muziekbus









Ludwig van Beethoven

geboren: Bonn 17 dec. 1770
gestorven: Wenen 26 maart 1827
Duits componist uit de Weense klassieke school, later beschouwd als exponent van de (vroeg) romantiek.

Geen componist is zó vaak met zó'n boze gezichtsuitdrukking afgebeeld als Beethoven. Hij is de geschiedenis ingegaan als een driftkikker, soms teder, dan weer kokend van razernij. De ordelijke, klassieke vormregels die Haydn en Mozart nog hadden eerbiedigd waren tegen hem niet bestand. In zijn sonates en symfonieën gooide hij de vaste volgorde van de delen om als hem dat zo uitkwam, hij overschreed de gebruikelijke lengte, hij smeet met schokeffecten en overvloedig thematisch materiaal, en dat alles kwam de expressie ten goede: de taal van een bewogen karakter. Voor Beethoven golden niet alleen de noten die een keurvorst of een bisschop wilde horen; hij drukte zijn eigen gevoelens uit, krachtiger dan zijn voorgangers ooit hadden gedaan. Die neiging werd versterkt door de doofheid waaraan hij vanaf zijn zesentwintigste jaar leed; iemand die zich steeds meer een buitenstaander voelt worden, schept zijn eigen regels. Achter zijn persoonlijke tragedie ging echter een zeker optimisme schuil. Hij geloofde in de mensheid en was er van overtuigd dat kunst mensen de weg wijst naar een harmonieuze toekomst. 'Het scheelde niet veel of ik maakte een einde aan mijn leven', schreef hij in 1802 in een brief aan zijn broers, 'maar die Kunst weerhield mij ervan'.

biografie
De grootvader van Ludwig van Beethoven was kapelmeester in Bonn en zijn vader, eveneens Vlaams van afkomst, wat het tussenvoegsel 'van' in zijn naam verklaart, was daar werkzaam als tenorzanger. Zijn moeder noemde Ludwig van Beethoven (geboren in Bonn op 16 december 1770) ooit zijn 'beste vriendin'; ze was zachtzinnig maar ook zwartgallig.

Zijn vader Johann beweerde lange tijd dat zijn zoon in 1772 ter wereld kwam. Zo kon hij een heel bijzonder wonderkind aan het hof presenteren en als pianist laten optreden om zijn karige inkomen aan te vullen.

In zijn jeugdjaren in Bonn kwamen naast een aantal juvenilia ook al rijpere werken tot stand, zoals de drie Kurfürstensonaten voor piano, drie pianokwartetten, twee cantates en twee variatiecycli, eveneens voor piano. De belangrijkste invloeden waren die van Neefe en wolfgang amadeus mozart. Een aantal van zijn vroege ongepubliceerde en vaak onafgemaakte werken zou beethoven in latere composities verwerken.

Ludwig van Beethoven ontving behalve van zijn vader muzieklessen van de hoboïst Pfeiffer en van de componist Neefe die hem in 1783 een aanstelling bezorgde als cembalist aan het keurvorstelijk hof, waar hij ook werkte als kerkorganist, zodat hij als zevenjarige zijn eerste optreden als pianist kan vieren, op elfjarige leeftijd Bachs Welgetemperd Klavier van buiten kent, en een jaar later Neefe als hoforganist kan vervangen.

Via zijn vriend Franz Gerhard Wegeler leerde Beethoven in deze tijd de familie Von Breuning kennen, waar hij zijn leven lang bevriend mee zou blijven. Helene von Breuning was een adelijke weduwe met veel belangstelling voor kunst en muziek. Beethoven werd de pianoleraar van de dochter Elénore en de jongste zoon Lorenz en onderging de heilzame invloed van dit culturele milieu.

In 1787 ging Van Beethoven naar Wenen om te studeren bij Mozart. Helaas is nergens duidelijk vastgelegd of de twee genieën elkaar ook daadwerkelijk hebben ontmoet. Dit verblijf moest hij afbreken door ziekte van zijn moeder, Maria Magdalena Keverich, die kort daarop aan tering stierf, waarop Beethoven de zorg op zich nam voor zijn drankzuchtige vader en zijn twee broers.

Vanaf 1789 speelde hij als altist in de hofkapel en het theaterorkest in Bonn.

In juli 1792 deed de inmiddels 60-jarige Franz Joseph Haydn op de terugreis van Londen naar Wenen, Bonn aan. Haydn uitte zijn bewondering voor de jonge componist en raadde hem aan om zich in Wenen te vestigen. Door tussenkomst van graaf Waldstein kreeg Beethoven opnieuw betaald verlof van de keurvorst en vertrok hij op 2 of 3 november 1792 voorgoed uit Bonn.

In de vroege Weense periode (1793-1799) maakte Beethoven zich enerzijds de Weense klassieke stijl eigen, anderzijds zocht hij nadrukkelijk een eigen weg, wat tot uiting kwam in een aantal vernieuwingen.

Beethoven maakte ondanks zijn ruwe omgangsvormen veel vrienden onder de musici in Wenen. Ondertussen begon de reputatie van Ludwig van Beethoven als improvisator te groeien en in 1795 werden zijn eerste composities gepubliceerd.

pianosonates (opus 2, 1796)

sonate opus 10, nr. 2 (1798)

sonate opus 13 (Sonate Pathétique, 1799)

strijkkwartetten opus 18 (1798. 1800)

eerste symfonie (1799)

Het septet opus 20 vormt het hoogtepunt van zijn zogenaamde tweede periode.

In 1799 had Beethoven via zijn vriend Zmeskall kennis gemaakt met de familie Von Brunswick en de dochters Thérèse en Joséphine. Beethoven werd de muziekleraar van de familie en maakte ook beide zusjes het hof.

De tweede periode wordt ingeleid door de pianosonate opus 26 (met treurmars), de sonate opus 27:2 (Mondscheinsonate) en de sonate opus 31:2 (met het recitatief in deel I), en door de tweede symfonie met haar ongewoon lange en monumentale inleiding van het eerste deel.

Zijn tweede periode (vanaf ca 1800); Monumentaliteit, expressieve geladenheid, contrasterende thema's die leiden tot dramatische ontwikkelingssecties, en uitvoerige coda's kenmerken deze stijlperiode. In toenemende mate kwam Beethoven onder de invloed zowel van de Franse postrevolutionaire muziek van Luigi Cherubini en Méhul als ook van de humanitaire idealen van de Franse Revolutie en het ethisch gebonden vrijheidspathos van Friedrich von Schiller en Goethe.

Beethoven kende een vrij bewogen liefdesleven, uitsluitend gestoffeerd met dames uit de hogere kringen, die hem vaak ook de inspiratie leverden voor heel wat composities. In 1800 heeft hij trouwplannen met zijn leerlinge Giuletta Guicciardi, wat de wereld de 'Mondscheinsonate' oplevert.

Sinds ca 1800 leed Beethoven aan hardhorendheid, die steeds erger werd en ca 1818 overging in doofheid; in zijn laatste levensjaren was conversatie alleen mogelijk met behulp van - schriftelijke - ‘Konversationshefte’, waarvan er ca 1400 bewaard zijn gebleven.

Zijn vrienden Amenda en Wegeler waren de eersten die hij hierover inlichtte, in twee ontroerende brieven uit juni 1801. Omstreeks 1802 begon Beethoven zich te realiseren dat zijn doofheid erger zou worden en ongeneeselijk zou blijven. In oktober van dat jaar raakte hij hierdoor in een zware depressie. Ondanks zijn neerslachtigheid slaagde Beethoven erin om in dit jaar de Tweede Symfonie te voltooien. Merkwaardigerwijs klinkt in dit werk nauwelijks iets van de somberheid door, die hij in zijn brieven aan de dag legde.

In 1802 schrijft hij het beroemde zelfportret in het zgn. 'Heiligenstädter Testament', en tot in 1808 speelt hij bij concerten nog zelf piano. De levenslust en wellevende humor van Haydn - de grote architect van de symfonie als muziekvorm - zijn wellicht mede door persoonlijke tegenslag bij Beethoven rauwer geworden, al gebruikte Beethoven in deze symfonie nog dezelfde kleine orkestbezetting als Haydn.

derde symfonie (1803; Eroica). Oorspronkelijk was deze symfonie opgedragen aan Napoleon. Beethoven zou de opdracht aan Napoleon bij het bericht van diens keizerskroning hebben verscheurd, omdat ook deze grote leider een tiran bleek te zijn; het belette hem niet in 1810 de mis opus 86 aan Bonaparte op te dragen.

sonate opus 57 (Appassionata) (1804)

Concert voor piano, viool en cello in C grote terts opus 56 (1804)
Wat Beethoven inspireerde tot het schrijven van een concert voor pianotrio en orkest is niet bekend. De combinatie van viool, cello en piano in dit concert dat de bijnaam Tripel Concert kreeg, was verre van gebruikelijk. pas ruim een eeuw later waagden andere componisten zich aan het schrijven van een concert voor deze uitzonderlijke combinatie van solo-instrumenten. Uit aantekeningen van Beethovens secretaris en biograaf Anton Schindler blijkt dat Beethoven dit concert schreef voor de pianist aartshertog Rudolf van Oostenrijk. Deze was kort daarvoor leerling van Beethoven geworden en dat verklaart waarom de componist de pianopartij relatief eenvoudig heeft gehouden. pas in 1807 werd het werk uitgegeven, waarna een jaar later de eerste openbare uitvoering ervan plaatsvond.

Toen de betrekkingen met vorst Lichnovsky, die hem tot dan financieel steunde, in 1806 tijdelijk bekoelden, besloten de vorsten Kinsky, Lobkovitz en aartshertog Rudolf van Habsburg (sinds ca 1806 Beethovens leerling) zich aaneen om hem een jaargeld te verlenen.

kwartetten opus 59 (Rasoemovsky-kwartetten, 1806),

vierde pianoconcert, vioolconcert (ca 1806)

'Maar mijn beste Beethoven, wat heeft u nu toch weer gewrocht!', merkte vorst Nikolaus Esterházy op, nadat hij de Mis in C in zijn slot te Eisenstadt had aangehoord. Beethovens vriend Johann Nepomuk Hummel stond erbij te lachen. De Mis in C, Beethovens eerste werk in dit religieuze genre, was geen succes, niet bij de Eisenstadt-première op 13 september 1807 en ook niet bij latere uitvoeringen.

De vierde en de vijfde symfonie (1807).
Symfonie Nr. 5 in c, opus 67.
1. Allegro con brio
2. Andante con brio
3. Allegro
4. Allegro
Eén van de populairste is de vijfde. Ze wordt beheerst door het ritmische motief van vier noten, kort-kort-kort-lang, ook wel het 'Noodlotsmotief' genoemd. Het eerste thema in het eerste deel ontwikkelt zich hieruit en zelfs tijdens het melodieuze tweede thema blijft het waarneembaar in de begeleiding van de bassen. Het tweede deel begint met een wondere melodie die wordt aangezet door altviolen en celli, waarna houtblazers en violen erop voortspinnen. In een marsachtig tussendeel zijn de vier slagen van het centrale motief weer te horen. Het derde deel, qua vorm een scherzo, heeft iets dreigends en gaat zonder onderbreking met een geheimzinnig gefluister over in de dramatische-spannende finale. Beethoven heeft de krachtigste en scherpste instrumenten voor deze apotheose bewaard: de trombones, de contrafagot en de piccolo, voordien nog nooit in het symfonieorkest gebruikt.

Beethovens Pastorale
Tegen de tijd dat hij z'n Zesde Symfonie, de Pastorale, had geschreven, had hij z'n eigen muze gevonden. Z'n inspiratie was volkomen uniek. Hij was losgebroken uit 't keurslijf van de formele structuren In de Romantische periode zocht men naar middelen om emoties uit te drukken. Beethoven liep bij die beweging voorop. We horen hier 'n componist die niet meer gehinderd wordt door de beperkingen van vorm en precisie. In de Pastorale is te horen hoe de klassieke traditie plaatsmaakt voor de Romantiek.

De zesde symfonie (Pastorale, 1808) werd met haar poëtisch programma o.a. het model voor Berlioz' Symphonie Fantastique. De programmatische aspecten van deze symfonie hebben, in combinatie met de extreme dynamiek van de muziek, ertoe geleid dat Beethovens werk omgeven werd met een ethisch aura, waardoor in de 19de eeuw diverse programmatische suggesties aan composities zijn toegevoegd die niet authentiek zijn.

De eerste aantekeningen voor deze symfonie dateren uit 1802, de uiteindelijke compositie werd in de zomers van 1807 en 1808 afgerond. Beethoven bracht deze maanden door in het plaatsje Heiligenstadt. Vandaag de dag een buitenwijk van Wenen maar toen een landelijk dorp. Een 'groen' uitvluchtoord voor het hectische Wenen en een perfecte plaats voor Beethoven om te componeren. In Heiligenstadt, kwamen zijn gedachten tot rust. Behalve de 'Pastorale' componeerde hij hier ook de vijfde symfonie, de cellosonate in A-groot en twee pianotrio's (op.70). Beethoven produceerde zoveel muziek in die tijd dat hij er niet meer zeker van was welke symfonie hij het eerste af had. Uiteindelijk catalogiseerde hij de 'Pastorale' als de vijfde en de c-klein symfonie als nummer zes. Dit werd later weer gecorrigeerd.

Zelf schreef Beethoven, in een brief aan Nanette Streicher: 'Wanneer u door die stille dennenbossen wandelt, denk er dan aan dat ik daar dikwijls gedicht, of, zoals men zegt, gecomponeerd heb’. Het plaatje van een onbegrepen dichter die bij een bergbeek peinzend naar de horizon staart is in de loop der tijd jammerlijk gedevalueerd; tegenwoordig valt het in de categorie Zigeunerjongetje-met-traan, gecoiffeerde poedels en zeemansverdriet. Dat doet natuurlijk geen afbreuk aan de muziek zelf, maar juist bij dit werk staat de artistieke integriteit van de compositie in een merkwaardige verhouding tot het beeld dat de muziek oproept.

In zijn tumultueze oeuvre vormt de Zesde symfonie een oase van rust. Deze muziek staat haaks op de taal die hij in de voorgaande jaren bezigde: geen heroïek, geen geworstel met het noodlot, maar een idylle vol vogelzang en riviergeklater, die de ziekelijke uitwassen van de menselijke geest in toom houden. De natuur bezweert hier volledig het conflict dat in Beethoven in vrijwel al zijn andere composities zo duidelijk laat doorklinken. Zelfs wanneer een onweer dreigt, in het vierde deel, neemt dit niet de vorm aan van een toornige godheid, en blijft de verwachte krachtmeting tussen mens en natuur uit.

Beethoven voorzag de afzonderlijke delen zelf van bloemrijke titels en noemde het geheel Pastorale symfonie, of 'een herinnering aan het leven op het land’, maar voegde daar in de partituur als onderschrift aan toe: 'Meer gevoelsuitdrukking dan schildering’. Het ware 'schilderen in klank’ kwam pas later in zwang, bij componisten als Berlioz en Liszt. In dat opzicht loopt Beethoven met dit werk ook niet echt vooruit op de Romantiek. Veeleer zet hij hier op eigenzinnige wijze een traditie uit de Barok voort; pastorale muziek vindt men al bij Bach, Händel en Vivaldi.

De titels van elk van de 5 delen geven een duidelijk beeld over wat de componist in zijn gedachten moet hebben gehad. Om de luisteraar een beetje te helpen, in deze tijd waar de pastorale traditie misschien wat meer in nevelen is gehuld volgt hier toch een korte toelichting op de symfonie. Temeer daar de Pastorale zich laat lezen als een verhaal.

Het eerste deel; 'Angenehme Empfindungen, welche bey der Ankunft auf dem Lande im Menschen erwachen', verbeeld de opwindende gevoelens die de mensen hebben bij aankomst op het platteland. In tegenstelling tot veel van zijn andere symfonin begint deze zeer kalm. Na de eerste 4 maten valt er al een stilte. Het deel schetst een idyllische sfeer die steeds terugkomt in het stuk. De beginmelodie zal nog vele malen terug komen in het eerste deel.

Het tweede deel; 'Scene am Bach', brengt de luisteraar helemaal in de natuur. Een in dit deel steeds terugkerende melodie is het geluid van het kabbelen van een beekje. In het begin gespeeld door de tweede violen, de altviolen en de cello's. Later wordt dit motief ook door andere instrumenten overgenomen. De beek is in dit geval een beek die vaak bezocht wordt door kwartels, koekoeken en nachtegalen, wiens stemmen worden weergegeven door de houtblazers.

In het derde deel; 'Lustiges Beysammenseyn der Landleute' richt Beethoven zijn aandacht meer op het menselijke aandeel. Het vrolijk bijeenkomen van de boeren leidt tot een dorpsdans .

Een dorpsfanfare brengt de mensen aan het dansen. Van toonschildering is hier geen sprake meer. Maar plots valt de dans stil door aankomend onweer; 'Donner und Sturm' (deel 4) en wanneer de storm is gaan liggen slaat ook de gedrukte sfeer om in een vrolijk zingen van herders.

In het laatste deel: 'Wohltätige, mit Dank an die Gottheit verbundene Gefhüle nach dem Sturm.' keert de rust van het eerste deel weer terug. De laatste drie delen worden achter elkaar gespeeld zonder pauze ertussen.

zie ook bron

Teruggekeerd in Wenen, organiseerde Beethoven een galaconcert om de twee symfonien in première te laten gaan, samen met nog wat andere nieuwe werken. Het concert vond plaats in het 'Theater an der Wien' op 22 december.

Eigenlijk was Beethoven van plan na dit concert Wenen te verlaten om een concertreis te maken naar Leipzig en misschien zelfs Londen. Wenen bracht hem weinig financiële voorspoed en een reis zou zijn populariteit zeker ten goede komen. Daarnaast was het moeilijk om in Wenen je werken ten gehore te brengen. Beethoven moest zelf een zaal huren, de muzikanten regelen, de kaartjes drukken en de advertenties plaatsen.

Na dit concert zou er verandering in de situatie komen. Het dreigende afscheid van Beethoven verontruste vooral Marie Erdödy. Zij bewerkstelligde dat Gleichenstein, een goed voorziene vriend van Beethoven, drie jonge zeer gefortuneerde muziekliefhebbers interesseerde om Beethoven van een vast inkomen te voorzien. Deze, vorst Kinsky, vorst Lobkowitz en aartshertog Rudolf van Hamburg, stelde een document samen waarin ze hem een jaarinkomen toezeggen van 4000 Fl. Aan o.a. Prins Lobkowitz draagt hij zijn zesde symfonie op. Deze overeenkomst verlichtte Beethoven van alle financiele kopzorgen en deed hem besluiten in Wenen te blijven.

De vrouw met wie Beethoven het dichtst een huwelijk was genaderd, is Teresa Malfatti rond 1809-1810 geweest, met als gevolg een ontmoeting met Goethe en de 'Egmont'-muziek.

kwartet opus 74 (Harfenquartett, 1809)

vijfde pianoconcert (ca 1809)

pianosonate opus 78 (1809)

sonate opus 81a (Les adieux, 1810)

kwartet opus 95 (1810).

het Aartshertogtrio (1810. 1811)

de zevende symfonie en de achtste symfonie (ca 1811)
In de Achste Symfonie lijkt Beethoven zijn belangstelling voor de symfonie-vorm te hebben verloren. Hij componeerde hiermee een laatste, soms ironisch eerbewijs aan de stijl meesters als Haydn.

Er is een beroemde brief bewaard gebleven die Beethoven richtte aan een 'onsterfelijke geliefde' waarvan men altijd aannam dat het Thérèse von Brunswick betrof. Deze heeft tot haar dood in 1861 volgehouden dat de brief aan haar was geadresseerd, ter gelegenheid van een geheime en platonische verloving tussen hen beide. Waarschijnlijk is ze dat ook in al die jaren echt gaan geloven. Er zijn echter biografen die menen dat het heel anders is gegaan dan de oude aderlijke Hongaarse dame wilde doen geloven. De brief zou zijn geschreven in juni 1812 en gericht zijn aan Joséphine, haar zuster.

sonate opus 90 (1814)

In 1814, toen Beethoven voor het Weense Congres een aantal gelegenheidswerken componeerde, bereikte zijn roem een hoogtepunt; hij werd bejubeld door een groot publiek en kreeg keizerlijke onderscheidingen.

De jaren 1814 en 1815 waren voor Beethoven in de persoonlijke sfeer tragisch. Zijn broer Karl stief in 1815 op 41-jarige leeftijd en hij besloot diens zoon, ook Karl geheten, te adopteren. Dit zou tot grote problemen leiden met de echtgenote van zijn broer, Johanna Reiss. Beethoven besloot te proberen de jongen aan de macht van zijn moeder te onttrekken. Dit lukte tenslotte in 1820 en Karl ging op negenjarige leeftijd naar kostschool. Zijn neef Karl was op de kostschool bijzonder ongelukkig geweest. Ook had hij veel te lijden gehad van het onwrikbare moralisme van zijn oom en diens totale gebrek aan psychologisch inzicht en realiteitszin. Ze hadden meerdere malen ruzie en Karl trachtte op 29 juli 1826 op 15-jarige leeftijd zelfmoord te plegen: hij vuurde op een afgelegen plek enkele kogels op zichzelf af, maar bleef in leven.

De derde periode, na ca 1816, is de voortzetting van de stijlevolutie van de vorige periode. Het hyper-individuele en in zichzelf verzonkene triomferen evenzeer als het grandioze, de drang zich als kunstenaar te richten tot de gehele mensheid als profeet en leider. Daarnaast is er een tendens waarneembaar naar volksliedachtige melodiek, zoals in de liedcyclus An die ferne Geliebte. Beethoven greep ook terug op contrapuntische vormen en modaliteit.

de laatste pianosonates (opus 101, 102 nr. 1 en nr. 2, opus 109 en 110; 1816. 1822).

Missa solemnis (1822)

De negende symfonie (1824, met de koorfinale op Schillers Ode an die Freude). Het met niets te vergelijken monumentale en vernieuwende meesterwerk dat als een mijlpaal kwam te staan in de Europeese symfonie muziek.

De Negende Symfonie (1824) en de Missa Solemnis waren hoogtepunten van vernieuwing in Beethovens tijd. Maar tijdens zijn leven hadden zich ook grote veranderingen voltrokken in de muziekpraktijk. Concerten vonden niet alleen meer plaats aan de grote adellijke hoven of in de huizen van de rijke burgerij. Steeds meer werden grote zalen gebruikt voor openbare concerten. Dit maakte ook grotere bezettingen van het orkest mogelijk, zoals vereist in Beethovens latere werken.

de laatste kwartetten (opus 127, 130, 131, 132 en 135; 1825. 1826).
De laatste jaren van zijn leven (vanaf 1824) wijdde hij geheel aan het componeren van vijf strijkkwartetten, die qua stijl een abstracte sublimering zijn van de stilistische verworvenheden van de voorafgaande werken. Zij hadden tot in de 20ste eeuw invloed.

Was er al kritiek geweest op de extravaganties van de middenperiode, Beethovens late stijl werd toen en nog veel later nauwelijks begrepen, terwijl het verwijt dat hij met instrumenten en stemmen geen rekening hield (laatste kwartetten, Missa solemnis en koorfinale van de negende symfonie) hem tot in de wetenschappelijke Beethoven-literatuur achtervolgde. Tegenwoordig treffen eerder de consequente rechtlijnigheid van zijn gehele stijlevolutie, de eenheid van zijn magistrale oeuvre en de actualiteit van de problematiek ervan, juist in de laatste periode. Een vernieuwer in eigenlijke zin was Beethoven niet, al breidde hij de orkestbezetting enigszins uit (trombones, piccolo en contrafagot in de vijfde symfonie, slagwerk bovendien in de negende symfonie). Nieuwe vormen schiep hij nauwelijks, maar hij wijzigde de bestaande naar inhoud en afmeting. Van grote betekenis was dat hij de variatietechniek (o.a. Diabellivariaties, 1823) losmaakte van de versieringstechniek en in zijn latere werken omboog naar de karaktervariaties en vrije variaties van de romantiek.

Beethoven heeft in Wenen in zo'n 30 huizen gewoond. Hij leefde in grote wanorde, maakte dikwijls ruzie met zijn beschermheren en zijn personeel en kleedde zich slecht. Na de creative explosie van de symfonieën 4, 5 en 6 was Beethoven op zichzelf in Wenen. Hij woonde alleen, na de ruzie met vorst Lichnowksy en kwam steeds vaker in conflict andere beschermheren vanwege zijn onberekenbare gedrag, dat ongetwijfeld veel te maken had met zijn voortschrijdende hardhorendheid.

Beethoven heeft slechts één opera geschreven, Fidelio. Hij moest de oerversie, Léonore, drie maal bewerken voordat iedereen tevreden was over de opera en zo zijn er vier ouvertures ontstaan, Léonore 1, Léonore 2, Léonore 3 en de Fidelio-ouverture. Het overige werk van Beethoven voor theater beperkte zich tot het ballet van Viganò, Die Geschöpfe des Prometheus en een aantal losse ouvertures of scènemuziek voor toneel.

Reeds jaren gekweld door een leverkwaal, werd hij in het najaar van 1826 ernstig ziek. Zijn laatste jaren zou hij doorbrengen in het zogenaamde Schwarzpanierhaus, een voormalig klooster op geringe afstand van het huis van de bevriende familie Breuning. Naar dit huis keerde Beethoven terug, na een nachtelijke avontuurlijke reis in een open melkkar tijdens een storm. Hij ging thuis direct naar bed en liet een dokter komen, die een longontsteking vaststelde. Bovenop de longontsteking volgde een aanval van geelzucht. Er waren in de eerste weken van 1827 drie operaties nodig en hierna heeft Beethoven zijn bed niet meer verlaten. Beethovens doodsstrijd begon op 24 maart en duurde twee dagen. Twee dagen later op 28 maart 1827 vond de begrafenis plaats en volgens Beethovens vriend Zmeskall werd deze door twintig- à dertigduizend mensen bijgewoond. De kist werd gedragen door acht musici, waaronder de componist Franz Schubert, die zelf een jaar later, op 31-jarige leeftijd zou sterven.

Er vonden twee rouwdiensten plaats, 3 April in de Augustijnerkerk met Mozarts Requiem en later (5 of 26 April?) een in de Karelskerk met de Requiem in C-minor (1816) van Luigi Cherubini; de ruimten waren te klein voor de opdringerige menigte.

privacybeleid