muziekbus









Maurice Ravel (1875-1937)

Frans componist van het impressionisme geboren 7 maart 1875 te Ciboure in de Franse Pyreneeën, gestorven te Parijs 28 december 1937

Maurice Joseph Ravel was het eerste kind van een Zwitserse vader en een Baskische moeder en groeide op in Parijs. Zijn vader had in zijn jonge jaren prijzen gewonnen met zijn pianospel, maar had uiteindelijk voor het vak van ingenieur gekozen. Hij kreeg zijn eerste muzikale lessen van zijn moeder.

Toen Maurice zeer muzikaal bleek te zijn, moedigde vader Ravel hem aan en zorgde voor de beste muziekleraren. Ravel ontving op zesjarige leeftijd pianolessen van Henri Ghys, later vanaf zijn twaalfde van Charles René, die hem tevens in de beginselen van de muziektheorie en de compositieleer onderwees. Ravel's eerste proeven van compositie waren Variations sur un choral de Schumann en en eerste sonatedeel voor piano.

Op zijn 14e, in 1889, was Maurice klaar voor het Parijse conservatorium, waar hij piano bij E. Anthiôme, later bij Ch. de Bériot en harmonieleer bij E. Pessard studeerde. Op het conservatorium ontmoette hij de pianist R. Vines, die een zijner beste vertolkers zou worden.

In 1895 verliet Ravel het conservatorium om er twee jaar later weer terug te keren, ditmaal voor studies in compositie bij Gabriel Fauré en contrapunt en orkestratie bij A. Gedalge.

Ravel nam vijf keer deel aan de competitie voor Prix de Rome (1900–1905), zonder deze één keer te winnen. In 1901 verwierf hij een tweede Prix de Rome voor zijn cantate Myrrha. In 1900 en in 1905 werd hij zelfs niet tot de eindronde toegelaten, hoewel hij in het laatstgenoemde jaar al een bekend componist was. Dit leidde tot felle discussies onder de muziekcritici.

Liszt en Balakirev waren de voorbeelden voor zijn briljante schrijfwijze voor de piano, zoals deze zich voor het eerst manifesteerde in Jeux d'eau (1901); Debussy was verrukt over de pianistieke vernieuwingen ervan.

Reeds in zijn eerste grote compositie voor orkest, de liedcyclus Shéhérazade (1903), toonde Ravel zich een meester in de instrumentatie, waarin hij de tradities van Liszt en Rimski-Korssakov tot een absoluut hoogtepunt wist te voeren en later werd voortgezet in de – sterk aan Debussy herinnerende – Miroirs (1904–1905), maar vooral in zijn meest veeleisende pianowerk, Gaspard de la Nuit (1908), geïnspireerd op prozagedichten van Aloysius Bertrand, alsmede in het pianoconcert voor de linkerhand (1929–1930).

Naast de vooral op virtuositeit en instrumentale klankweelde gerichte schrijfwijze ontwikkelde zich al spoedig min of meer parallel een neiging tot vereenvoudiging en versobering in zijn muziek. In het strijkkwartet (1902–1903) en de sonatine voor piano (1905) valt deze tendens al te bespeuren.

De liederencyclus Histoires naturelles op prozateksten van J. Renard, welke door de zanger vrijwel dienen te worden gedeclameerd, verwekte in 1907 opschudding door de harmonische gedurfdheden en de behandeling van de zangstem, onder meer door het 'quasi parlando'. Als zodanig is deze cyclus een voorstudie voor zijn lyrische komedie, L'Heure espagnole (1907–1909, P. 1911; Franc-Nohain), een muzikaal conversatiestuk, dat de tradities van de opéra-bouffe, opéra-comique en de operette op een hoger plan in zich verenigt.

Belangrijke pianowerken volgden, onder andere de voor kinderen geschreven vierhandige pianosuite Mare l'oye (1908), waarin Ravel een weergaloze sprookjessfeer schiep en de Valses nobles et sentimentales, waarvan de dissonanten op de première in 1910 grote hilariteit opwekten. Samen met Debussy werd Ravel inmiddels gezien als een van de toonaangevende Franse componisten.

Ravel kon goed leven van de opbrengsten van zijn composities. Hij was ook muziekcriticus en schreef voor een aantal kranten en tijdschriften.

In 1909 richtte hij samen met enkele letterkundigen en componisten zoals Gabriel Fauré en Albert Roussel de 'Société Musicale Indépendante' op. Het doel van die vereniging was de verspreiding van werken van tijdgenoten.

Een hoogtepunt in het oeuvre van Maurice Ravel is de balletmuziek Daphnis et Chloé (1912) voor de Ballets Russes van Diaghilev. Gedeelten uit dit muziekstuk staan nog regelmatig op het orkestrepertoire.

De vereenvoudiging en versobering in zijn muziek zou zich blijven manifesteren, m.n. in kamermuziekwerken als de Trois poèmes de Stéphane Mallarmé (1913; v. zangstem en instrumentaal ensemble), het pianotrio (1914), de sonate voor viool en cello (1922) en de Chansons madécasses (1926, voor zang, fluit, cello en piano; Farny). Elk van Ravels werken verraadt echter een even grote aandacht voor het detail. Bij het componeren ging hij uitermate minutieus te werk, waarbij hij aan de piano iedere samenklank op zijn kwaliteiten onderzocht.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging hij in militaire dienst. Hij maakte het offensief bij Verdun mee en keerde in 1917 gewond naar huis terug.

In 1920 ontstonden La Valse en de orkestratie van de Schilderijententoonstelling van Mussorgski.

Ravel had een enorme behoefte aan privacy en er is daardoor ook vrij weinig over hem bekend. Met name over zijn liefdesleven -hij is overigens nooit getrouwd geweest- zweeg hij in alle talen. Maar ook het creatieve proces ging gehuld in een zweem van geheimzinnigheid, omdat hij een muziekstuk pas liet horen als alle puntjes op de i stonden. Hij zag muziek als zijn ware roeping en werkte in afzondering en opperste concentratie. Waarschijnlijk daarom kocht hij in 1920 een onopvallend landhuisje in Montfort-l'Amaury, waar hij zich van de wereld afzonderde om in alle rust te kunnen werken.
Vanaf 1921 leidde Maurice Ravel een teruggetrokken leven te Montfort l'Amaury, nu en dan onderbroken door concertreizen in het buitenland.

Ravel had slechts drie leerlingen, Maurice Delage, Manuel Rosenthal en zijn latere biograaf Roland-Manuel, accepteerde nooit een officieel ambt en had maar een paar vrienden waaronder de violiste Hélène Jourdan-Morhange, die na Ravel's dood herinneringen aan hem te boek stelde. Wel maakte hij regelmatig concertreizen en in 1928 maakte hij vier maanden lang een Amerikaans tournee. Daar ontmoette hij onder meer de componist George Gershwin, voor wie hij een grote bewondering had.

Het beroemdste muziekstuk van Maurice Ravel is ongetwijfeld Boléro. Het stuk ontstond in 1928 en is gemakkelijk toegankelijk door de vele herhalingen.
De Boléro is een Spaanse dans, in de kunstmuziek komt de bolero voor bij o.a. Weber, Chopin en Ravel. De Bolero van Ravel behoort tot het expressionisme. Deze kunstrichting streeft naar tot uiting brengen van de visie van de kunstenaar op de dingen, zonder hun objectief uiterlijk precies weer te geven. In de muziek wordt de term expressionisme wel gebruikt om de ‘progressieve’ muziek van vooral na de Eerste Wereldoorlog te karakteriseren.
Het expressionisme volgt op het impressionisme, de mens en zijn diepste gevoelsbeleving staan centraal. De gevoelswereld wordt op zeer heftige en spontane manier uitgedrukt. Schoonheid moet wijken voor een directe, hevige uitdrukkingskracht. Door zijn heftigheid en revolutionair karakter stootte het expressionisme het gezapige deel van het publiek tegen de borst. Het verhaal achter de Bolero: het verhaal speelt zich af in een Spaanse herberg. In het midden van een tafel danst een ballerina de Bolero en ze wordt aangemoedigd door de mannen rond haar.

Maurice Ravel kreeg in 1932 een ernstig auto-ongeluk. Hij raakte gewond aan zijn hoofd en als gevolg hiervan kreeg hij veel last van slapeloosheid en coördinatieproblemen. Hij had al jaren last van slapeloosheid, geremdheid en ongecoördineerde bewegingen. Na het ongeluk kreeg hij nog meer last van depressies, angsten en concentratiegebrek. Ook had hij problemen met praten en met zijn evenwicht. Een hersenoperatie in 1937 mislukte en een week later overleed hij.

In 1937 kreeg hij een hersenoperatie. Een week later overleed Maurice Ravel in Parijs.

Maurice Ravel was een kleurrijk persoon. Begaan met kinderen en dieren, tevens de trotse bezitter van de grootste Parijse verzameling stropdassen, een dandy en een man van de wereld. Maar hij was vooral ook iemand die heel goed zijn privé-leven uit de schijnwerpers wist te houden.

De jonge Ravel voelde zich sterk aangetrokken tot het "dandyisme". Hij cultiveerde een elegante en modieuze façade, werd meer en meer een "man van de wereld" en bezocht de Salons. Ravel ging prat op zijn exclusieve verzameling stropdassen, volgens hem de "beste verzameling stropdassen in Parijs".

Ravel behoorde tot een besloten kring van jonge artiesten, schrijvers en musici met de bijnaam "Les Apaches", die wekelijks bijeenkwam om te discussiëren, te feesten en gezamenlijke projecten te ondernemen. Bij tijden was de club zo luidruchtig dat ze door boze buren werd gedwongen van lokatie te veranderen. Haar bijnaam hield de groep over aan een straatventer met wie ze een aanvaring had. De man riep: "Attention, les Apaches!", wat zoiets als "Vandalen!!" betekent.

Ravel was de enige van zijn Franse tijdgenoten die zich als componist naast Claude Debussy heeft kunnen handhaven. Hoewel beiden in hun werk vaak dezelfde invloeden hebben ondergaan (o.m. van Moessorgski) en er niet zelden sprake is van een wederzijdse beïnvloeding, m.n. op het gebied van harmonische subtiliteiten en geraffineerde orkestbehandeling, is het muziekdenken van beide componisten fundamenteel verschillend.
Waar zich bij Debussy gaandeweg het componeren ontwikkelde in een steeds grotere vrijheid, die nog slechts aan eigen wetten gehoorzaamt, ontpopte Ravel zich van het begin af als een classicistisch componist, die de traditionele vormen met souverein meesterschap wist te hanteren als kader voor zijn vernieuwingen. Kenmerkend is zijn zin voor vastomlijnde melodiepatronen, waarin zich aanvankelijk nog het voorbeeld van Chabrier en Fauré spiegelt. Van laatstgenoemde is tevens zijn voorliefde voor archaïsche modaliteiten afkomstig. Opmerkelijk is ten slotte het veelvuldig voorkomen van dansvormen in zijn werk.
Ravel ontmoette tevens Erik Satie, deze componist had ook een belangrijke invloed op de artistieke ontwikkeling van Ravel.

Ravel, die werd onderscheiden met een eredoctoraat van de universiteit van Oxford, richtte zich in zijn composities enerzijds op voorbeelden van tijdgenoten als Gabriel Fauré, Erik Satie en Nikolai Rimski-Korsakov en experimenteerde met elementen uit jazz, folklore, zigeunermuziek en soms polytonaliteit.
Anderzijds greep hij graag terug op stijlkenmerken van oudere meesters als Wolfgang Amadeus Mozart of Domenico Scarlatti. Kort voor zijn plotse dood had hij zich nog intensief met laatstgenoemde componist beziggehouden. Men vond op het gewoonlijk lege bureau van de overledene een boek met pianosonates van de Italiaanse meester...
De vormgeving komt bij de muziek van Ravel absoluut op de eerste plaats. De componist, die zeer zorgvuldig tewerk ging, gebruikte bestaande, meestal kleinere dansvormen (dans) en verwerkte deze met vakmanschap in zijn muziek.
Een andere karakteristieke eigenschap is de behandeling van de ritmiek. In zijn composities verwerkte hij elementen uit de Spaanse folklore (Bolero, flamenco, tango) en de jazz. Hoezeer hij in staat was een ritmische gedachte tot een hoogtepunt te laten komen, bewijst op indrukwekkende manier het beroemde orkestwerk Boléro uit het jaar 1928. Igor Stravinsky noemde hem zelfs een "Zwitsers horlogemaker".

Ook inzake de instrumentatie was Ravel een meester. Dat wordt vooral duidelijk uit de instrumentatie van de Schilderijententoonstelling van Modest Moessorgski, die oorspronkelijk voor piano was bedoeld. Ravel orkestreerde trouwens graag werken van andere componisten. Zijn melodieën zijn klaar en soepel; zijn harmoniek klinkt koel en met scherpe dissonanten zonder dat Ravel de klassieke harmonische rustpunten overboord gooit.


privacybeleid