kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 18-08-2008 voor het laatst bewerkt.

Max Reger

Johann Baptist Joseph Maximilian Reger geboren 19 maart 1873 in Brand/Oberpfalz, gestorven 11 mei 1916 in Leipzig Duits componist, pianist, organist, dirigent en pedagoog

Max Reger - Introduction & Passacaglia d-moll

biografie
Max Reger kreeg al jong pianoles van zijn moeder en orgel-, viool- en celloles van zijn vader, die onderwijzer was, alsook docent muziek aan de normaalschool.

Van 1884-89 ontving Reger piano- en orgelles van Adalbert Lindner, die hij vaak als organist verving. Vanwege zijn bijzondere compositorische aanleg stuurde Lindner hem naar de bekende muziektheoreticus Hugo Riemann.

In 1890 werd Reger op aanbeveling van Lindner leerling compositie en theorie van Hugo Riemann aan het conservatorium te Sondershausen, waar hij een jaar later zelf docent werd zodat zijn ergste financiële problemen van de baan waren. Toen Riemann naar Wiesbaden vertrok om daar aan het conservatorium te doceren, volgde Reger hem.

Van 1894-1896 was Reger medewerker aan de Berlijnse Allgemeine Musikzeitung. Zijn composities vonden in deze tijd nog weinig bijval, omdat hij niet aan de 'Neu-Deutsche' zijde voor Liszt streed en zijn muziek 'weinig toegankelijk' was. Na een zware morele crisis vond hij tussen 1898 en 1901 in het ouderlijk huis te Weiden rust om te componeren.

In 1901 verhuisde de familie naar München, waarvoor zijn vader zich extra liet pensioneren. Reger vond hier werk als pianist, begeleider van vocalisten en als leraar. Ook begon men zijn medewerking te vragen bij uitvoering van eigen werken.

In 1902 trad hij in het huwelijk met Eisa von Bagenski, en in 1903 werd hij benoemd tot leraar voor orgel en compositie aan de Akademie der Tonkunst te München, waar Mottl directeur was.

In 1906 kreeg hij tijdens een concert een verlamming, die in de pers uitgelegd werd als dronkenschap. Na maanden van gedwongen rust, ten gevolge van deze zenuwoverspanning, behaalde hij in 1907 grote successen in Nederland met zijn Orkestserenade op. 95.

Max Regers hevige temperament speelde hem meer dan eens parten. Hij kreeg het aan de stok met de pers die hij bedacht met een vioolsonate met de thema's a-f-f-e en s(es)-c-h-a-f-f-e. Hij raakte zelfs in onmin met zijn vereerde leraar Rieman. Wegens zijn moeilijk karakter nam hij ook ontslag uit een aantal ambten. Vanaf 1910 begon Reger echter officiële erkenning te krijgen. De universiteit van Jena verleende hem een eredoctoraat. De componist begon bovendien in het buitenland bekend te raken.

Van 1907-11 was Reger leider van het muziekleven aan de universiteit te Leipzig alsook directeur van het conservatorium aldaar. De uitgeverij Peters sloot een contract met hem.
Hoewel onder meer Nikisch zijn muziek propageerde, bleef het publiek in Leipzig koel. Er ontstond een persactie tegen Reger.

Reger beleefde een gelukkigere tijd in Memingen, waar hij in 1911 benoemd werd tot dirigent van het beroemde hertogelijke orkest. Dankzij Reger werd de oude, door von Bülow gevestigde roem van het orkest hersteld. In de winter speelden ze op talrijke concertreizen voor uitverkochte zalen, terwijl Reger daarnaast nog als pianist optrad (Reger-trio). In februari 1914 moest hij wegens een nieuwe zenuwinzinking alle concerten afzeggen en in juli van dat jaar nam hij ontslag.

Vanaf 1915 begon hij weer concertreizen te maken. Hij oogst nog een overdonderend succes als dirigent van zijn "Mozart-variaties". Tot de dag voor zijn dood doceerde Reger te Leipzig. Tijdens een verblijf in Leipzig werd de zwaarlijvige Reger door een beroerte getroffen. Men vond hem 's morgens dood in zijn bed. Hij was nauwelijks 43 jaar.

Te Jena werd een Reger-archief ingericht, dat later naar het slot te Weimar werd overgebracht. Ook werd een Max Reger-Gesellschaft opgericht.
Reger was oonder meer dr. honoris causa van de universiteit te Jena en voerde de titel 'Generalmusikdirektor' van het Meiningerorkest.

stijl
In het begin van de jaren negentig, toen Reger begon te componeren, was het ideaal der 'Neudeutschen': het muziekdrama van Wagner naast de programmamuziek. Reger daarentegen zette met zijn absolute muziek de lijn van Brahms voort. Het 'handwerk' van het componeren leerde hij grondig kennen. Hij was een meester in de techniek van contrapunt, fuga en variatie.

Wat bij Rger wel het meest opvalt, zijn de talrijke modulaties, vaak verschillende in één maat; dit is een van de oorzaken, dat veel van zijn muziek niet gemakkelijk te volgen en voor menigeen moeilijk toegankelijk is. Waar de harmonieën zo snel wisselen, dat nauwelijks nog van modulatie gesproken kan worden, zou men Reger zelfs kunnen beschouwen als voorloper van niet meer aan bepaalde tonaliteit gebonden moderne muziek. In de spanningen der snel wisselende akkoordopeenvolgingen uit zich een hartstochtelijk worstelende natuur, die een tijdlang in de wereld veel tegenstand ondervond en zich met een fysieke en psychische oerkracht verzette.

Wat zijn sterk harmonisch bepaalde melodievorming betreft, deze heeft de taalfilosoof J. Stenzel eens treffend als volgt aangeduid: proza, neen: vers; proversa, d.w.z. 'voortschrijdend', niet steeds 'terugkerend', wat de eigenlijke betekenis is van het Latijnse versus
en het Griekse strophe.
Hierin keert Reger terug tot de barokmuziek, waar ook nog geen sprake is van groepvormige frasen (coupletten of strofen in de dichtkunst), maar van een lineair horizontaal verlopende, stromende beweging.

perioden werkzaamheid
De perioden van Regers werkzaamheid worden mede bepaald door de plaats en omstandigheden van zijn werkkring.
Na de eerste periode, van 1892-95 (op. 1-18), en een morele artistieke crisis tussen 1895-98 componeerde hij van 1898-1901 te Weiden meer opgewekte en toegankelijker stukken en maakte hij een begin met zijn uitgebreid orgeloeuvre (op. 19-58).
Reger was als het ware gepredestineerd voor het orgel, dat de grootste mogelijkheden bood voor zijn drang naar polyfonie. In deze periode schreef hij ook veel kamermuziek en liederen, de laatste aanvankelijk onder invloed van Schumann en Brahms, later van R. Strauss en H. Wolf, totdat hij zijn eigen stijl vond in het 'symphonische lied' (op. 55 en 62). Op. 58-74 (München) staan in het teken van verzet.
Hoe groter de tegenstand werd tegen 'de brahmsiaan, de verstandsmusicus, de veelschrijver', des te ingewikkelder en moeilijker uitvoerbaar werden R.s werken.
In op. 75-93 maakte het chaotische en verbitterde plaats voor een helderder en rustiger trant. Pas met op. 90 verscheen het eerste orkestwerk.
De werkzaamheid met het Meiningerorkest leidde na 1912 tot een minder overladen klankbeeld. Van op. 127 af streeft Reger - naar zijn eigen zeggen - naar 'Mozartachtige doorzichtigheid'.
In de laatste jaren van zijn leven beleeft Reger een rustige, gelukkige tijd in Jena. Hij spreekt van 'een geheel nieuwe, de vrije Jenase stijl' (op. 139 vioolsonate, trio's op. 141). Hier en daar is zijn muziek zelfs vrolijk en zorgeloos (kinderliederen op. 142, pianostukjes Träume am Kamin op. 143).

Tot de leerlingen van R. behoorden Joseph Haas en Karl Hasse. Daar Reger op de grens stond van de laatromantische en de moderne tijd, heeft hij niet veel school gemaakt. Wel zou men kunnen zeggen dat hij het doorbreken van de tonaliteit voorbereid heeft.

Reger schreef werken voor piano, kamermuziek, orkestwerken, liederen en koormuziek. Hij werd grootgebracht met Johannes Brahms en Johann Sebastian Bach. Hij wilde de monumentale barok van de 18de eeuw met de harmonische onrust van de 20ste eeuw verzoenen. Regers melodieën zijn veeleer kort maar komen zwaar over omdat hij bijna na elke noot moduleert, dat wil zeggen van toonsoort verandert. Voorts getuigen zijn strenge orgelcomposities van zijn zin voor mathematische ordening.
Orkestmuziek: o.a. Sinfionetta (1904-1905); Variaties op een thema van Mozart (1908); Romantische suite (1912).
Orgelwerken: o.a. Straf ' mich nicht in deinen Zorn (1899); Wachet auf (1900); Phantasie und Fuge über BACH (1900); Introduction, Passacaglia und Fuge (1903).


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 34.