kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 14-06-2008 voor het laatst bewerkt.

Johann Sebastian Bach

Portret door Elias Gottlob Haussmann, Circa 1748.

Johann Sebastian Bach geb. te Eisenach 21 maart 1685, gest. te Leipzig 28 juli 1750
Duits componist en organist

Bach was de meester van de contrapunttechniek en zijn muziek behoort tot het hoogtepunt van de polifonische stijl van de barok.

Bijna alle Bachs waren cantors, organisten of stadsmuzikanten. Het gemeenschappelijk beroep hield de gehele familie met een hechte band samen. Eens in het jaar kwamen zij bijelkaar om samen muziek te maken.

De stamvader van deze oude muzikantenfamilie uit Thüringen is een zekere Hans bach (ca 1580-1626). Van zijn drie muzikaal actieve zonen was Christoph (1613-1661) de grootvader van Johann Sebastian.

De vader van johann sebastian bach, stads- en hofmusicus, was Johann Ambrosius (1645-1695).

In 1692 of 1693 kwam Bach op het gymnasium.

Rond Johann Sebastian's negende jaar stierven zowel zijn vader als zijn moeder.

De jonge Johann Sebastian wordt opgenomen in het gezin van zijn oudste broer die muziekles gaf en organist in Ohrdurf was. Mogelijk heeft Bach enig muzikaal onderricht gehad van zijn oudere broer. Ook hier bezocht hij het gymnasium, waar hij zeer vlijtig catechismus, de Evangeliën, Latijn en Grieks studeerde en reeds op 15-jarige leeftijd de school verliet.

In 1700 kreeg hij een plaats in het internaat van de St.-Michaelisschool in Lüneburg waar hij koorzanger werd.
Tijdens deze periode maakte hij ook kennis met de 24 jaar oudere organist van de Johanneskerk, Georg Böhm, wiens invloed in veel van zijn werken te bespeuren is.

Vanuit Lüneburg maakte Bach enkele reizen naar de nabijgelegen muziekcentra Hamburg en Celle. In Hamburg kwam hij in contact met de organist Johann Adam Reinken; in Celle leerde hij door de toen beroemde, geheel Frans georiënteerde hofkapel van hertog Georg Wilhelm de Franse instrumentale muziek kennen.

In 1703 verbleef hij enkele maanden als violist en hulporganist aan het hof in Weimar, maar reeds in hetzelfde jaar werd hij uitgenodigd organist te worden van de Bonifatiuskerk in Arnstadt.

Hoewel de 18-jarige Bach dus een zeer goed organist moet zijn geweest, is het tot op heden niet opgehelderd hoe hij dat is geworden. In de vier jaren die hij in Arnstadt doorbracht, had hij de gelegenheid zich als organist verder te profileren. Bovendien schijnt hij zich hier tevens als componist te hebben ontwikkeld, voor zover bekend geheel autodidactisch.

1704 Eerste cantate

Hij kwam in conflict met de kerkenraad door zijn eigenmachtige verlenging van het verlof dat hem in de winter van 1705-1706 was verleend om het orgelspel van de in Lübeck werkende Buxtehude te leren kennen. Ook maakte de raad bezwaar tegen zijn lange tussenspelen in de dienst en zijn gewaagde chromatische koraalharmonisaties.

In 1707 werd Bach organist aan de Blasiuskerk in Mühlhausen.

In datzelfde jaar huwde hij met zijn nicht Maria Barbara bach, die moeder zou worden van de later beroemde zonen Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel.

In Mühlhausen zette hij zich met name in voor de uitvoering van vocaal-instrumentale kerkmuziek. De eerste met zekerheid te dateren cantates - een vijftal is bewaard gebleven - zijn hier gecomponeerd. Ongunstige omstandigheden verhinderden Bach de realisatie van regelmatige uitvoeringen van cantates. Deze omstandigheden waren er waarschijnlijk de oorzaak van dat hij reeds een jaar na zijn benoeming zijn ontslag nam.

In 1708 aanvaardde Bach de in artistiek en maatschappelijk opzicht aantrekkelijke positie van kamermusicus en organist aan het hof in Weimar. Van grote betekenis voor hem was de kennismaking met de nieuwste Italiaanse muziek (o.a. Vivaldi), die regelmatig door de hofkapel werd uitgevoerd en die op zijn compositiestijl van invloed is geweest.

Aan zijn benoeming tot concertmeester in 1714 in Weimar was de opdracht verbonden regelmatig cantates te componeren en uit te voeren. Hij componeerde een reeks van ca 30 cantates in moderne stijl, dwz. met niet-bijbelse teksten als essentieel uitgangspunt voor de compositie van recitatieven en da capo-aria's, die in vroegere cantates geheel ontbreken. Daarnaast ontstond in Weimar een groot aantal klavecimbel- en orgelwerken, waaronder het Orgelbüchlein.

Hoewel Bach in Weimar een gunstig klimaat vond om te werken, was hij dermate ontstemd over het feit dat hij niet werd benoemd tot eerste kapelmeester na het overlijden van de in dienst zijnde, dat hij zijn ontslag indiende, wat hij met een maand arrest moest bekopen.

In 1717 accepteerde hij het aanbod kapelmeester te worden aan het hof van de muziekliefhebber Leopold von Anhalt-Köthen. Aangezien dit hof calvinistisch was en er dus geen kerkmuziek werd uitgevoerd, legde Bach zich toe op het componeren van instrumentale orkest- en kamermuziek, o.a. de zes suites voor cello-solo en de drie sonates en drie partita's voor viool-solo, de orkestsuites in C en b, de beide vioolconcerten en het concert voor twee violen, de zes Brandenburgse concerten en het eerste deel van Das wohltemperierte Klavier (1722). Daarnaast ontstonden in Köthen ca 40 wereldlijke cantates.

1718 Reis naar Karlsbad

Een jaar na de dood van zijn eerste vrouw in 1720 trad Bach in het huwelijk met de eveneens aan het hof verbonden sopraan Anna Magdalena Wülcken. Uit dit huwelijk werd in 1735 Johann Christian geboren.

1722 Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach; Das wohltemperierte Klavier deel 1

Eind 1722 solliciteerde Bach naar de functie van cantor van de Thomaskerk en ‘director musices’ in Leipzig als opvolger van Johann Kuhnau. Wat hem deed besluiten Köthen te verlaten, was het feit dat het werkklimaat aan het hof ongunstig werd beïnvloed door het huwelijk van de vorst met een volstrekt amusische prinses; bovendien speelde de praktische overweging een rol dat zijn zoons in Leipzig aan de universiteit zouden kunnen studeren.

De raad van Leipzig gaf aanvankelijk de voorkeur aan drie toen beroemde componisten/kapelmeesters. Toen dezen na langdurige onderhandelingen echter niet beschikbaar bleken, moest men zich tevreden stellen met ‘mittlere Kräfte’ en werd in 1723 ten slotte Bach benoemd.

Als Thomas-cantor was Bach verantwoordelijk voor de muziek in de liturgie van de hoofdkerken van de stad en voor de muzikale opleiding van de leerlingen van de Thomasschool; als ‘director musices’ had hij de leiding van de stadsmuzikanten en de zorg voor muziekuitvoeringen bij bijzondere gelegenheden. Bach liet zich echter vaak door zijn oudste leerlingen vervangen, en maakte op die manier tijd vrij om zelf te componeren.

In Leipzig begon de componist een artistiek project van reusachtige omvang: voor vrijwel elke zon- en kerkelijke feestdag schreef hij een cantate, totdat er vijf complete jaargangen gevormd waren. (Bewaard gebleven zijn slechts de jaargangen 1723/1724, 1724/1725 en 1725/1726.) Ingebed in dit complex zijn de grote ‘Passionen’ naar Johannes (1724) en Mattheüs (1729). De Matthäus Passion vormt het hoogtepunt, maar ook de afsluiting van de eerste Leipziger periode.

In de resterende ruim twintig jaar liep Bachs productiviteit sterk terug en kon hij als cantor zijn composities heruitvoeren. Tot het relatief geringe aantal nieuwe werken voor kerkelijk gebruik behoren de missen, waaronder de grote mis in b, en het Weihnachts-Oratorium (1734), dat overigens voor een belangrijk gedeelte is samengesteld uit eerder gecomponeerde muziek van zijn wereldlijke en geestelijke cantates.

In 1729 kreeg Bach de leiding van het eerder door Telemann opgerichte Collegium Musicum, een vereniging van beroepsmusici en studenten die wekelijks openbare concerten verzorgde. Over de programma's van deze concerten is niets bekend. Men mag aannemen dat het werk met dit Collegium Musicum voor hem een welkome afleiding heeft betekend van de regelmatige strubbelingen met het bestuur van de school en het stadsbestuur, dat weinig begrip voor de compositorische prestaties van de Thomas-cantor kon opbrengen.

Naast zijn officiële functies begon Bach meer en meer aandacht te besteden aan zijn eigen belangen: hij maakte concertreizen (o.a. naar Berlijn en Dresden) en bekommerde zich in het bijzonder om uitgaven van eigen klavecimbel- en orgelwerken.

Zo verschenen in druk tussen 1731 en 1742 de vier delen van zijn Klavierübung, in 1747 het Musikalisches Opfer (opgedragen aan Frederik de Grote, die het thema leverde) en het orgelwerk Vom Himmel hoch, in 1748 (?) de Schübler-Choräle voor orgel en tenslotte postuum in 1751 de onvoltooide Kunst der Fuge.

Daarnaast ontstond in het begin van de jaren veertig het tweede deel van Das wohltemperierte Klavier.

1745 Vierde en laatste versie van de Matthäus Passion

In zijn latere jaren nam Bach ook de tijd om oudere composities te ordenen, in het net te kopiëren of om te werken. Deze meer reflectieve instelling had een beslissende invloed op het karakter van veel van zijn latere werk, waarin de polyfone compositietechnieken fuga en canon een belangrijke plaats innemen. Dat hij zich voor de meer actuele galante en ‘empfindsame’ stijlidealen niet geheel afsloot, bewijzen composities als de Goldberg-Variationen (1742) en de triosonate uit het Musikalisches Opfer (1747).

Tijdens de laatste drie jaren van zijn leven leed Bach aan een oogziekte die uiteindelijk tot blindheid leidde. Vermoedelijk heeft hij sinds de zomer van 1749 niet meer kunnen werken.

Bach stierf op 28 juli 1750, na een mislukte oogoperatie.

1760 Anna Magdalena Bach sterft als 'Almosenfrau'

Johann Sebastian huwde twee keer en kreeg 21 kinderen. Uit zijn eerste huwelijk werden Wilhelm Friedemann en Carl Philip Emanuel geboren, en uit zijn tweede Johann Gottfried, Johann Christoph Friederich en Johann Christian.

Bach liet meer dan 200 cantates na, de Paas- en Kerst-oratoria en de Matthäus- en Johannes- Passionen. Zijn orkestrale muziek bestaat onder meer uit zijn zes Brandenburgse concerten en werken voor piano en viool.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 18.