kunstbus

Mis

1 katholieke kerkdienst met eucharistieviering => offermaaltijd
2 muziek of liederen voor de katholieke kerkdienst

De mis is in liturgische zin: het geheel van gebeden, lofprijzingen, acclamaties (aanroepingen) en lezingen tijdens de rooms-katholieke eredienst, de centrale vormgeving van de katholieke godsdienst. De term missa, die uit het Latijn komt en "invrijheidstelling" of "wegzending" betekent, heeft betrekking op het einde van de godsdienst (tegenwoordig alleen in de paastijd), dat de priester met de formule "Ite missa est" ("gaat, dit is het moment van de wegzending") verkondigt.

De mis wordt doorgaans opgeluisterd door twee soorten gezangen: het ordinarium, ofwel de zgn. "vaste gezangen", waarvan de teksten vrijwel iedere mis ongewijzigd voorkomen, en het proprium, ofwel de "wisselende gezangen", ook wel het "tijdeigen" genoemd, waarvan de teksten per dag afgestemd worden op de liturgische tijd. Het spreekt vanzelf dat het voor componisten het meest efficiënt is het ordinarium te componeren en dit is dan ook ontelbare keren gedaan.
In muzikale zin is een mis dan ook een gecomponeerd ordinarium bestaande uit Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei. De opbouw van een traditionele r.k. mis ziet er als volgt uit: 1. Introïtus, 2. Schuldbelijdenis, 3. Kyrie, 4. Gloria, 5. Gebed, 6. Lezing 1, 7. Graduale, 8. Lezing 2, 8. Alleluia (of Tractus), 9. Evangelie, 10. Credo, 11. Offertorium, 12. Gebed, 13. Prefatie, 14. Sanctus/ + Benedictus, 15. Tafelgebed, 16. Pater Noster, 17. Agnus Dei, 18. Communio, 19. Postcommunio, 20. Ite missa est

Historie
Vanaf het begin, dus ongeveer vanaf de 5de eeuw, werd de liturgische viering opgeluisterd met gezang. Maar pas langzaam ontstonden er vaste vormen en kwam er een regeling voor de gebruikte gezangen.
De uiteindelijk voor de hele geschiedenis van het avondland geldende ordening van de mis is gebaseerd op de in de 8ste en 9de eeuw in Frankrijk overgenomen romeinse liturgie door Karel de Grote, waarvan het wezenlijke onderdeel de Gregoriaanse koraal was.

Naast de gezangen van de priesters maakt men onderscheid tussen stukken, die in elke eucharistieviering hetzelfde zijn (ordinarium), en de stukken, die speciaal voor een bijzondere (feest-)dag zijn geschreven en die van mis tot mis verschillen (proprium).

De proprium zijn cyclisch geordend naar het verloop van het kerkelijk jaar evenals naar de feesten van de heiligen en omvatten de vijf delen introitus, graduale, alleluja, offertorium en Communio. Dit waren de Gregoriaanse gezangen.

Het uit de delen kyrie, gloria, credo, sanctus en agnus dei bestaande ordinarium omvatte in de eigenlijke zin geen muziekstukken maar hadden eerder een syllabisch karakter. Alleen het gloria, dat pas tegen het einde van de 11de eeuw vast onderdeel van de mis werd, was oorspronkelijk een lied. De smeekgezangen kyrie en het agnus dei waren litanieën, het sanctus een feestelijke toeroep van de gelovigen, en het ook pas in de 11de eeuw in de mis opgenomen credo bevat de doopbelofte.

Terwijl het Gregoriaanse proprium zich reeds rond 800 zijn definitieve vorm had gekregen, zo begon men er in de 13de eeuw mee ook delen van het ordinarium in muziek om te zetten. Eerst beperkte men zich hierbij tot het op muziek zetten van enkele delen; want oorspronkelijk hadden de tegenwoordig tot een cyclus samengevatte gezangen van het ordinariums niets met elkaar te maken; maar reeds in de 14de eeuw ging men ertoe over om, onafhankelijk van elkaar door verschillende componisten gecomponeerde delen van het ordinarium achteraf tot cycli samen te voegen. Nog in dezelfde eeuw tekent zich langzaam een ontwikkeling af naar een door één componist geschreven meerstemmige cyclus van het ordinarium, die zich eerst voltrok in de compositorische verbinding van twee delen, zoals bijvoorbeeld het gloria en credo evenals het sanctus en agnus Dei. De eerste volledige en niet achteraf samengestelde ordinariumcompositie schreef Guillaume de Machaut met zijn in 1360 voltooide "Messe de Notre-Dame".

Bevorderd door de ontwikkeling van de meerstemmige muziek gaf men de voorkeur aan het op muziek zetten van de ordinariumdelen, niet op de laatste plaats uit de puur praktische overweging, dat het zingen hiervan niet beperkt was tot bepaalde feestdagen. Vanaf de eerste helft van de 15de eeuw componeerde men ze steeds meer als een gesloten kunstwerk. Daarmee was het muzikale genre van de mis ontstaan.
Het nieuwe - en tegelijkertijd een grote uitdaging - bestond daaruit, dat dit genre als muzikale cyclus de componist voor de compositorische probleem stelde van de verbinding van meerdre delen tot een geheel. Dit werd o.a. bereikt door alle delen op een gemeenschappelijk voorbeeld te betrekken. De basis en bron van waaruit men gemotiveerd werd om deze op reeds bestaande vocale muziek teruggrijpende vorm van de zogenaamde parodiemis, die tegen het einde van de 15de eeuw tot het meest geliefde type van de mis werd, waren zowel de liturgische koraal als wereldlijke liederen. Daarbij wezen citaten aan het begin van de delen op de steeds gebruikte voorbeelden.
Bestond het parodiëren eerst vooral uit het toevoegen van nieuwe stemmen van een zelden twee- en driestemmige fragmenten uit andere composities, zo streefde men later naar de volledige imitatie van de geleende motieven. Een van de meest geliefde voorbeelden voor een mis, waar o.a. Guillaume Dufay, Johannes Ockeghem en Giacomo Carissimi gebruik van maakten, was bijvoorbeeld het Franse lied "L’homme armé".

Langzaam maar zeker onstond er onder de miscomponisten een soort wedstrijd. De liturgische tekst stond al lang niet meer in het middelpunt van de belangstelling, maar men concentreerde zich in de eerste plaats op de confrontatie met de muzikale voorbeelden en etaleerde alleen nog de eigen contrapunt bewerkingskunst. Zo nam aan het einde van de 15de en begin 16de eeuw van de kant van de religieuze vernieuwingsbewegingen en de humanisten de kritiek op de actuele kerkmuziek toe; men eiste dat ze in dienst zou staan van het religieuze woord. Dit was ook de belangrijkste boodschap van het concilie van Trente (1545-63), die Giovanni Pierluigi Palestrina in zijn "Missa Papae Marcelli" uit 1562 op een voorbeeldige manier nakwam, zonder daarbij de balans van de muzikale delen te verwaarlozen. Deze compositie werd tot een begrip en tot voorbeeld voor een kerkmuziekstijl.

Vanaf ongeveer 1600 ontstonden er twee stijlvormen binnen het genre van de miscomposities: aan de ene kant de concerterende mis, die of geschreven was voor vocale solisten met algemene bas begeleiding, in meerstemmige delen of ook in een combinatie van beide delen en met instrumenten, aan de andere kant de op de polyfone traditie gerichte mis voor koor a cappella. Ook in de 17de eeuw stonden oud en nieuw naast elkaar: Aan de ene kant werd de polyfone "Stile antico" en samen daarmee het ideaal van de Palestrinadelen bewust bevorderd (bijvoorbeeld door Francesco Durante in zijn "Missa alla Palestrina" en in de "Missa canonica" van Johann Joseph Fux). Aan de andere kant kwam de mis onder sterke invloed te staan van opera en oratorium en werd steeds vaker geschreven als een opeenvolging van recitatieven, aria's, duetten en koren. Deze zogenaamde cantatemis zou uiteindelijk de weg banen voor de orkestmissen uit de klassieke periode en uit de romantiek.

In de 18de eeuw voltrok zich overeenkomend met de rangorde van de kerkelijke feesten een liturgisch-muzikale typering, waarbij men de mis naar zijn compositorische opzet rangschikte. Men maakte hier onderscheid tussen de formele en compositie-technisch beperkte Missa brevis, die door de lange teksten van de delen gloria en credo, bijvoorbeeld door te gelijk verschillende tekstdelen voor te dragen, tijd bespaarde. Het was meestal beperkt tot het uit twee violen, bas en orgelbegleiding bestaand zogenaamd kerktrio, evenals de formeel groot opgezette feestelijke Missa solemnis met een rijk klankpatroon zoals bijvoorbeeld het vierstemmig vioolldeel en het inzetten van trompetten, hobo's of hoorns.

Terwijl rond 1800 de oude en nieuwe stijl in de kerkmuziek goed naast elkaar stonden, betekende het in de 19de eeuw beginnende cäcilianismus dat de oud-klassieke vocale polyfonie bevoordeeld werd. Naast deze op het a-cappella-ideaal gerichte kerkmuziekstijl ontstonden er - quasi als extreme tegenstelling - symfonisch overdreven en nauwelijks nog voor gebruik in de kerk geschikte missen (bijvoorbeeld de Missa solemnis van Ludwig van Beethoven) of tot in het monumentale of theatrale opgeblazen instrumentaal begeleide kerkmuzikale werken (bijvoorbeeld de Dodenmis van G. Verdi of H. Berlioz).

In de eerste helft van de 20ste eeuw werd de romanticus Anton Bruckner met zijn verbinding van de symphonische misstijl en de muzikale oriëntering met de klassieke vocale polyfonie tot het grote voorbeeld voor miscomponisten. Naast orkestmissen ontstonden ook miscomposities met orgelondersteuning en met begleiding door blazers. Na deEerste Wereldoorlog kwam het tot een herbezinning op de op het gregoriaans en op de eigen nationalebarokke tradities gerichte vormgevingen. Een receptie van de twaalftoontechniek in miscomposities vond plaats vanaf het einde van de jaren vijftig. In die mate waarin het geloof en de religieuze praktijk in de loop van de afgelopen decennia meer en meer op de achtergrond zijn geraakt, neemt ook het aantal miscomposities in het gehele oeuvre bij eigentijdse componisten een veel minder belangrijke plaats in dan honderd jaar geleden.



Je kunt ook zelf een opinie of encyclopedisch artikel op Kunstbus of Muziekbus plaatsen!

lexicon opinie

Pageviews vandaag: 126.