kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Muziek

(Latijns/Grieks) In de Griekse oudheid bedoelde men met muziek in de eerste plaats het geheel van muzische kunsten, d.w.z. zowel de dichtkunst en danskunst als de toonkunst. Eerst later beperkte men het tot het gebied van de toonkunst.

Definitie muziek: Kunstvorm die berust op het ordenen van klankfenomenen (tonen en/of geruis). Bewust ritmisch gebruik van klanken of geruisen om daaruit een geheel te maken.

De tonen kunnen als materiaal van de muziek aangeduid worden. Het chronologisch achter elkaar staan is een manier om melodieën te vormen. Door ze tegelijkertijd naast respectievelijk boven elkaar te zetten kunnen harmonieën geschapen worden. Als bewegende krachten gelden ritme en tempo. Aaneengeschakelde principes, die het verloop ordenen, zijn de metriek en de maat. De graden van de sterkte van de tonen worden bepaald door de dynamiek. De verschillende timbres worden door de verschillende instrumenten en de menselijke stem voortgebracht.

Geschiedenis en ontwikkeling: De muziek was oorspronkelijk verbonden met cultus of andere sociale activiteiten.

Puur formeel gezien, is de geschiedenis van de muziek een ontwikkeling van de eenstemmigheid (monodie) naar de meerstemmigheid (polyphonie), van het lied tot de symfonie en opera.
Beginselen van de meerstemmigheid treft men pas aan het einde van de 8ste eeuw aan.
Een tweede belangrijk moment was rond 1600 de opkomst van het grote terts/kleine terts-systeem in Italie en het ontstaan van de generale bas ("basso continuo").

Atonale muziek: De atonale muziek van de 20e eeuw kent geen aan de regels onderworpen verhouding tussen de tonen onderling, er bestaat ook geen relatie met een grondtoonsoort. Ze ontstond als reactie op de muziek van de romantiek met haar inhoudsvoorstellingen, de twaalftoonsmuziek.

Concrete muziek: De componisten van concrete muziek ( musique concrète ) daarentegen zien in alle andere muziek het resultaat van kunstelijk voortgebrachte tonen. Ze werken met natuurlijke geluiden, die met een bandrecorder opgenomen worden (elektronische muziek).

Mythologische oorsprong
Over het ontstaan van de muziek bestaan veel legendes. In verhalen uit de laatste periode van de oudheid en uit de middeleeuwen worden talrijke figuren uit de goden- en mensenwereld als "inventores musicae" (uitvinder van de muziek) aangewezen. Een dergelijke figuur was bijv. Pythagoras, die in een smederij uit de klanken van hamers en bellen van diverse grootte en opklimmende gewichten de intervallen (afstand tussen twee tonen) ontdekte, en daaruit voor de eerste keer de wiskundig-natuurkundig basiswetten van de muziek zou hebben afgeleid. Verder behoort Jubal daarbij, die reeds in de bijbel (Gen. 4,21) als stamvader van alle citer- en fluitspelers wordt genoemd. Bovendien gold Apollo als de God van de zangers en als beschermer van de lierspelers. Ook Dionysius als beschermer van de aulosspelers (aulos = blaasinstrument) en de mythische lierspeler Orpheus. worden als grondvesters genoemd. Ook de sirenes, vrouwelijke fabelfiguren met een vogellichaam, en de muzen, de godinnen van de schone en vrije kunst n, golden als "inventores musicae".

Andere ontstaanstheoriën
In de loop van het rationalisme moesten deze allegorische ontstaanstheoriën wijken voor abstractere. Jean Jacques Rousseau, Georg Friedrich Wilhelm Hegel en Schlegel zagen als bron van de muziek de spraak. Charles Darwin schreef het ontstaan van muziek, naar analogie van het zingen van de vogels, toe aan de lok- en liefdesroepen uit de dierenwereld. Hij noemde ook het ritme als oorzaak van het muzikale worden.

Het muzikale materiaal
Als akoestisch materiaal in de muziek fungeren in eerste aanzet de door regelmatig terugkerende geluidstrillingen opgeroepen tonen en - vooral in de oriëntale muziek en in de 20e eeuw - ook geruis. De basiseigenschappen van de toon zijn de toonhoogte, de duur, de klankkleur en de dynamiek (geluidssterkte).

Terwijl zich door de chronologische opeenvolging van tonen en geruisen een ritme vormt, ontstaat uit het elkaar opvolgen van diverse toonhoogten een melodie. Als meer tonen tegelijk klinken, ontstaat er een akkoord of een meerstemmige compositie. Het gebruik van verschillende geluidsinstrumenten beïnvloedt de klankkleur, en bakent bijv. ook de grens af tussen vocale en instrumentale muziek. Zowel de afstand tussen de tonen onderling (intervallen) als hun samenklinken en de lengte van de tonen zijn in de West-Europese muziek gebaseerd op getalsverhoudingen De muziek kon, met behulp hiervan, theoretisch bestudeerd worden.

Het schriftelijk vastleggen van tonen
Het eerste bewaard gebleven notenschrift is afkomstig uit de 8e tot 11de eeuw. De zogenaamde neumen gaven echter slechts het verloop van de melodie aan, niet de precieze toonhoogte en -duur. In de 11de eeuw voerde Guido van Arezzo een systeem met lijnen in waarmee hij de toonhoogte preciezer kon aangegeven. Daaruit ontwikkelde zich in de 13de eeuw de koraalnotatie (notenbalk). Uit de noodzaak een eenduidig ritme vast te leggen, ontstond tenslotte de mensurale notatie. Van de 14de eeuw tot ongeveer 1600 bestond er nog een ander notenschrift, namelijk de tabulatuur. Zij gebruikte voornamelijk letters en getallen om de grepen aan te geven voor orgel en luit.

Het moderne op een lijnensysteem gebaseerde West-Europese notenschrift maakt het mogelijk toonhoogte en -duur exact vast te leggen, en bovendien aanwijzingen te geven voor de uitvoering.

Historische verandering van het begrip muziek
Een vergelijkbare ontwikkeling voltrok zich in de geleidelijke ontwikkeling van premuzikaal geluidsinstrument tot technisch verfijnd muziekinstrument. Deze vooruitgang maakte weer een evolutie van de muzikale vormgeving mogelijk, die van haar kant nieuwe, tot dan ongekende muzikale effecten deed ontstaan.

In dezelfde mate als bijv. de beeldende kunst getuige en beeld was van sociale of kerkhistorische gebeurtenissen en daardoor haar vormgeving in de loop der eeuwen veranderde, vereiste ook de muziek een eigentijdse expressie. Dit betekende een verandering van het begrip muziek, en bovendien een uitbreiding van de muzikale vormen en de muzikale invloedssfeer. Zoals reeds in de oudheid en de Middeleeuwen, werd ook in de 18de eeuw gewezen op de dubbelfunctie van de muziek als wetenschappelijke leer en als kunstvorm (en daarmee op de nog heden geldende classificaties muziektheorie en -praktijk). Johann Mattheson bracht in zijn definitie van muziek bovendien een soort nuttigheidsprincipe in: "Muziek is de wetenschap en kunst om nuttige en aangename klanken zodanig bij elkaar te voegen en liefelijk ten gehore te brengen, dat door hun welluidendheid Gods eer en alle deugden geprezen worden." Tegen het einde van de 18de eeuw kristalliseerde zich echter een volledig nieuw inzicht in de muziek uit, waarin het persoonlijk voelen en ervaren van de mens op de voorgrond staat, en de muziek tot het gebied van het bovenzintuiglijke wordt verheven. Maar ook deze romantische opstelling hield niet lang stand. In de moderne tijd ontzegde bijvoorbeeld Igor Strawinsky de muziek de geschiktheid om gevoelens, gedrag, psychologische of natuurverschijnselen uit te drukken. Men zag als enig doel van de muziek het vermogen om een ordening tussen de mens en zijn tijd tot stand te brengen. Het is vrijwel onmogelijk om voor de muziek van deze tijd een definitie te geven, omdat er wegens de vele verschillende verschijningsvormen geen centrale, op het totale verschijnsel muziek gebaseerde kenmerken bestaan.

De periodisering van de West-Europese muziek
Het indelen van de muziek in tijdperken is evenals in alle andere sectoren van de kunst uiterst problematisch, omdat de overgangen vloeiend verlopen en er oversnijdingen zijn. Desondanks is een dergelijke indeling voor een eerste overzicht behulpzaam en nuttig.
In de West-Europese muziekgeschiedenis onderscheidt men de volgende tijdperken:
Gregoriaanse koorzang (8e -9de eeuw), het vroege organum (oudste meerstemmigheid) (9de -11de eeuw), de Notre Dame-school (1163 tot midden 13de eeuw), ars antiqua (1240/'50-1310/'20), ars nova (1320-'80), renaissance (15de tot einde 16de eeuw), barok (1600-1750), rococo (1750-'60), klassiek (1790-1827), vroege romantiek (1800-'30), hoog romantiek (1830-'50), late romantiek (1850-'90), impressionisme (vanaf 1894), expressionisme (1909-'25), neoclassicisme (1920-'50/'60), stijlpluralisme (vanaf 1960; omvat o.a. seriële muziek, elektronische muziek, alleatoriek, postseriële muziek, nieuwe eenvoud).

Meer indelingsmogelijkheden van muziek:
Naast het ordenen van muziek in perioden bestaan er nog meer indelingsmogelijkheden die elkaar vaak overlappen, en waarvan het bestaan niet los van de geschiedenis te verklaren is.

Als we de muziek esthetisch indelen, kunnen we de muziek bijvoorbeeld onderverdelen in kunstmuziek, ontspanningsmuziek en volksmuziek.

Gaat men uit van de plaatsgebondenheid, het doel of de sociale functie van de muziek, dan kan men o.a. de filmmuziek, kerkmuziek, dansmuziek of kunstmuziek onderscheiden.

Kijkt men naar de kenmerken van vormgeving respectievelijk de stijl, dan kan men een onderscheid maken tussen de monodie, de homofonie, en de polyfonie of aleatorische muziek.

Grijpt men terug op de vertolking als onderscheidingscriterium, dan is de muziek o.a. te verdelen in vocale muziek, orkestmuziek, kamermuziek of elektronische muziek.

Voor deze vertolkingen zijn uiteraard speciale genres karakteristiek, die zelf ook tegelijkertijd vast in een tijdperk zijn ingebed.

Onder het begrip vocale muziek valt zowel de kleinste bezetting, (solo)zang als bijv. het recital. Ook de koormuziek met de genres oratorium, mis, cantate, motet en madrigaal vallen onder dit begrip. Tenslotte vallen ook de opera, operette en musical in de categorie vocale muziek. Tot de orkestmuziek, die ter afbakening van de kamermuziek voor een groter ensemble instrumentalisten gecomponeerd is, zijn de belangrijkste genres de symfonie, symfonische poëzie, de suite voor orkest, de ouverture, het concerto grosso en het concert.

In de los van de orkestmuziek en koormuziek staande kamermuziek vinden we werken voor strijk- en blaasinstrumenten, gemengde ensembles en muziek van door de piano begeleide solo-instrumenten. Favoriete genres zijn bijvoorbeeld de solo- en triosonates, trio's in diverse bezettingen (zoals bijv. strijk--, klavier- en blaastrio's), strijkkwartetten, klavierkwartetten, strijkkwintetten, klavier- en blaaskwintetten, strijk- en klaviersextetten, septetten, octetten en nonetten.

Uit de elektronische muziek, waaronder men een alleen met elektrische klankmiddelen voortgebrachte muziek verstaat, kristalliseren zich geen vaste genres meer.

Muziektheoretie:
Elke kennis van muziek en alle muziektheoretische vragen kunnen onder het begrip musicologie (muziekwetenschap) worden samengevat die in talrijke deelgebieden opgesplitst kan worden.
Zo houdt de instrumentkunde zich bijv. bezig met de bouw, de manier van bespelen en de historische ontwikkeling van muziekinstrumenten.
De iconografie trekt uit voorstellingen uit de schilderkunst en beeldende kunst conclusies over vroegere muziekuitvoeringen.
De uitvoeringspraktijk probeert alle omstandigheden met betrekking tot de uitvoering van muziek respectievelijk de muzikale vorm te reconstrueren en gaat daarbij uit van de tijd waarin een muziekstuk is ontstaan.
De notatiekunde houdt zich bezig met de manier waarop de muziek is opgetekend.
De biografie, een van de hoofdgebieden van de musicologie in de 19de eeuw houdt zich bezig met het leven en het werk van componisten.
De stijlkunde onderzoekt de kenmerken van de genres van een tijdperk, een componist of een school.
De muzikale akoestiek onderzoekt de natuurkundige grondslagen van de muziek.
De luisterpsychologie probeert de psychologische processen bij het luisteren te verkennen en houdt zich bezig met vragen over muzikaliteit.
Het gebied van de muziekpsychologie analyseert de invloed van muziek op de mens.
De esthetiek van de muziek, die een deelgebied van de muziekfilosofie vormt, vraagt naar de schoonheid van de muziek, naar haar inhoud, haar vorm, enz..
De muzieksociologie heeft het onderzoek van de betrekkingen tussen inhoud, vorm, genre, etc. en de maatschappelijke structuren waarin deze uitgeoefend en benut worden als doel.
Door de muziekkritiek wordt door middel van analyse een deskundig kritisch waarde-oordeel over compositie en uitvoering geveld.
De muzieketnologie houdt zich bezig met de volksmuziek van zowel niet-Europese als Europese volkeren.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 32.