo: De Ritmiek van de vroeg-romantische Muziek wijkt niet opvallend af van die van vroegere stijlen, maar naarmate de eeuw vorderde, werden de ritmen gevarieerder en onconventioneler. Nieuwe maatsoorten werden gebruikt en tempowisselingen traden vaker en abrupter op dan in Klassieke en barokke werken. componisten kozen niet zelden voor extreem langzame of uiterst snelle tempi.

Melodie: De melodievoering in de Romantiek wordt gekenmerkt door brede melodische Bogen die leiden naar een climax of een rustpunt. Al dan niet sequensmatige motiefherhalingen, Crescendo en Decrescendo, Ritenuto en Accelerando, Fortissimo tegenover Pianissimo spelen daarbij een belangrijke rol.

Samenklank en Harmonie: De grotere expressiviteit van de Muziek in de Romantiek wordt ook bereikt door de toenemende Chromatiek, leidtoonspanningen en steeds verder gaande modulaties: Door in een Toonladder alle tonen te mogen verhogen en verlagen ontstaan steeds nieuwe leidtonen voor nieuwe grondtonen en dan is het of er voortdurend wordt gemoduleerd. Let in dit verband vooral op relaties tussen tertsverwante toonsoorten, B.v. een Modulatie van C naar E, van G naar B, van Cis naar A enz.

Dynamiek: De verschillen tussen luid en zacht werden in de 19e eeuw groter dan voorheen.
componisten noteerden 'ppp' (zo zacht mogelijk) en 'fff' (zeer luid) en wisselden soms plotseling tussen deze uitersten. De partituren bevatten daarnaast tal van ander dynamische aanwijzingen zoals Crescendo (harder worden), Diminuendo (zachter worden), Sforzando (accentuering van één Toon of Akkoord).

In tegenstelling tot de goed voorbereide veranderingen in de Muziek van de Klassieke Periode kon de Muziek van de Romantiek van het ene moment op het andere drastisch veranderen. Romantische Muziek is vaak heftig en Dramatisch van aard, omdat de componisten een steeds wisselende variëteit aan stemmingen en gemoedstoestanden tot uitdrukking trachtten te brengen.

Robert Schumann (1810 - 1856), Charles Valentin Alkan (1813 - 1888), Charles Gounod (1818 - 1893), Jacques Offenbach (1819 - 1880), Henry Vieuxtems (1820 - 1881), Anton Bruckner (1823 - 1896), Bedrich Smetana (1824 - 1884), Johann Strauss Junior (1825 - 1899), Louis Moreau Gottschalk (1829 - 1869), Modest Mussorgski (1831 - 1881), Johannes Brahms (1833 - 1897), Alexander Borodin (1833 - 1887), Peter Benoit (1834 - 1901), Camille Saint Saens (1835 - 1921), Georges Bizet (1838 - 1875),

De negentiende eeuw is een Periode van internationale ontwikkelingen (handel, industrie, kolonialisme), maar er tegenover staat een sterker wordend nationaal bewustzijn van allerlei volkeren. Naast de politieke gevolgen leidt dat bewustzijn ook tot aandacht voor de 'eigen' (folkloristische) Muziek en de verwerking ervan in Composities: Nationale Scholen.
Edvard Grieg (1843-1907), Bedfich Smetana (1824-1884), Antonin Dvorak (1841-1904), Modest Moessorgski (1839-1881), Peter (Pjotr) lljitsj Tsjaikovsky (1840-1893), Isaac Albéniz (1860-1909), Manuel de Falla (1876-1946), Alexis Emmanuel Chabrier (1841 - 1894), Antonin Dvorák (1841 - 1904), Jules Massenet (1842 - 1912), Nikolai Rimski Korsakov (1844 - 1908), Gabriel Fauré (1845 - 1924), Henri Duparc (1848 - 1933),

Na de juni-revolutie van 1830 wordt de Romantiek steeds meer een Europese beweging met Parijs als centrum. Na de 1848-revolutie is er sprake van een verder toenemende internationalisering van het muziekleven. Aan het einde van de eeuw, men spreekt wel van “late Romantiek”, zien we dat de muzikale taal van de Romantiek tot het uiterste wordt doorgevoerd, maar ook dat wordt teruggegrepen op vormen uit vorige periodes. Tegenover een romantisch vluchten uit de werkelijkheid, staat het Vorm willen geven aan de werkelijkheid (romantiek tegenover Realisme).

Comte Vincent d'Indy (1851 - 1931), Leoš Janácek (1854 - 1928), Ernest Chausson (1855 - 1899), Ruggiero Leocaballo (1857 - 1919), Edward Elgar (1857 - 1934), Giacomo Puccini (1858 - 1924),

XXste Eeuw I met o.a. Impressionisme, Expressionisme, Neo Classicisme en avant-garde.

Impressionisme (1870-1920)
De Impressionistische Muziek is een vervolg op de Franse romantische Muziek. De vernieuwingen in de Impressionistische Muziek zijn bovendien een basis voor veel Muziek in deze eeuw.
De muzikale Composities van het Impressionisme zijn opgebouwd aan de hand van contrasten, schakeringen, tegenstellingen tussen allerlei Kleuren en klanken. Het is vaak dromerige wazige Muziek. Er wordt geen duidelijke melodielijn getekend, maar er worden sferen gecreëerd. Denk maar aan heel wat werken van Ravel en van Debussy. Met behulp van de traditionele orkestinstrumenten zoeken componisten naar een uiterst gedifferentiëerd gebruik van Klankkleur.
De instrumenten worden steeds geraffineerder gebruikt als het gaat om timbres. Daarvoor gebruikt men speeltechnieken als Arpeggio en Glissando en zorgen koperblaasinstrumenten met dempers voor een zacht en sonoor Geluid. De Techniek van Instrumenteren is steeds meer gericht op het laten versmelten van klankkleuren. De instrumenten zijn steeds minder als onafhankelijk instrument te horen. In het Impressionisme zijn klankkleuren licht en transparant. Houtblazers krijgen de voorkeur boven koperblazers en gedempte violen en harpen boven de complete strijkerssectie. Klankkleur is structuurbepalend

geworden.
Ritme komt losser van het Metrum: het Ritme wordt vrijer, ook door het verwerken van polyritmiek en Polymetriek.
Er is nauwelijks meer sprake van een melodische zinsbouw in periodes. Steeds meer Chromatiek, maar ook Pentatoniek,

heletoonstoonladder en Kerktoonsoorten zorgen voor een geheel andere sfeer in de Muziek.
Accoorden zijn niet meer met functies (zoals I - V - I of IV - V - I) aan elkaar verbonden, maar dienen om sfeer en stemming

uit te beelden: Accoord als zelfstandige klankeenheid.
De muzikale vormen zijn zeer vrij en worden voornamelijk bepaald door een buitenmuzikaal gegeven (in veel gevallen de titel van het werk) en door de mogelijkheden die 'instrumenteren' biedt.

De belangrijkste en meest invloedrijke Impressionistische Componist was Claude Debussy.

Hugo Wolf (1860 - 1903), Isaac Albéniz (1860 - 1909), Gustav Mahler (1860 - 1911), Frederick Delius (1862 - 1934), Pietro

Mascagni (1863 - 1945), Richard Strauss (1864 - 1949), Carl Nielsen (1865 - 1931), Jan Sibelius (1865 - 1957), Erik Leslie

Satie (1866 - 1925), Enrique Granados (1867 - 1916),

Guillaume Lekeu (1870 - 1894), Alexander Scriabin (1872 - 1915), Ralph Vaughan Williams (1872 - 1958), Max Reger (1873 - 1916), Sergei Rachmaninoff (1873 - 1943), Gustav Holst (1874 - 1934), Charles Edward Ives (1874 - 1954), Maurice Ravel (1875 - 1937), Manuel De Fally y Matheu (1876 - 1946),

Thomas Edison (1847 - 1913) vindt de fonograaf uit (1877)

Ottorino Respighi (1879 - 1936),

Modernisme (1910-1945)
Expressionisme, Neoclassicisme en Futurisme,

Het Futurisme van Russolo was de eerste stroming die opriep tot een nieuwe Muziek voor een nieuwe tijd. Later zou Edgar Varèse dit verder uitwerken. Het Futurisme is niet alleen antiromantisch maar verzet zich tegen alle Kunsten.

Expressionisme, Neoclassicisme en Futurisme (eerste helft 20ste eeuw):

bij het Expressionisme zijn de grote verschilpunten met de Romantiek dat alle soorten gevoelens worden weergegeven en dat de Klank en Kleur primeert boven de Melodie, het Ritme overweegt. Enkele componisten in Duitsland en Oostenrijk (Wenen)

streefden naar een uiterst expressieve en emotionele Muziek. Zij gingen daarin zo Ver dat extreme gemoedstoestanden als hysterie en krankzinnigheid en ervaringen als nachtmerries in een zeer complexe Muziek tot uitdrukking werd gebracht. Deze stroming wordt Expressionisme genoemd. De daarbij horende Muziek geeft uitdrukking aan strijd, geweld, conflict, frustratie en innerlijke verscheurdheid. De kenmerken van het Expressionisme komen het duidelijkst tot uiting in de werken van Arnold

Schönberg, Anton Webern en Alban Berg, die gezamenlijk de Tweede Weense School vormden (De eerste Weense 'school' was natuurlijk die van Haydn, Mozart en Beethoven).

Slagwerk en blaasinstrumenten worden belangrijker en er ontstaan allerlei nieuwe vormen van Instrumenteren: geen stereotype ensembles meer, maar allerlei 'vreemde' combinaties van instrumenten.

Sprechgesang is een nieuwe vocale Techniek: Ritme en Toonhoogte worden wel genoteerd, maar de Toonhoogte moet toch pratend geïntoneerd worden. Deze Techniek bouwt voort op het traditionele Recitatief en daarna zijn er vele onconventionele zangtechnieken ontwikkeld in de Muziek van de 20e eeuw.

In het Ritme spelen maatwisselingen, syncopen, Onregelmatige Maatsoorten, polyritmiek en Polymetriek een belangrijke rol.

Het tonale systeem wordt steeds verder losgelaten.

In de (2e) Weense School van Arnold Schönberg (1874-1951) is een speciale Vorm van Atonaliteit ontwikkeld, waarbij alle twaalf chromatische tonen slechts éénmaal in een Reeks gebruikt mogen worden, zo kan geen Toon belangrijker worden dan een andere, omdat ze niet vaker voorkomt . De Toon mag pas herhaald worden als alle twaalf tonen van de Reeks geklonken hebben.

Alle tonen zijn dus gelijkwaardig: de emancipatie van de Toon! Deze Muziek wordt Twaalftoonsmuziek of Dodecafonie genoemd. In het verwerken van de twaalftoonsreeks worden Technieken gebruikt als kreeftengang (de Reeks van achteren naar voren), in Omkering (stijgende intervallen worden dalend en omgekeerd) of een combinatie van deze Technieken.

Béla Bartók (1881 - 1945), Igor Stravinsky (1882 - 1971), Joaquín Turina (1882 - 1949), Zoltán Kodály (1882 - 1967), Arthur Meulemans (1884 - 1966), Alban Berg (1885 - 1935), Heitor Villa Lobos (1887 - 1959),

Neo-stijlen (Neo-Classicisme, Neo-Romantiek, Neo-Barok) (vanaf 1915)

In het Neo-classicisme ontlenen componisten hun inspiratie vooral aan de Muziek van de late 17e en 18e eeuw, in het bijzonder aan de werken van de late Barokmeesters en van Haydn en Mozart.
De Muziek van de Neoclassicisten is in het algemeen absoluut en niet-programmatisch. De componisten hebben geen boodschap aan romantische Expressies van strikt individuele 'zieleworstelingen'. De Tonaliteit (en dus ook de Harmonie) is modern en de graad van Dissonantie is eveneens eigentijds.
Ferruccio Busoni (1866-1924) wordt beschouwd als de eerste Neoclassicist vanwege zijn uitgesproken afkeer van de Romantiek en het opvallende gebruik van titels als Sonatine, Toccata en Fantasie voor enkele van zijn werken. Andere Neoclassicistische componisten zijn Igor Stravinsky (in zijn middenperiode 1920-1940), Paul Hindemith (1895-1963) en Sergei Prokofjev

(1891-1953).

Neoclassicisten maakten gebruik van klassieke en barokke vormen en Genres als Symfonie, de Sonate, het Concerto Grosso de Toccata, de Passacaglia en de Suite. Zij toonden daarbij een hernieuwde belangstelling voor contrapuntische Technieken en bijbehorende vormen als de Fuga.

Groupe de Six Voortbouwend op het Impressionisme van Claude Debussy, ontstond in Frankrijk de Groupe de Six, waarvan Francis Poulenc, Arthur Honegger en Darius Milhaud de belangrijkste vertegenwoordigers waren.

Jacques Ibert (1890 - 1962), Sergei Prokofiev (1891 - 1953), Arthur Honegger (1892 - 1955), Darius Milhaud (1892 - 1974), Hermand Meulemans (1893 - 1965), Carl Orff (1895 - 1982), Paul Hindemith (1895 - 1963), George Gershwin (1898 - 1937), Francis Poulenc (1899 - 1963), Aaron Copland (1900 - 1990), Aram Katchaturian (1903 - 1978), Dmitri Shostakovich (1906 - 1975), OIivier Messiaen (1908 - 1992), Samuel Barber (1910 - 1981), Benjamin Britten (1913 - 1976), Leonard Bernstein (1918 - 1990), Pierre Boulez (°1925), Karlheinz Stockhausen (°1928), Sir Andrew Lloyd Webber (°1948),

Avant-Gardisme (1945-1970)
Onder Avant-Gardisme wordt in de Muziek verstaan: alle Muziek die breekt met de (klassiek/romantische) traditie. In de Muziek van de avant-gardisten ontbreken meestal dan ook Melodie, Harmonie en Ritme. Het Avant-Gardisme kan worden gezien als een reactie van wantrouwen jegens de eigen, westerse cultuur, die in korte opeenvolging twee Wereldoorlogen voortbracht. In de gehele avant-gardistische Kunst werd na de Tweede Wereldoorlog en sterke behoefte gevoeld om van voren af aan opnieuw te beginnen, en letterlijk alle waarden te herzien en te herdefiniëren.

Charles Ives (1874-1954), EdgarVarèse (1885-1965), Olivier Messiaen (1908-1992) John Cage(1912-1992), Luciano Berio (1925-), Karlheinz Stockhausen (1928-), Krzysztof Penderecki (1933-),

Stijlen na 1950
Electronische muziek bestaat geheel uit electronisch opgewekte en gemanipuleerde klanken. Deze Muziek wordt op tape

vastgelegd en door afspelen van de tape ten gehore gebracht. De eerste experimenten dateren uit de jaren 50. Ook wordt electronische Muziek op het podium ten gehore gebracht aangevuld met live-instrumentale/ Vocale Muziek. De principes van de electronische Muziek vind je vandaag in synthesizers en computerprogramma's en dus in alle vormen van moderne Muziek.

Musique concrète: het maken van Composities op tape door het opnemen, combineren en veranderen van 'natuurlijke' geluiden. Door knippen en plakken van tapes, de looprichting en snelheid veranderen en door zogenaamde 'loops', kan het natuurlijke Geluid onherkenbaar worden. Eerste experimenten vinden plaats rond 1950. Deze Techniek is inmiddels volledig achterhaald door de inzet van computers met geavanceerde software.

Serialisme (vanaf 1950)
De aanleiding tot het ontstaan van het Serialisme was drievoudig:
de compostie Modes de valeurs et D'intensités van de Franse Componist Olivier Messiaen;
een nieuw begrip van het dodecafone werk van de in 1945 overleden Anton Webern;
de in het kielzog van de Tweede Wereldoorlog ontstane hype over codes en coderingen.
Het Serialisme begon feitelijk met het werk van de Belgische Componist Karel Goeyvaerts, en werd wereldberoemd door het werk

van (en de propaganda daarover door) de Duitse Componist Karlheinz Stockhausen en de Franse Componist Pierre Boulez. Zij breidden het 12-toons idee van Schoenberg uit over alle 'muzikale parameters': Toonhoogte, toonduur, Toonsterkte, Toonkleur.

Zo ontstonden complexe schema's, die aan de Composities ten grondslag lagen. Het Serialisme betekende echter de definitieve breuk met het 'grote publiek', dat werd verteld, dat het deze Muziek niet kon volgen. Voor Stockhausen en Boulez was het ondenkbaar dat hun Muziek begrepen kon worden, zonder ook de achterliggende systemen te begrijpen. Dat het grote publiek voor Muziek traditioneel altijd uit leken had bestaan, werd daarbij gemakshalve even overgeslagen.
Seriële muziek
In Twaalftoonsmuziek is er sprake van een Reeks, waarin een Toon pas mag terugkomen als eerst de elf andere chromatische tonen aan de beurt zijn geweest. In seriële Muziek zijn er veel meer reeksen mogelijk. Niet alleen de toonhoogte-reeks maar ook reeksen van Ritme, Tempo, Klankkleur en Dynamiek. Het componeren van seriële Muziek is een nogal rekenkundig gebeuren.

Het uitvoeren van deze Muziek is zeer moeilijk en in de praktijk wordt de geschreven Muziek met veel vrijheid geïnterpreteerd. Er is een grote kloof tussen de uiterste precisie van de genoteerde Muziek en het klinkend resultaat. De reactie is dan....:

Aleatoriek is dus een reactie op het rekenkundige en precieze van de seriële Muziek. Aleatorische Muziek is Muziek waarbij bewust gebruik wordt gemaakt van toeval en onberekenbare factoren. Dit kan op het niveau van de Compositie gebeuren maar ook op het niveau van de uitvoering.

Minimal Music (vanaf 1970) is in principe eenvoudig: een beperkt aantal ritmische en melodische patronen worden Constant herhaald (ostinato), maar met kleine variaties en faseverschuivingen. Het resultaat is een éindeloos' voortgaand klankproces. Bij deze Muziek hoort een meditatieve musiceer- en luisterhouding.New complexity (vanaf 1975)

Nieuwe eenvoud (vanaf 1980)

Post Modernisme (vanaf 1968)

Computers en muziek
Computers zijn o.a. een hulpmiddel voor de besturing van electronische Muziek. Dit kan gebeuren in het compositieproces en bij de uitvoering.

Tenslotte.........
In veel Muziek van de 20e eeuw komen clusters voor (al in 1912 in Amerika). Dit zijn zeer dissonante samenklanken van dicht bij elkaar liggende tonen. Op de Piano speel je ze met de vlakke hand of de onderarm. In een vioolpartij van een werk voor Orkest: iedere speler speelt gelijktijdig een ander Toon: C, Cis, D, Dis, E enz. Kenmerkend is ook het onconventioneel gebruik van Muziekinstrumenten: behalve om de 'normale' klanken te spelen, is het op veel instrumenten mogelijk er alle mogelijke geluiden uit te halen.

In een Grafische Partituur wordt in de Vorm van Grafische tekeningen en symbolen de Muziek uitgebeeld. Grafische Partituren horen bij aleatorische Muziek en electronische Muziek.

Stijlkenmerken
Tonaliteit
De Tonaliteit was het eerste muzikale element dat spectaculaire veranderingen onderging. Het uitgangspunt van het tonale stelsel, dat er vanuit een welbepaald tooncentrum (tonica) vaste relaties tussen toonhoogtes bestaan (dominant en Subdominant), waardoor de luisteraar ongeveer kan verwachten wat hij te horen krijgt, begon te wankelen.

Aan het eind van de romantische Periode, verzwakte door de steeds verdergaande toepassing van Chromatiek, de traditionele tonale relaties. Ook kwam de klassieke Tonaliteit door veelvuldige modulaties naar 'vreemde' toonsoorten flink onder druk te staan. Maar de majeur-en mineurtoonladders overheersten nog steeds.

In het begin van de 20e eeuw begonnen componisten de Tonaliteit echter geheel anders te behandelen en niet lang daarna werd het aloude stelsel door enkele componisten geheel geëlimineerd. Eerst werden afwijkende toonladders (pentatonische,

heletoons-, octotonische en kwarttoonstoonladders) populair en vervolgens werden twee of meer verschillende toonladders gelijktijdig in één Compositie gebruikt (bi- en Polytonaliteit). Omdat door het gebruik van deze toonladders niet aan het traditionele verwachtingspatroon van de luisteraar voldaan werd, vereiste deze Muziek een geheel andere luisterhouding. Dit geldt in het bijzonder voor de situatie na de introductie van de a-tonaliteit (twaalftoontechniek, serialisme).

Ritme en tempo
In het algemeen geldt dat de Ritmiek in de 20e eeuwse kunstmuziek meer nadruk krijgt dan de melodievorming. motieven zijn vaak gesyncopeerd en het samengaan van twee of meer gelijktijdige melodische lijnen in verschillende maatsoorten en met verschillende ritmen resulteerde in Polymetriek en polyritmiek. Daarnaast worden asymetrische maatsoorten met verdelingen in vijven of zevenen gebruikt en kan de maatsoort in elke maat

wijzigen.
De meest baanbrekende daad op het terrein van de Ritmiek stelde Igor Stravinsky vroeg in de eeuw met zijn Balletmuziek 'Le Sacre du Printemps' (1913).

Melodie
Door grote melodische intervallen te gebruiken (die onderling geen Tonaal verband vertonen), schreven 20e eeuwse componisten vaak grillige melodieën. De melodieën zijn meestal kort, gebroken en gefragmenteerd.

Samenklank en harmonie
Veel twintigste eeuwse componisten vermeden geijkte drieklankconstructies en gaven de voorkeur aan een Harmonie van kwarten (gebaseerd op kwartintervallen), van clusters (gebaseerd op secunden) of akkoorden (van welke aard dan ook) die gebaseerd waren op enkele tonen uit de twaalftoonreeks. In het algemeen werd de Harmonie daardoor veel dissonanter dan in vroegere stijlperioden.

Twintigste eeuwse componisten gebruikten akkoorden als autonome kleurwaarden. Zij gebruikten akkoorden niet langer zoals vroegere componisten (waar het ene Akkoord wordt opgevolgd door een voorspelbaar ander Akkoord; functionele Harmonie). Dit resulteerde in 'niet functionele Harmonie', die vooral zijn wortels heeft in de Muziek van Debussy

klankleur
Klankkleuren van traditionele instrumenten worden uitgebreid door ander speeltechnieken: strijkers bespelen hun instrument met het Hout van de Stok (col legno) of vlak bij de Kam (col ponticello) blazers ontwikkelen Technieken om twee tonen tegelijkertijd te laten klinken de Piano wordt soms aan de binnenkant op de snaren en het klankbord bespeeld. De Componist John Cage (1912-1992) stak diverse voorwerpen (zoals gummetjes, bierviltjes en schroeven) tussen de snaren van de Piano om de Klank te veranderen. De Piano op deze manier bewerken wordt 'prepared Piano' genoemd. Door de aanwending van nieuwe geluidsbronnen (synthesizer), elektronische versterking en manipulatie, de opkomst van de computer en geavanceerde software, zijn de mogelijkheden vrijwel onbegrensd. Ook het gebruik van de menselijke Stem veranderde: vaak werd de Stem meer als een ínstrument' (met zeer veelzijdige en specifieke mogelijkheden om klanken voort te brengen) aangewend dan als de geijkte Zangstem. Voor sommige vocale Composities werd de 'Sprechstimme', die het midden houdt tussen zingen en spreken, voorgeschreven.

Dynamiek en Vorm: De twee muzikale elementen die in de 20e eeuw niet drastisch veranderden, zijn Dynamiek en Vorm. De 20e eeuwse componisten hebben de neiging extreme dynamische contrasten te vermijden (dit in tegenstelling tot hun romantische collega's).

Vrij klankidioom: Waar Debussy het Akkoord verzelfstandigde en Schönberg en zijn leerlingen de enkele Toon, gaat Edgar Varèse (1883-1965) verder. Hij verbrak de traditionele band tussen Melodie, Harmonie en Ritmiek op radicale wijze. Bij Varèse hebben tonen, akkoorden en ritmische patronen een volkomen autonome betekenis. Hij schiep op die manier een klankenidioom dat geheel 'vrij' is.

XXste Eeuw II met Jazz en pop.

TWINTIGSTE EEUW 2
Eerste decennium: Ragtime, Scott Joplin (1868-1917), Blues, worksong, Gospel vanuit 19e eeuw door zwarten
Jaren tien: New Orieans en Dixieland, W.C. Handy (1873-1958)
Jaren twintig: Chicago Jazz, Jimmy McPartland,
Jaren dertig: Swing, Duke Ellington (1899-1974), George Gershwin (1898-1937),
Jaren veertig: Bebop, Charlie Parker (1920-1955), Rhythm & Blues, Fats Domino (1929-),
Jaren vijftig: Cool Jazz en Free jazz, The Modern Jazzquartet, Rock-'n-roll, Elvis Presley (1935-1977), Tango, Adler/Ross
Jaren zestig: Bossa nova, Antonio Carlos Jobim, Filmmuziek, Ennio Moricone, Folkmusic, Bob Dylan (1941-), Country-rock, Crosby, Engelse bluesrock, The Rolling Stones, Merseybeat, The Beatles, Psychedelische rock, Soul en Funk, James Brown,
Jaren zeventig: Symfonische pop, Pink Floyd, Disco, KC and the Sunshine Band, Reggae, Bob Marley, Punk, Sex Pistols,
Jaren tachtig: Fusion, Miles Davis, Rap, Valentin Schmitt, De Song, Scorpions,
Jaren negentig: Dance en House, Jonas Joker Berggren, Techno, R&B, Hiphop,

Muziekgeschiedenis
muziekgeschiedenis1 (tot 1800)
604 Op 12 maart sterft paus Gregorius I in Rome. Hij wordt beschouwd als de hervormer van de Romeinse Kerkmuziek. Bovendien verleende hij zijn naam aan de gregoriaanse Muziek.
1050 De Italiaanse muziektheoreticus Guido van Arezzo sterft. Hij was de grondlegger van het moderne Notenschrift.
1250 De Ars Nova, zo genoemd naar een tractaat over Muziek van Philippe de Vitry (1322/1323), treedt in de plaats van de ars antiqua.
Het pijpwerk van de Orgel wordt voor het eerst onderverdeeld in registers.
1270 In de zogenaamde "Codex Montpellier" worden in totaal ongeveer 330 Composities opgenomen. Deze Verzameling van partituren vormt de belangrijkste bron van kennis over het Motet tijdens de ars antiqua.
1420 De eerste generatie van de Franco Vlaamse School met Guillaume Dufay en Gilles Binchois als voornaamste vertegenwoordigers maakt haar opwachting. Deze eerste "Bourgondische" School van de Nederlandse Polyfonie vond haar inspiratie in de Engelse stijl van John Dunstable.
1460 Op 20 sept. sterft de Zuid-Nederlandse Componist Gilles Binchois. Diens kerkmuzikale Composities, waaronder vooral motetten, vormden de Overgang tussen de Gotiek en de Renaissance en inspireerden de zogenaamde Tweede Nederlandse School waartoe Johannes Ockeghem en Jacob Obrecht behoorden.
De Pauk wordt uitgevonden.
1576 Hans Sachs, de beroemde Meistersinger, overlijdt op 19 januari in Neurenberg. Zijn dood luidt het einde van de Meistersang-traditie in.
1598 Jacopo Peri componeert "Daphne", de allereerste Opera van de muziekgeschiedenis.
1600 De muzikale Periode van de Barok breekt aan. Kenmerkend voor deze Periode zijn de hernieuwde belangstelling voor de Polyfonie en de introductie van de majeur-mineur-tonaliteit. Nieuwe muziekgenres als de Opera, het Oratorium en de Cantate worden ontwikkeld. De lange lijst van beroemde componisten van de Barok reikt van Claudio Monteverdi over Antonio Vivaldi en Georg Friedrich Händel tot aan Johann Sebastian Bach. Het overlijden van Bach in 1750 vormt het einde van de Barok.
Andrea Amati, de Italiaanse vioolbouwer, ontwerpt de moderne viool die door zijn zonen verder wordt ontwikkeld.
1620 Grandi ontwikkelt de Cantate.
1630 De Solosonate, een Compositie voor een melodie-instrument (viool, Fluit, Hobo etc.) met Basso Continuo vestigt zich als standaardmuziekgenre.
1637 In Venetië wordt het eerste operagebouw geopend. Daarvoor was Opera een exclusieve aangelegenheid van de adel.
1653 Arcangelo Corelli, de grondlegger en grootmeester van het Concerto Grosso, wordt geboren in Fusignano bij Ravenna.
1681 Georg Philipp Telemann, de wegbereider van de klassieke stijl, wordt geboren op 25 juni in Hamburg.
Jean Baptiste Lully bereikt het toppunt van zijn roem: hij wordt benoemd tot Secrétaire du Roi. Aan het hof van Lodewijk XIV legt Lully samen met Molière de basis voor een zelfstandige Franse operatraditie.
In Frankrijk treedt voor het eerst een balletdanseres op in het openbaar. Het Ballet was daarvoor een exclusieve aangelegenheid van de adel.
1690 Johann Christoph Denner vervaardigt voor het eerst een Klarinet. Vanaf de 19de eeuw zou het instrument een vaste plaats verwerven in het Orkest.
1705 De 20-jarige Johann Sebastian Bach zoekt Dietrich Buxtehude op, de grote Organist die omwille van zijn grote talent als improvisator en Componist de "Magiër van het Noorden" werd genoemd.
1709 Bartolomeo Christofori slaagt er met de Ontwikkeling van de hamertechniek in een doorbraak te realiseren in de Ontwikkeling van de Piano. Ongeveer 34 jaar later perfectioneert Johann Gottfried Silbermann de mechaniek.
De Londense herbergier Binet organiseert voor het eerst wekelijkse concerten.
1720 Langzaam voltrekt zich een Ontwikkeling van de zwaarwichtige en pathetische Barok naar een speelse en lichte stijl die men als Galante stijl is gaan omschrijven. Tot de vertegenwoordigers van deze stijl behoorden o.a. Georg Philipp Telemann en Johann Joachim Quantz.
1724 Op 7 april vindt in de Nikolaikirche van Leipzig de première van de Johannespassie van J.S. Bach plaats onder leiding van de Componist zelf.
1728 Op 9 februari vindt de première van The Beggar's Opera plaats. Deze nieuwe operavorm wordt tegenover de Opera Seria en de Opera Buffa Ballad Opera genoemd. De in Engeland bijzonder succesrijke Opera van J.C. Pepusch op tekst van John Gay vormde de inspiratiebron van de "Dreigroschenoper" van Bertolt Brecht (met Muziek van Kurt Weill.)
1733 De Opera "La serva padrona" van Giovanni Battista Pergolesi ligt aan de basis van het ontstaan van een nieuw operagenre, de zogenaamde Opera Buffa.
1740 Napels groeit uit tot het onbetwistbare centrum van het Italiaanse muziekleven. De aanhangers van de zogenaamde Napolitaanse School ontwikkelen de voornaamste Italiaanse operagenres, de Opera Seria, de Opera Buffa en de Opera Semiseria. De Romein Pietro Metastasio is de meest beroemde librettist van deze tijd.
1742 Op 13 april vindt in Dublin de première plaats van het Oratorium The Messiah van Georg Friedrich Händel. Op verzoek van de Componist lieten de dames hun hoepelrokken thuis zodat er ongeveer 100 mensen meer de uitvoering van het Oratorium konden bijwonen in Neal's Music Hall. Tijdens het leven van Händel werd het uiterst populaire werk niet minder dan 70 keer uitgevoerd.
1750 Het jaar van het overlijden van Johann Sebastian Bach - en het einde van de Barok in de Muziek. De publieke belangstelling voor het werk van Johann Sebastian is tegenwoordig heel wat minder groot dan voor de Muziek van zijn zonen, Carl Philipp Emanuel, Johann Christoph en Johann Christian.
Antonio Salieri, de grote concurrent van W.A. Mozart aan het Weense hof, wordt geboren op 18 aug. in de buurt van Verona.
1762 Christoph Willibald Gluck geeft met "Orfeo" de aanzet tot een grote hervorming van het operagenre en tot de daaruit voortvloeiende bittere strijd tussen de "gluckisten" en de "piccinisten," de aanhangers van het Italiaanse belcanto-ideaal.
Leopold Mozart begeeft zich samen met zijn twee wonderkinderen, Wolfgang Amadeus en Nannerl, op een concertreis doorheen Europa.
1765 De Periode van de Sturm Und Drang in de Literatuur breekt aan. Ook enkele componisten, waaronder Carl Philipp Emanuel Bach, voelen zich door de literaire stroming aangesproken.
1781 Het sleuteljaar van de Klassiek waarin W.A. Mozart de Opera "Entführung aus dem Serail" componeert en Joseph Haydn met zijn Jungfern-kwartetten de basis van de zogenaamde "klassieke stijl" legt. Men spreekt ook vaak van de Weense Klassiek omdat het muzikale epicentrum van de klassieke stijl zonder enige twijfel Wenen was. De Dood van Beethoven in 1827 wordt vaak als het eindpunt van de klassieke Periode in de Muziek beschouwd.
In Leipzig wordt het Gewandhausorkest opgericht. Dit symfonische Orkest, dat tot de oudste Duitse muziekensembles behoort, musiceerde onder de leiding van grote dirigenten als Felix Mendelssohn Bartholdy, Wilhelm Furtwängler en Kurt Masur en geniet ook vandaag nog een uitstekende reputatie.
1786 Op 1 mei vindt de première van Le Nozze di Figaro van Wolfgang Amadeus Mozart plaats in het National-Hoftheater in Wenen.
1792 De Franse genieofficier Claude Joseph Rouget de Lisle schrijft in de nacht van 24 op 25 april de tekst en de Melodie van de Marseillaise. De Compositie werd drie jaar later uitgeroepen tot het officiële Franse Volkslied.
1797 Joseph Haydn componeert de keizershymne "Gott erhalte Franz den Kaiser". De Melodie van de Hymne ligt ten grondslag aan het huidige Duitse Volkslied.
1798 In Wenen vindt de ontmoeting plaats tussen de Franse vioolvirtuoos Rodolphe Kreutzer en Ludwig van Beethoven. Zeven jaar later voltooit Beethoven zijn Kreutzersonate op. 47 die hij opdraagt aan de Fransman.
muziekgesch. 2 (1800-1899)
1804 De Symfonie nr. 3 van Ludwig van Beethoven, beter bekend onder de benaming "Eroica", beleeft haar première in augustus. Beethoven zou de titelbladzijde met de oorspronkelijke benaming "Bonaparte" woedend hebben verscheurd toen hij had vernomen dat Napoleon I zich tot keizer had laten kronen. Het orkeststuk vormt de Overgang naar Beethovens grote symfonieën.
1811 S. Érard ontwerpt de Harp zoals wij die nu kennen. Het tokkelinstrument bestond echter al bijna 5.000 jaar.
1816 Johann Nepomuk Mälzel vindt de metronoomuit, een slinger met een regelbaar aantal tikken per minuut. Het toestel helpt de beginnende musicus de juiste Maat te houden.
1817 Op 10 oktober overlijdt de Franse musicus Etienne Nicolas Méhul in Parijs. Hoewel hij door zijn tijdgenoten op handen werd gedragen, nam Méhul tijdens zijn laatste levensjaren vervroegd afscheid van het openbare leven om zich toe te leggen op de tulpenkweek.
In Duitsland wordt voor het eerst het "Niederrheinische Musikfest" georganiseerd. Hiermee werd een langdurige traditie van muziekfestivals ingezet waarin vooral het oratoriumgenre aan bod kwam.
Franz Schubert componeert zijn eerste pianosonates en bekende stukken als het "Forellenkwintet" en Der Tod und Das Mädchen.
1819 Ludwig van Beethoven is volledig doof geworden. De Componist communiceert enkel nog met zijn omgeving D.m.v. zogenaamde "Konversationshefte" [lett. "communicatieschriften"]. Dit weerhoudt Beethoven er echter niet van gedurende zijn volgende 5 levensjaren nog enkele baanbrekende en ook nu nog onvergetelijke Composities te schrijven.
1824 Op 7 mei vindt in het Kärtnertortheater in Wenen de première van Beethovens 9de en laatste Symfonie plaats. Daarmee breekt een nieuw symfonisch tijdperk aan: de Symfonie wordt voor het eerst uitgebreid met solostemmen en een Koor. Daarom spreekt men ook nu nog van Beethovens "Koorsymfonie".
1825 Op 6 januari opent het Bolsjoitheater in Moskou voor het eerst zijn deuren. Sindsdien is de schouwburg niet meer weg te branden uit de Russische muziekgeschiedenis. Zowat alle grote Russische componisten, waaronder Peter Tsjaikovski, Modest Moessorgski en Nikolai Rimski-Korssakov, stelden er hun nieuwe Composities voor. Tegenwoordig is de naam van het Bolsjoitheater vooral verbonden met die van het gelijknamige balletgezelschap.
De Weense Wals maakt furore in de Oostenrijkse hoofdstad. Grootmeesters van het Genre waren Johann Strauss (vader) en vooral de "Koning van de Wals" Johann Strauss (zoon).
Antonio Salieri, de antipode van Wolfgang Amadeus Mozart, overlijdt op 7 mei in Wenen.
1827 Beethovens dood betekent het definitieve einde van de klassieke Periode in de muziekgeschiedenis. Ook het late werk van Beethoven vertoonde echter al romantische trekken.
Fromental Halévy oogst voor het eerst succes als operacomponist met "L'artisan".
Franz Schubert werkt aan de liederencyclus "Die Winterreise". Daarnaast voltooit de Componist zijn "Deutsche Messe".
De operalibrettist Lorenzo Da Ponte publiceert zijn memoires.
1829 Op 11 mei wordt op initiatief van Felix Mendelssohn Bartholdy de Mattheuspassie voor het eerst sinds De Dood van Bach opnieuw uitgevoerd. Hiermee trok Mendelssohn een proces van herwaardering op gang voor het werk van de wellicht grootste Componist aller tijden.
Gioacchino Rossini's laatste Opera Guillaume Tell gaat in première te Parijs.
Hector Berlioz geeft met zijn "Symphonie Fantastique" de eerste aanzet tot de Ontwikkeling van de zogenaamde Programmamuziek.
De Russische Componist en pianovirtuoos Anton Rubinstein wordt geboren op 16 november.
1834 Robert Schumann richt het "Neue Zeitschrift für Musik"op waarin hij onder de pseudoniemen Eusebius, Florestan en Meister Raro talrijke recensies en Essays publiceert.
1841 Op amper 4 dagen tijd ontwierp Robert Schumann zijn eerste Symfonie met de titel Frühlingssymphonie. Filmregisseur Peter Schamoni gaf zijn film uit 1983 over de liefdesrelatie tussen de Componist en Clara Wieck - vertolkt door Herbert Grönemeyer en Nastassja Kinski - dezelfde naam.
1842 Het New York Philharmonic Orchestra wordt opgericht. Dit gezelschap behoort nog steeds tot de meest toonaangevende orkesten ter wereld.
1850 Op 28 aug. vindt de première plaats van Richard Wagners romantische Opera Lohengrin in de schouwburg van de groothertog van Weimar.
1856 Het jaar waarin Johannes Brahms De Dood van zijn vriend Robert Schumann betreurt. Nog in hetzelfde jaar vervaardigt Brahms de eerste ontwerpen voor zijn Deutsches Requiem. De première laat echter nog 13 jaar op zich wachten en vindt plaats op 18 februari 1869.
Franz Liszt legt de laatste hand aan zijn symfonische gedicht "Hungaria". Daarnaast wordt zijn Graner Festmesse uitgevoerd en werkt de Componist aan zijn Hongaarse Rapsodieën.
Richard Wagner voltooit Die Walküre en begint te werken aan "Siegfried".
1862 Ludwig Köchel stelt een chronologisch-thematisch overzicht op van de werken van Wolfgang Amadeus Mozart, dat sindsdien als het "Köchel-Verzeichnis" bekendstaat.
1871 De Opera Aïda van Giuseppe Verdi gaat in première op 24 dec. in Caïro. Het werk van de grote tegenhanger van Richard Wagner kende veel succes.
1875 Georges Bizets Opera Carmen wordt zeer negatief ontvangen tijdens de première op 3 maart. Bizet, die zich inzette voor een reveil van het Genre van de opéra comique, maakte het latere eerherstel van zijn Opera zelf niet meer mee. Hij stierf drie maanden na de première aan een hartaanval.
Antonin Dvorák ontvangt op voorspraak van Johannes Brahms een beurs van drie jaar "voor jonge, getalenteerde en arme kunstenaars".
1876 Op 43-jarige leeftijd voltooit Johannes Brahms zijn eerste Symfonie. Naar eigen zeggen wachtte hij zo lang uit ontzag voor het meesterschap van Ludwig van Beethoven. Niettemin wordt het symfonische werk van Brahms gerekend tot het beste van wat de Romantiek heeft voortgebracht.
1882 De Berliner Philharmoniker worden opgericht. Het tegenwoordig wereldberoemde Orkest speelde onder leiding van wereldbefaamde dirigenten als Richard Strauss, Wilhelm Furtwängler, Sergiu Celibidache en Herbert von Karajan.
Igor Stravinsky, één van de belangrijkste componisten van de 20ste eeuw, wordt op 17 juni geboren in de buurt van Sint-Petersburg. In Hongarije wordt op 16 december Zoltán Kodály geboren, één van de grondleggers van de Etnomusicologie.
Richard Wagner voltooit zijn Bühnenweihfestspiel "Parsifal" dat nog in hetzelfde jaar in Bayreuth onder leiding van Hermann Levi in première gaat.
De eerste druk van Hugo Riemanns "Muzieklexicon" wordt uitgegeven in Leipzig.
1883 Op 22 okt. wordt in New York het Metropolitan Opera House plechtig geopend. Beroemdheden als Enrico Caruso, Gustav Mahler en Arturo Toscanini hielpen het Amerikaanse operahuis aan een schitterende internationale reputatie.
Richard Wagner, de meest toonaangevende Duitse operacomponist van de 19de eeuw, sterft in Venetië.
Johannes Brahms voltooit zijn derde Symfonie, die in Wenen onder leiding van Hans Richter in première gaat.
Anton Bruckner componeert een Te Deum, Gustav Mahler werkt aan zijn "Liedern eines fahrenden Gesellen" en Antonin Dvorák legt de laatste hand aan zijn Stabat Mater.
Friedrich von Flotow sterft op 24 januari in Darmstadt; Anton Webern wordt geboren in Wenen op 3 december.
1890 Op 4 november gaat in Sint-Petersburg de Opera Vorst Igor van Alexander Borodin in première. De Componist stierf voordat de Opera af was, waarop Nikolai Rimski-Korssakov en Alexander Glazoenov het werk voltooiden.
1894 Aanvang van de Periode van het Impressionisme in de Muziek met de première van Debussy's Prélude à l'après-midi D'un faune. Het Impressionisme werd gekenmerkt door de afwezigheid van een duidelijke Structuur of Vorm. Tot de vertegenwoordigers van deze stroming behoorden naast Claude Debussy ook Maurice Ravel, Manuel de Falla en Ottorino Respighi met enkele werken.
Anton Bruckner componeert de eerste en de derde beweging van zijn onafgewerkt gebleven 9de Symfonie die hij opdraagt aan "de lieve God".
Drie Opera's van Jules Massenet gaan in première, waaronder ook "Le portrait de Manon".
Het verzamelde werk van Orlandus Lassus in 21 Delen wordt uitgegeven door Adolf Sandberger en F.X. Haberl. In Leipzig wordt de muziekbibliotheek van Peter de Grote opgericht.
Hans von Bülow sterft in Caïro op 12 februari. In St.-Petersburg overlijdt Anton Rubinstein op 20 november.
muziekgesch. 3 (1900-1949)
1900 Louis Armstrong wordt geboren op 4 juli. Satchmo, zoals Armstrong later wegens zijn brede mond wordt genoemd, drukte jarenlang zijn stempel op de Jazz. Zijn geboortstad New Orleans groeit snel uit tot het centrum van het jonge muzikale Genre.
De wereldvermaarde Tenor Enrico Caruso neemt zijn eerste werk op plaat op en draagt zo bij tot de groeiende populariteit van de grammofoon.
Kurt Weill, die vooral bekendstaat om zijn latere samenwerking met Bertolt Brecht, wordt geboren op 2 maart in Dessau.
Giuseppe Verdi's Opera "Tosca" gaat in première in Rome.
Arnold Schönberg begint met de Compositie van zijn "Gurrelieder".
1908 Maurice Chevalier geeft zijn eerste optreden in de "Folies Bergères" in Parijs. De Chansonnier en toneelspeler helpt later verschillende jonge muzikale talenten, waaronder Edith Piaf, in hun carrière.
1909 Sergei Diaghilev sticht "Les Ballets Russes" en stuwt zo de Ontwikkeling van het Ballet in een nieuwe richting.
1911 Met de uitgave van zijn werk over Harmonieleer schrijft Arnold Schönberg een nieuw hoofdstuk in de muziekgeschiedenis.
1914 De 24-jarige Benjamino Gigli wint het zangconcours van Parma. Vier jaar later debuteert de Tenor in de Scala van Milaan. Vanaf 1920 is Gigli langdurig verbonden aan de Metropolitan Opera van New York.
1915 In Wenen vindt de première van "Die Czárdásfürstin" van Emmerich Kálmán plaats. Hiermee treedt de Componist in de voetsporen van Johann Strauß (zoon) en Franz Lehár als ongekroonde Koning van de Hongaarse Operette.
1918 In Parijs wordt de Groupe Des Six opgericht. Deze groep van zes componisten, waartoe Arthur Honegger en Francis Poulenc behoorden, zette zich af tegen de heersende muzikale opvattingen van de Romantiek en het Impressionisme.
De wegbereider van de Nieuwe Muziek, Claude Debussy, sterft op 25 maart in Parijs.
Igor Stravinsky's "L'histoire du soldat" gaat in première in Lausanne onder leiding van Ernest Ansermet.
Edgar Varèse componeert het uit slechts één enkele beweging bestaande symfonische gedicht "Amériques". Het is het vroegste werk dat van de Componist is bewaard gebleven.
In Leipzig wordt Günther Ramin aangesteld als Organist en Karl Straube als Cantor aan de Thomaskirche.
1920 De première van Igor Stravinsky's Ballet "Pulcinella" op 15 mei luidt het begin in van het Neoclassicisme. Deze muzikale stroming ontstond als reactie tegen de Romantiek en het Impressionisme en streefde naar een terugkeer naar de muzikale vormen van de Barok en de Klassiek. Het Neoclassicisme was de dominante muzikale stijlrichting tot ongeveer 1950.
De Jazz verovert Europa en doet in de eerste plaats dienst als dansmuziek.
Max Bruch, de Componist van het beroemde vioolconcert, sterft in Berlijn op 2 oktober.
Wilhelm Furtwängler debuteert als Dirigent in Berlijn.
Joseph Maria Hauer publiceert het eerste theoretische werk over de twaalftoonmuziek die door hem nog met de term "klankkleurtonaliteit" wordt omschreven.
Maurice Ravel voltooit zijn orkeststuk "La Valse"; Hans Pfitzner begint met de Compositie van zijn Cantate "Von deutscher Seele".
1923 Maria Anna Cecilia Sofia Kalogeropoulos wordt geboren in New York op 3 december. Jaren later wordt ze als Maria Callas wereldberoemd. Tot op heden wordt de met een ongewoon stembereik en dramatische expressiviteit begiftigde Sopraan als de grootste operazangeres van de 20ste eeuw beschouwd.
1925 Josephine Baker gooit hoge ogen in Parijs. De danseres in het bananenrokje maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Franse Résistance.
1928 George Gershwin componeert An American in Paris. Ook de invloed van de Jazz op de Klassieke Muziek neemt toe. Het instrumentarium van "An American in Paris" bevat zelfs een Claxon.
1934 Béla Bartók begint met zijn studie van het Volkslied in opdracht van de Hongaarse Academie der Wetenschap. Door zijn grote belangstelling voor de Volksmuziek lag Bartók samen met Zoltán Kodály aan de basis van de Ontwikkeling van een nieuwe muziekdiscipline, de Etnomusicologie.
1935 Herbert von Karajan wordt op 27-jarige leeftijd aangesteld als jongste eerste Dirigent van Duitsland ooit. Na een weergaloze carrière als orkestleider wordt von Karajan ontdekt door de muziekindustrie die van hem de meestverkochte Dirigent van de 20ste eeuw maakt.
Paul Hindemith emigreert uit Duitsland nadat zijn Composities door de nationaal-socialisten op de index zijn gezet. Zwitserland en later de Verenigde Staten verlenen hem asiel.
Luciano Pavarotti wordt geboren in Modena op 12 oktober. De Italiaanse Tenor is naast José Carreras en Placido Domingo één van de grote operasterren van de jaren '80 en '90.
George Gershwins Opera Porgy and Bess gaat in première.
Paul Dukas sterft op 15 mei in Parijs; Alban Berg op 24 december in Wenen.
De Rumba ontwikkelt zich tot een ware dansrage.
In de Verenigde Staten ontwikkelt Laurens Hammond de Hammondorgel.
1940 In de Verenigde Staten breekt de Bebop door als een reactie tegen de toenemende commercialisering van de Swing.
1942 Op 25 maart wordt Aretha Franklin geboren in Detroit. De Amerikaanse, die van kindsbeen af regelmatig in een gospelkoor meezingt, groeit met haar indrukwekkende stembereik van ongeveer 4 octaven uit tot het uithangbord van De Internationale soul- en gospelscène.
Gene Kelly tekent een contract bij de Amerikaanse filmmaatschappij Metro-Goldwyn-Mayer. In een mum van tijd ontpopt de danser, choreograaf en acteur zich tot een filmster in Hollywood.
Tussen Alan Jay Lerner en Frederick Loewe begint een samenwerking die uitmondt in het grootste commerciële succes uit de geschiedenis van de filmmusical. Het Duo leverde kaskrakers af als My Fair Lady en Gigi.
Paul Hindemith componeert zijn "Ludus tonalis" voor Piano.
De Kamertoon A wordt wereldwijd opnieuw op 440 Hz vastgelegd.
Dmitri Sjostakovitsj schrijft zijn 7de Symfonie tijdens de belegering van Leningrad.
Hugo Distler pleegt zelfmoord door van een orgelgalerij te springen.
1943 Op 14 november vervangt Leonard Bernstein de zieke Bruno Walter als Dirigent van het New York Philharmonic Orchestra. Dit betekende het begin van de roemrijke carrière van één van de belangrijkste dirigenten van de 20ste eeuw die daarnaast ook enkele onvergetelijke eigen Composities schreef, waaronder de Muziek voor de Musical West Side Story.
1948 Dietrich Fischer Dieskau debuteert aan de Opera van Berlijn. Naarmate hij ouder werd, legde de Zanger zich steeds meer toe op het kunstlied. Fischer Dieskau lag mee aan de basis van de revival van de liederen van Schubert.
Op 22 maart wordt Andrew Lloyd Webber, de meest succesvolle musicalcomponist ooit, geboren in Londen.
Op 24 oktober overlijdt de operettecomponist Franz Lehár in Bad Ischl.
George Balanchine richt in New York het City Ballet op.
Yehudi Menuhin geeft een Concert tijdens de VN-vergadering waarin de Verklaring van de Rechten van de Mens wordt aangenomen.
Twee grote Duitse solisten worden ten Grave gedragen: de Tenor Richard Tauber (8 jan.) en de Violist Georg Kulenkampff (4 okt.).
1949 Pierre Schaeffer lanceert het begrip musique concrète waarmee een nieuwe stijlrichting in de 20ste-eeuwse Muziek wordt ingeluid. Schaeffers procédé bestond erin geluiden en klanstructuren van concrete oorprong (v.b. vogelgeluiden) elektronisch op te nemen en tot "muziek" te verwerken.
Friedrich Blume begint te schrijven aan de encyclopedie "Die Musik in Geschichte und Gegenwart" (MGG).
Hans Pfitzner overlijdt op 22 mei te Salzburg; Richard Strauss op 8 september in Garmisch-Partenkirchen.
De Samba wordt een ware dansrage.
Leonard Bernstein begint aan zijn Musical West Side Story.
Muziekgesch. 4 (sinds 1950)
1950 In het Baden-Württembergische Donaueschingen begon men met een muziekfestival. Tot heden zijn deze Donaueschinger Musiktage een van de belangrijkste muziekweken voor componisties van eigentijdse Muziek in de wereld.
1953 Nicolaus Harnoncourt stichtte het ensemble Concentus Musicus Wien. Door haar historische uitvoeringen wordt dit Orkest al gauw tot een van de meest gewaardeerde ensembles voor barokmuziek.
1955 Peter van Dyk krijgt als eerste Duitse danser een engagement aan de Grand Opéra in Parijs; daardoor schreef hij ballettgeschiedenis.
Met de Hardbop etableerde zich an de Oostkust van de USA een nieuwe stijl in de zwarte jazzmuziek als Tegenbeweging tot de zogenaamde "witte" West-Coast-jazz.
1956 Met My Fair Lady lukt het om met het Genre Musical, eindelijk ook de Europese markt te veroveren. In 1961 werd er een zeer goed geslaagde Duitse Bewerking opgevoerd in het Berliner Theater Des Westens. De gelijknamige verfilming van de Musical met Audrey Hepburn en Rex Harrison in de hoofdrollen kreeg in 1964 met 8 oscars en werd tot film van het jaar uitgekozen.
1958 Op 16 augustus wordt Veronica Louise Ciconne in Bay City/Michigan geboren. Zo'n 26 jaar daarna verovert een extroverte zangeres en toneelspeelster De Internationale hitparades. Haar kunstenaarsnaam: Madonna.
1959 Op 28 september sterft de Engelse tubaspeler en karikaturist Gerard Hoffnung - pas 34 jaar oud - aan de gevolgen van een hartaanval. Onvergetelijk(?) zijn Composities voor was- en typemachines, tuinslang of stofzuiger.
1962 De Beatles beginnen met hun triomftocht door De Internationale hitparades. Zoals geen andere band domineren en beïnvloeden de Engelsen met hun beatmusik jarenlang de Rockmuziek.
Benjamin Britten componeert zijn War Requiem.
De Dirigent Bruno Walter (17.2.), de Violist Fritz Kreisler (29.1.) en de Pianist Alfred Cortot (15.6.) sterven.
Hanns Eisler componeert zijn "Ernsten Gesänge", een cyclus van zeven orkestliederen; nog in hetzelfde jar sterft de Componist in Berlijn.
1964 Op een leeftijd van pas 32 jaar besluit de Amerikaanse Pianist Glenn Gould, zich volledig terug te trekken uit het concertleven en verder alleen nog in studio's te werken. Gould geldt als een van de belangrijkste interpreten van de pianomuziek van Johann Sebastian Bach.
1968 De Duitse Dirigent Joseph Keilberth sterft op 20 juli tijdens een opvoering van Richard Wagners Opera "Tristan und Isolde" in het Münchner Nationaltheater.
1969 Herbert von Karajan haalt de in Ierland geboren James Galway als solofluitist naar de Berliner Philharmonikern.
1970 Kurt Masur krijgt de leiding over het Gewandhausorchesters Leipzig.
1972 Aan De Internationale carrière van Jacqueline Du Pré, de beroemdste celliste van deze eeuw en vrouw van Daniel Barenboim, kwam door een zware ziekte abrupt een einde.
Met de eerste Duitstalige album "Daumen im Wind" begint de weergaloze carrière van de Duitse rocker Udo Lindenberg.
Gottfried von Einem componeert de Opera "Besuch der alten Dame" naar het toneelstuk van F. Dürrenmatt. In Berlijn vindt de première plaats van Wolfgang Fortners toneelstuk "Elisabeth Tudor".
1975 Leadsänger Peter Gabriel verlaat de groep Genesis, en Phil Collins die tot nu toe slagwerker was wordt de nieuwe leider. Zo'n 21 jaar later in maart 1996 verklaart Collins de band te verlaten.
De componisten Boris Blacher (30.1.), Luigi Dallapiccola (19.2.), Dmitrij Schostakowitsch (9.8.) en Robert Stolz (17.6.)sterven.
In Amsterdam vindt de première plaats van de Opera "Der Kaiser von Atlantis", die door Viktor Ullmann 1944 in het concentratiekamp Theresienstadt gescheven heeft.
Karlheinz Stockhausen begint met zijn Compositie "Sirius", een modern mysteriespel voor Sopraan, Trompet, basklarinet, Bas en Elektronische Muziek.
1976 Reeds met 13 jaar weet de violiste Anne-Sophie Mutter zo'n indruk te maken op de sterdirigent Herbert von Karajan, dat hij ze engageert voor concerten met de Berliner Philharmonikern.
1977 Op 16 augustus sterft Elvis Presley in Memphis, de "King of Rock 'n' Roll". Over de doodsoorzaak wordt nog steeds gespeculeerd.
1980 Andrew Lloyd Webbers Musical Evita wordt met in totaal 7 Tonys tot Musical van het jaar onderscheiden. Ook 16 jaar later heeft de Muziek niets van zijn aantrekkelijkheid verloren: Alan Parker verfilmde de Musical met Madonna in de hoofdrol. Een topslager tot heden is: "Don't Cry For Me, Argentina".
1981 Op 11. mei wordt in Londen voor het eerst de Musical Cats van Andrew Lloyd Webber opgevoerd. Sindsdien is deze longseller bijna ononderbroken in De Internationale musicaltheaters te zien.
1982 Die Keulse dialect-rockband BAP breekt door met de album "Von drinne noh drusse". Wolfgang Niedecken maakt de groep in de daarop volgende jaren tot een absolute topper.
1983 Herbert von Karajan haalt de klarinettiste Sabine Meyer als eerste vrouw naar de Berliner Philharmonikern. Maar door interne conflicten en eren slecht werkklimaat vertrekt de 24jarige reeds na een jaar weer uit deze mannenoase.
1984 De Amerikaanse speelfilmAmadeus komt in de bioscopen. De cultus rond Wolfgang Amadeus Mozarts bereikt een nieuw hoogtepunt.
1985 Op 13 juli vindt het door Bob Geldof georganiseerde "Live Aid-Konzert" plaats, waaraan talrijke topsterren uit de muziekscène deelnemen. De opbrengst is voor de hongerenden in Afrika.
1990 Na der demokratische revolutie keert Rafael Kubelik die reeds met pensioen was nog een keer als Dirigent terfug naar Praag, nadat hij eerder in 1948 zijn vaderland had verlaten uit onvrede over de politieke ontwikkelingen. Ook Sergiu Celibidache treedt na de val van de dictator in Boedapest voor het eerst weer op als Dirigent en krijgt een stormachtig onthaal.
Kurt Masur wordt de nieuwe muziekdirecteur van hetNew York Philharmonic Orchestra; de belangrijke Dirigent krijgt bovendien in dit jaar de onderscheiding "Europeaan van het jaar".
Het drie-tenoren-spektakel bereikt zijn eerste hoogtepunt met het optreden van de zangers Luciano Pavarotti, José Carreras en Placido Domingo bij het wereldkampioenschap voetbal in Italië; de hieruit voortkomende CD-productie wordt de succesvolste klassieke productie uit de geschiedenis.
Sinds het midden van het jaar hoort Cecilia Bartoli bij de meest gevraagde operazangeressen in de wereld; ze zingt nu regelmatig in de operahuizen van New York, Paris en Milaan.
Op 8 mei werd bekend gemaakt dat de Componist Luigi Nonowas gestorven; op 14 oktober stierf Leonard Bernstein, nauwelijks twee maanden later op 2 december stierf ook Aaron Copland.
1994 In dit jaar komt de film Farinelli - Il castrato in de bioscopen. In kleurrijke beelden werd de muzikale Barok rond de beroemde Zanger Farinelliaan een breed publiek gepresenteerd; opvallend is echter vooral de poging, voor het eerst met moderne technische mogelijkheden de Stem van een Castraat te imiteren. Daarbij werden een alt- en een tenorstem vermengd.
1996 Phil Collins gaat na 25 jaar uit de band Genesis.
1997 Bob Dylan geeft aan het einde van het Eucharistisch Congres in Bologna een Concert voor paus Johannes Paulus II.; 300.000 toeschouwers juichen de volkszanger toe.
Christoph Eschenbach wordt de nieuwe artistieke leider van het Schleswig-Holstein-Musikfestivals gekozen; Justus Frantz wordt de eerste Dirigent bij de Philharmonia Hungarica; Christian Thielemann krijgt de leiding van hetOrchester der Deutschen Oper Berlin.
Drie grotere Composities van Hans Werner Henze worden voor het eerst opgevoerd: "Venus und Adonis" (11.1. in München), "Tanzstunden - ein Ballett-Triptychon" (25.5. in Schwetzingen) en "Der Prinz von Homburg" (21.9. in Berlijn).
Lorin Maazel dirigeert de première van Krzysztof Pendereckis "Die sieben Tore von Jerusalem" in de Israelische hoofdstad.
Op 21 juni geeft de Italiaanse stertenorLuciano Pavarotti in het openbaar toe dat hij geen noten kan lezen.
De wereld neemt afscheid van drie grote interpreten: op 6 januari sterft de Dirigent Sándor Végh in Salzburg, op 1 augustus de Pianist Swjatoslaw Richter in Moskou en bijna een maand later de grote orkestleider Georg Solti.

privacybeleid