kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Manuel de Falla

El amor brujo - Manuel de Falla

Manuel de Falla Y Matheu geb. Cadiz 23-11-1876, gest. Alta Grazia, Córdoba Argentinië 14-11-1946
Spaans componist, pianist, dirigent en schrijver over muziek

Manuel de Falla werd in Cadiz, de Andalusische uitvalshaven naar de Nieuwe Wereld, geboren en stierf op 9 dagen na 70 jaar oud in een huisje dat 'Los Espinillos' heette, gelegen aan het eind van een straatje van het dorp Alta Gracia (Hoge Genade) in een laag bergdal van de provincie Cordoba, enige honderden kilometers ten westen van Buenos Aires (Argentinië).

In Spanje wordt 'de' voor de achternaam weggelaten als de voornaam niet wordt genoemd; dubbele namen worden meestal gevormd uit die van de vader en de moeder met 'y' (= en) ertussen; hier is dus sprake van Manuel, zoon van (= 'de') vader Falla uit een Valenciaanse en moeder Matheu uit een Catalaanse familie.

De eerste pianolessen kreeg Falla van zijn moeder, die hem vertrouwd maakte met Beethoven en Chopin. Omdat hij niet veel voelde voor een carrière als pianovirtuoos, waagde hij zich aan het componeren van ‘ zarzuela's ‘, waarvan er 5 bekend zijn, matig van kwaliteit en weinig succesvol.

Toen Falla leerling werd van Felipe Pedrell ging hij, evenals zijn landgenoten Albeniz en Granados, op zijn eigen manier aan de verheffing van de Spaanse nationale muziek meewerken op basis van de volksmuziek

Een jaar na beëindiging van zijn studie bij Pedrell in 1905 leverde de Falla de partituur in van zijn eerste geslaagde werk, de opera La Vida breve (Het korte leven; op een tekst van Fernandez Shaw) deelnemend aan een prijsvraag uitgeschreven door de Madrileense Academia de Bellas Artes. Een dag later won hij de eerste prijs van een nationaal pianisten-concours, dat een bekende pianofabriek had georganiseerd. Ook zijn opera won een prijs. De beroemde Spaanse dans daaruit, gebaseerd op een bestaande volksmelodie, behoort tot de hoogtepunten van Falla's oeuvre.

Hierna ging hij weer meer concerten geven, die hem in 1907 naar Frankrijk voerden. Daar bleef hij 7 jaar en was goed bevriend met Debussy, Ravel, Schmitt, zijn landgenoten Albeniz en Granados en vooral Dukas. Deze zette hem aan tot componeren en maakte Falla's werken in Parijs bekend.
In Parijs componeerde hij Nachten in de tuinen van Spanje oorspronkelijk opgezet als 'nocturnes' voor piano, maar op aanraden van Albeniz uitgewerkt tot symfonische klankgedichten.

In 1909 werden de vier Spaanse pianostukken: Andaluza, Cubana, Aragonesca y Montanesca door de uitgever Durand gepubliceerd, nadat Falla er 300 francs voor had gekregen.

In 1914 componeerde Falla voor een zangeres van de Parijse Opéra de Siete canciones populares espanolas grotendeels op oude Spaanse volksmelodieën. Zij waren nog niet helemaal voltooid toen de Eerste Wereldoorlog begon. Falla trok zich terug achter de Pyreneeën en begon aan een ballet met zang El Amor Brujo (de magische liefde). Het ontstond uit de schetsen van één lied en één dans voor de beroemde Andalusische zigeunerin Pastora Imperio. Falla raakte zo onder de indruk van het demonisch-tragisch-mystieke gegeven van de tekstdichter G. Martinez Sierra, dat hij in korte tijd deze prachtige tegenhanger van Stravinky's Sacre de Printemps componeerde. Het verhaal gaf de componist de gelegenheid oude Andalusische volksmuziek zó met typische zigeunermuziek te vermengen, dat er een werkelijk nieuwe Spaanse kunstmuziek ontstond.
De première in april 1915 in Madrid had echter bij zowel pers als publiek geen succes, ondanks dat de rol van Candelas werd gezongen en gedanst door de bij iedereen geliefde Pastora.
De Danza ritual del fuego (Rituele vuurdans) uit dit ballet werd later een successtuk voor orkesten, pianisten en danseressen over de hele wereld.

In 1917 schreef Falla El Corregidor y la molinera (De gouverneur en de molenaarsvrouw). De novelle van Don Pedro de Alarcón naar een oud Spaans volksverhaal zou eerst een komische opera worden, maar toen werd ontdekt dat de schrijver in zijn testament het werkje als operalibretto had verboden, schakelde Falla over op het idee voor een 'farsa mimica' (vrolijke pantomime met muziek). De ballet-impressario Diaghilev had er het materiaal voor een kleurig ballet in gezien, maar kon vanwege de oorlogstoestand zijn plannen niet verwezenlijken, zodat de farsa'-vorm ervan in 1917 te Madrid in première kon gaan.
Twee jaar werkte Falla aan de omwerking en uitbreiding van het stuk tot een voor Diaghilev bruikbaar ballet en kreeg de titel El sombrero de tres picos (De Driekante steek). De succesvolle eerste opvoering door de Russische Balletten in juli 1919 te Londen kon Falla niet bijwonen, wegens een telegram, ontvangen tijdens de repetities, met de mededeling dat zijn moeder op sterven lag. Hij reisde direct terug naar Madrid. Kort daarna overleed zijn vader ook.

Na het verlies van zijn ouders (1919) ging de 43-jarige Falla permanent samenwonen met zijn zuster Maria del Carmen. Geen van beiden hebben zij ooit een gezin gesticht. Zij hebben bijna twintig jaar in Granada in de provincie Andalusië gewoond, waar Falla bevriend raakte met de dichter Federico Garcia Lorca (1899-1936) die in zijn toneelspelen ook het vereeuwigen van de Spaanse, speciaal Andalusische folklore nastreefde.
Tot een echte samenwerking tussen beide kunstenaars is het nooit gekomen. Garcia Lorca werd op 37-jarige leeftijd door Franco volgelingen tijdens de burgeroorlog gefusilleerd.

Zolang Manuel de Falla in Madrid woonde componeerde hij alleen werken met op Andalusië geïnspireerde inhoud. In de winter van 1918/19 schreef hij een Fantastica Bética voor de beroemde pianist Arthur Rubinstein.

Nadat hij in Andalusië was gaan wonen ging hij zich juist voor een typisch Castiliaans onderwerp interesseren:Don Quijote van Cervantes.
In opdracht van de schatrijke prinses Edmond de Polignac schreef Falla in 1923 El retablo del Maese Pedro (Het poppenspel van meester Pieter) een fragment uit Cervantes onsterfelijke werk. De première vond plaats in het paleis van prinses de Polignac en werd uitgevoerd door de grote soliste Wanda Landowska aan het clavecimbel. Naar aanleiding hiervan schreef hij zijn volgende werk, door Ravel eens 'het volmaaktste dokument van hedendaagse kamermuziek' genoemd, het Concerto per Clavecembalo. Ruim twee jaar heeft hij erover gedaan om deze 10 minuten durende prachtige muziek, waarin muzikale mogelijkheden van de 15e tot en met de 20e eeuw als het ware zijn samengevat tot een nieuwe classiciteit, te schrijven voor zes solistische instrumenten: clavecimbel, fluit, hobo, klarinet, viool en violoncello.

Na 1926 reisde Falla overal naartoe om uitvoeringen van zijn eigen werk bij te wonen, zelf te leiden of te spelen.
In 1931 was Spanje een republiek geworden. In 1932, nadat hij was teruggekeerd naar Granada (Andalusië), veranderde zijn leven doordat zijn gezondheid voelbaar achteruitging.

In 1936, het jaar van het uitbreken van de 'Spaanse burgeroorlog', overviel hem de ernstige ziekte, die hem zo'n vier jaar lang bijna verlamd in bed en russtoel hield en na een tijdelijke verbetering, zijn lichaam tenslotte helemaal sloopte. Falla weet zijn ziekte aan een mislukte tandheelkundige ingreep, die zijn bloed vergiftigd zou hebben.

Het laatste grote en belangrijke werk dat Manuel de Falla voltooide was de orkestsuite Homenajes (huldigingen);1938), bestaande uit vier ook in compositie-data ver uit elkaar liggende stukken, echter verbonden door de huldigingsgedachte. De Fanfare voor de dirigent Arbós, het gitaarstuk Homenaje (1921) voor Debussy, een pianostuk ter nagedachtenis aan Dukas en Pedrillana met thema's van zijn vroegere leermeester.
Daarna werkte hij in hoofdzaak aan het grote oratorium La Atlantida, waarin op teksten van de Catalaanse dichterJacinto Verdaguer het ontstaan en de verdere geschiedenis van het Iberische schiereiland is verteld, maar slaagde er niet in het te voltooien. Een van Falla's begaafdste leerlingen Ernesto Halffter voltooide het oratorium.

Manuel de Falla leed erg onder de toestanden in zijn vaderland en dit ondermijnde zijn zenuwgestel. Componeren werd steeds moeilijker voor hem. Dit evenals zijn slechte gezondheid al sinds zijn jeugd verklaart waarom Falla slechts weinig werk heeft nagelaten.

Vluchtend voor de fascistische gewelddadigheden in Europa vertrok Falla op uitnodiging van de Spaanse verenigingen van Buenos Aires, op 2 oktober 1939 vanuit Barcelona per stoomschip voor het eerst de oceaan over naar Argentinië.

Zeven jaar later in 1946 stierf hij en werden zijn stoffelijke resten door een Spaanse boot en een Spaans oorlogsschip naar Cadiz gebracht (zijn geboorteplaats).

Werken: een klavecimbelconcert, piano- en vocale werken, de in 1905 gecomponeerde en met een prijs bekroonde opera „La vida breve" (première 1913), de balletten „El amor brujo" (1915) en „De driekanten steek" (1919), het marionettenspel „El retablo de maese Pedro" (1919-22, première 1923) alsook het pianoconcert "Nachten in de tuinen van Spanje" (1911-15). Zijn muziek draagt de kenmerken van het Franse impressionisme en van het neoclassicisme, wat gecombineerd wordt met de harmoniek en melodiek van de Andalusische folklore


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 221.