kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Kerktoonsoort

de aan r.k. liturgische muziek ontleende, in de Middeleeuwen algemeen gebruikelijke, thans nog in het Gregoriaans en in veel Protestantse kerkmuziek voortlevende diatonische toonsoorten.

of modaal systeem: harmonisch systeem waarbij men gebruik maakt van opeenvolgingen van diatonische tonen, zonder verhoging of verlaging en zonder vaste plaats voor de halve tonen (zie harmonieleer). De kerktoonsoorten zijn afkomsting van de Griekse toonsoorten en worden gebruikt in het Gregoriaans, in het middeleeuwse polyfonie en in de hedendaagse modale compositietechnieken. In de klassieke harmonie heeft met twee toonsoorten (grote en kleine terts); de kerktoonreeksen kennen acht toonreeksen of modi: vier authentieke en vier plagale of afgeleide, elk met een eigen karakter wegens de wisselende plaats voor de halve toon, en gaande van de grondtoon (finalis) tot het bovenoktaaf. Op ieder van de tonen D, E, F en G wordt een authentieke reeks opgebouwd; hierbij komt dan een plagale of afgeleide reeks, een kwart lager, ook hypo-reeks genoemd. De grondtoonsoorten zijn: dorisch (D-d), frygisch (E-e), lydisch (F-f) en mixolydisch (G-g); de plagale toonsoorten zijn: hypodorisch (A-a), hypofrygisch (B-b), hypolydisch (C-c) en hypomixolydisch (D-d, slottoon g). In de zestiende eeuw maakte men de reeks rond door een aeolische reeks (A-a) en een ionische (C-c); de eerste kwam overeen met een kleine tertstoonsoort, de tweede met een grote tertstoonladder. In de kerktoonsoorten gelden andere graviteitswaarden dan in de klassieke harmonieleer. De slottoon is niet steeds de finalis; de III, IV en V trap zijn belangrijk. Na het loslaten van de klassieke harmonie in de laat-romantiek, te samen met de opkomst van het impressionisme, waren er ook componisten die zich tot de modaliteiten keerden. Sommige deden dat bewust, of door het fiet dat hun muziek gebaseerd was op volksmuziek die toevallig modaal was. tonaal ordeningsprincipe van de middeleeuwse muziek. Naar oud-Grieks voorbeeld nderscheidde men in de middeleeuwen acht, later twaalf oktaaffragmenten, die vanuit verschillende grondtonen werden gevormd uit het toonmateriaal van de diatonische toonladder zonder toevoeging van chromatische tonen. Men onderscheidt bij de kerktoonsoorten (ook modi genaamd) vier authentieke (dorisch, phrygisch, lydisch, mixolydisch) alsook vier plagale toonsoorten (hypodorisch, hypophrygisch, hypolydisch, hypomixolydisch), waarbij de uitgangstoon ten opzichte van de authentieke toonsoorten een kwart naar onderen verschuift. In het midden van de 16de eeuw kwamen er nog vier toonsoorten bij (aeolisch resp. hypo-aeolisch en ionisch resp. hypo-ionisch


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 112.