kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Karl Amadeus Hartmann

Karl Amadeus Hartmann geboren München 2-8-1905, gestorven München 5-12-1963
Duits componist

Karl Amadeus Hartmann was de zoon van de kunstschilder Friedrich Richard Hartmann en diens vrouw Gertrud. Hartmann studeerde van 1924-1929 trombone en compositie bij Joseph Haas aan de Staatlichen Akademie der Tonkunst te München.

In samenhang met de Opera Studios van de Beierse Staats Opera, opgericht door Clemens von Franckenstein, zowel als in de ontmoetingsplek van de avant-garde vereniging van artiesten genaamd "Die Juryfreien" , was het mogelijk voor Hartmann om zijn eerste composities te introduceren bij het publiek. Onder de daar uitgevoerde werken waren de kameropera Leben und Sterben des heiligen Teufels (een van vijf kameropera's die Hartmann combineerde onder de titel Wachsfigurenkabinett), de Jazz-Toccata en -Fuga (1928), de Sonatine voor piano (1931), de Tanzsuite voor blaaskwintet (1931), de Burleske Musik voor blazers, percussie en piano (1931) en het Kleine Konzert voor strijkkwartet en percussie (1932). Deze vroege stukken laten invloeden zien van jazz en dadaisme, van de persiflage techniek en de nieuwe zakelijkheid.

In 1933 ontmoette hij de dirigent Hermann Scherchen met wie hij zijn gehele leven bevriend is gebleven. het 1. Streichquartett (1933), wat hij opdroeg aan Scherchen, weerspiegelt de politieke situatie van de overname van de nazis, via de aanwezigheid van een Joods volkslied dat is verspreid over het stuk. Vanaf dit moment gebruikte Hartmann het componeren om deel te nemen aan de verdrukten; zijn muziek is een verbintenis aan de menslievendheid. Vooral melodieën met Joodse invloeden doortrekken de komende symfonieën en de opera Simplicius Simplicissimus.

De inspiratie tot het componeren van deze opera naar Grimmelshausen, evenals de conceptie van het bijbehorende scenario zijn op Scherchen terug te voeren.
De expressieve muzikale taal bevat contrasterende elementen zoals, volkslied, koraal, psalm-achtige recitatieve en symfonische episoden. Het werk behandeld de waardigheid van een enkel mens, die wordt geconfronteerd met een wereld vol gruwelijkheden. Het stelt ook een relatie vast tussen De Dertigjarige Oorlog en het tijdperk van het fascisme.

"Beklagenswerterweise ist die Welt heute in einem Zustand, der die Unruhe, die Ängste und die Trauer von damals uns heute wieder nachfühlen läßt. Hält man der Welt den Spiegel vor, so daß sie ihr gräßliches Gesicht erkennt, wird sie sich vielleicht doch einmal eines Besseren besinnen. Trotz aller politischen Gewitterwolken glaube ich an eine bessere Zukunft: das soll die Schluß-Apotheose in meinem Simplicius ausdrücken." (Hartmann, Kleine Schriften)

"Helaas verkeert de huidige wereld in een toestand, die ons de onrust, de angst en de droefheid van toen, vandaag weer navoelen laat. Houdt men de wereld een spiegel voor, zodat zij zijn gruwelijke gezicht herkend, zal zij misschien eenmaal tot betere gedachten komen. Ondanks alle politieke donderwolken, geloof ik in een betere toekomst: dat zal de slot-apotheose in mijn Simplicius uitdrukken."

Hartmanns volgende composities waren in dit opzicht een stellingname tegen de vervolging en onderdrukking in Duitsland gedurende de nazi-tijd. Hij droeg zijn eerste orkestrale werk MISERAE op aan de gevangenen van het concentratiekamp Dachau, zijn 1. Sinfonie met tekst van Walt Whitman ondertiteld met Versuch eines Requiems.

In 1934 trouwde Hartmann met Elisabeth Reussmann en een jaar later kregen zij hun zoon Richard. Tijdens het IGNM-Festival in Praag in 1935, kreeg Hartmann internationale erkenning met MISERAE.

In 1936 won hij de eerste prijs met zijn 1. Streichquartett van de Geneefse Kamermuziek Vereniging Carillon.

Ook het in 1939 ontstane vioolconcert met de titel Concerto funebre werd een geëngageerd werk, waarvan Hartmann wilde dat men het begreep als zijnde een klacht en beschuldiging, een uitdrukking van hopeloosheid voor de geest en toch ondanks dit alles het nooit losgelaten vertrouwen in de toekomst.

In de jaren 1941 en -42 nam Hartmann privélessen bij Anton Webern in Wenen. De fascinatie voor de hoogst constructionele, maar toch uitgesproken emotionele muziek van Webern's composities beïnvloedde Hartmann's verdere werken sterk. De fusie van constructie en expressie werd een kenmerkend element van zijn compositionele proces.

Van 1941-43, werkte hij aan zijn grote instrumentale tryptichon Sinfoniae Dramaticae, bestaande uit de symfonische ouverture China kämpft, de symfonische Hymnen en symfonische Suite Vita Nova, naar het gelijknamige gedicht van Percy Bysshe Shelley.

Tegen het einde van de oorlog was Hartmann er getuige van hoe een stroom gevangenen uit het concentratiekamp Dachau gejaagd werden, zodat zij niet gered konden worden door de geallieerden, die tegen die tijd Duitsland binnengevallen waren. Deze ervaring verwerkte hij in zijn Sonata 27. April 1945 voor piano, waaraan hij het volgende voorwoord toevoegde: "Op 27 en 28 april 1945 sleepte een stroom van 20.000 Dachau gevangenen zich langs ons voort. Eindeloos was de stroom. Eindeloos was het lijden. Eindeloos was de ellende."
De Sonata bereikt de grenzen van wat speelbaar is en doorgrond daardoor zowel alle technische als emotionele extremen. Zijn muzikale taal slingert tussen rouw, beschuldiging, woede en wanhoop en is getuige van Hartmann's diep gevoelde menslievendheid, zijn menselijk engagement en zijn sympathie voor de lijdende slachtoffers van het Nationaal Socialisme.

Zijn 2. Streichquartett, dat hij na de oorlog voltooide, maakt gebruik van de nieuw verworven vrijheid en verbindt de losgelaten tradities die onderdrukt werden door het Derde Rijk, in het bijzonder de werken van Bartok en Kodalys. In 1945 werd Hartmann aangesteld als muzikaal dramaturg aan de Bayerische Staatsoper, waarbij het zijn speciale taak was de interesse in de tot dan toe genegeerde hedendaagse componisten te herstellen en de kenmerkende werken van de 20ste eeuw in het concertleven van de stad te rehabiliteren.
Tot zijn dood dirigeerde Hartmann de Musica-Viva-Concerten, die hun oorsprong vinden in de inspanning het publiek gewend te laten raken niet alleen aan klassiek moderne werken, alsook aan de laatste, uitdagende muziek van jonge, ambitieuze componisten. Deze concerten werden een rolmodel voor verscheidene gelijksoortige evenementen thuis zowel als in het buitenland.

In dezelfde tijd herzag Hartmann verschillende van zijn werken en bracht hij de eerste 4 symfonieën tot hun definitieve vorm.

Vanaf 1948 trad Hartmann steeds vaker op, waardoor zijn erkenning in Duitsland voortdurend toenam, wat uiteindelijk resulteerde in de toekenning van de Musikpreis van de de stad München in maart 1949. Dit werd gevolgd door de Kunstpreis van de Bayrische Akademie der Schönen Künste (1950), de Arnold Schönberg Medaille van het IGNM (1954), de Große Kunstpreis van het land Nordrhein- Westfalen (1957), zowel als de Ludwig Spohr Preis van de stad Braunschweig, de Schwabing Kunstpreis (1961) en de Bayerische Verdienstorden (1959). Verder werd Hartmann lid van de Akademie der Künste Münchens (1952) en -Berlin (1955) en ontving een eredoctoraat van de Spokane University in Washington (1962).

Zijn Symphonie Concertante of 5. Symphonie, die hij voltooide in 1951, verkreeg zijn muzikale materiaal uit het concept van een eerdere compositie, het Concertino für Trompete und Bläserkammerorchester uit 1933. In samenhang met een opdracht van de Bayrischer Radio, veranderde Hartmann zijn symfonie L'Oeuvre naar Zola in de 6. Symphonie, die zijn wereldpremière beleefde in 1953.

In zijn Konzert für Klavier, Bläser und Schlagzeug, die ook zijn wereldpremière beleefde in 1953, gebruikte Hartmann voor het eerst Boris Blachers principe van variabele maten (1950). Hij paste deze techniek ook toe in zijn volgende compositie Konzert für Bratsche mit Klavier (1955).

Als voorbereiding op zijn 7. Symphonie, hield Hartmann zich steeds meer bezig met contrapunt technieken, daarvoor werken van oude Nederlandse componisten bestuderend, zowel als werken van Johann Sebastian Bach, die een brug slaan naar de technieken van Schönberg of Webern.
Wederom probeerde Hartmann polyfoon contrapunt te verbinden met expressie, door zij aan zij polyfone delen, variatie en concerto-achtige delen aan de ene kant en lyrisch dramatische momenten aan de andere kant te plaatsen.

Ondanks zijn vele verplichtingen en opdrachten, werd Hartmann in 1959 mede-uitgever van het Neuen Zeitschrift für Musik bij Schott.

De wereldpremière van zijn laatste voltooide opdracht, de 8. Symphonie, vond plaats in Keulen in 1963. Het blinkt niet alleen uit in relatieve kortheid en inkorting van zegswijze, maar ook in een genot voor geluidsexperimenten, die tot dan toe niet in Hartmanns werken voorkwamen. De twee delen van dit werk Cantilène en Dithyrambe Scherzo-Fuga gaan zonder pauze in elkaar over en grijpen terug op hetzelfde thematische materiaal. Ondanks hun contrasterende karakter, laten beide delen een voorkeur voor imitatie en het principe van voortdurende variatie zien. Het laatste deel met elementen van scherzo, fuga en finale, gebaseerd op hetzelfde materiaal, geeft de indruk van een versmeltende synopsis van al Hartmanns symfonische werken.

Na de voltooiing van de 8. Symphonie, richtte Hartmann zich weer op opera. Aan de cyclus Jüdische Chronik een gemeenschappelijk werk met Henze, Blacher, Dessau en Wagner-Régeny, voegde Hartmann in 1960-61 het middelste deel Ghetto toe. Het was een klaaglied over de laatste uren van de getto's in Warschau.

Tot aan zijn laatste maanden werkte Hartmann aan de Gesangsszene für Bariton und Orchester op tekst uit Sodom und Gomorrha van Jean Giraudoux, wat onvoltooid bleef, maar posthuum werd uitgegeven.
Een uitnodiging in 1963 van de North Carolina Music Society, waar hij benoemd zou worden tot Honorary Director, kon Hartmann niet meer aannemen. Hij stierf op 5 december 1963 aan de gevolgen van kanker.

Bron: www.schott-cms.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 123.