kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Italiaanse-volksmuziek

De muziek, die zich van Mesopotamië uit naar Z.O.-Europa verspreidde, tussen 2000 en 1000 vC, was homofoon en heptatonisch. De melodie was meestal gebouwd volgens tetrachorden die in modi gegroepeerd waren. Zij was rijk aan melismatische versieringen. Op melodisch-ritmische schemata (râga der Indiërs, nomos der Grieken) werd een improvisatie-variatiekunst uitgeoefend. Naarmate zich deze Oosterse cultuur in Europa verspreidde, werd zij beïnvloed door specifieke Europese concepties. Melodie en ritme werden vereenvoudigd en gerationaliseerd. De melismen verdwijnen. Het aantal modi wordt steeds geringer. De modaliteit wordt allengs door het tonaliteitsbegrip vervangen. Europa ziet af van de melodische en ritmische verscheidenheid en subtiliteit van het oosten. Daarentegen ontstaat er langzamerhand de meerstemmigheid.

Italië bevindt zich juist op de grens tussen de Aziatische en Europese opvattingen. Het zuiden van het schiereiland en Sicilië (Groot-Griekenland) stonden onder rechtstreekse invloed van het oosten. De Abruzzen en Sardinië ondergingen die invloed minder rechtstreeks, waarschijnlijk ten gevolge van de komst der Avaren in de 8ste eeuw, en die van de Barbaresken. Die oosterse invloed dringt niet verder door dan de oude grens van het Frankische rijk ten tijde van de dood van Karel de Grote (742 - 814): Straat van Bonifacio, Volturno, en, ver in het noorden, de kust van Venetië en die van Istrië. Ten noorden van deze grens zijn het de Westeuropese opvattingen, die zich ontwikkelden en aangenomen worden. In de grensgebieden ontstonden natuurlijk overgangsvormen. Eigenaardig is het feit, dat het juist in die grensgebieden is, dat de traditionele volkspolyfonie zich vormde en tot nu toe bewaard is gebleven. Heden nog bestaat deze geografische lokalisatie der Italiaanse muziekstijlen. Die culturele grens is - tenminste wat de muziek betreft - sedert de 9de eeuw ongewijzigd gebleven, juist zoals geschiedde voor de Frans-Vlaamse taalgrens in België.

De zuidkust van Sicilië was een Dorische kolonie. Nu zijn nog de liederen van de streek Sciacca-Agrigento-Gela bijna aIle in de Grieks-Dorische toonsoort. Zij zijn zeer duidelijk volgens het tetrachordstelsel opgebouwd, en wel in dalende richting. Die liederen, door mannen in de open lucht gezongen, beginnen op de hoogste noot die de stem kan bereiken. Daarna is de melodie wel verplicht te dalen. Deze levende getuigenissen van het verleden doen ons begrijpen, dat de dalende richting van de Griekse modi niet het gevolg was van theoretische beschouwingen, maar dat, integendeel, de Griekse theorie slechts de werkelijkheden van de toen heersende muziekcultuur gecodificeerd heeft. In eenzelfde streek kent men vooral één bijzonder melodisch schema, waarop door de individuele zangers melismatische versieringen en variaties geïmproviseerd worden. Dit beginsel van de nomos is tot op de huidige dag levend. De dorpelingen noemen het schema van die aard: 'motto del paese' (wijsje van het dorp). De Dorische modus wordt, op zekere ogenblikken in de ontwikkeling van het lied, gechromatiseerd, en zelfs geënharmoniseerd (met 1/4 van de toon). juist in overeenstemming met de beschrijving, die ons van deze twee genera door de Griekse theorie werd gegeven. Dank zij die nog voortlevende traditie geeft men zich rekenschap, dat de Griekse chromatische en enharmonische genera geen afzonderlijke modi vormden, maar dat zij op een of andere diatonische modus inwerken door expressieve verplaatsing van de 'Lichanos'.

De Siciliaanse oostkust, tussen Syracuse en Catania, was een Ionische kolonie. Men vindt er nu nog, gelijk op de Ionische eilanden, een mengsel van verschillende modi. In de streek ten zuiden van Catania (Lentini-vlakte) zingt men vierstemmig. Op de melodie, door de tenor voorgedragen, voeren de drie andere stemmen een geïmproviseerde polyfonie uit, samengesteld uit een liggende toon (bourdon), en twee stemmen die de structurele noten van de tenor volgen, maar onder elkaar onafhankelijk blijven. De ene volgt bijv. in parafonie (uitsluitend kwarten en kwinten), terwijl de andere met tertsen te werk gaat. Zuivere polyfonie dus, die zich om harmonie hoegenaamd niet bekommert.

In Calabrië en de Abruzzen bestaan er nog vele primitieve liederen, soms op vier noten. De oogstliederen zijn er prachtige, breed-uitgevoerde, diatonische liederen. Soms worden zij in koor uitgevoerd, met bourdon en tertsparallellen.

De stijl van Sardinië is niet minder specifiek dan die van Groot-Griekenland. De modale zang is er nog zeer dikwijls met melismen overladen. De polyfonische uitvoering (Tasgia) is er vijfstemmig, met octaaf-kwint-kwart en terts-parallellen op de structurele noten van de tenor. In de cadensen verheft zich een discant in falsetstem hoog boven de tenor, in vrije imitatie. Men is hier nog dicht bij de oude organumvormen.

Men kan, wat het zuiden van Italië betreft, feitelijk zeggen, dat de monodie nog dikwijls in dezelfde toestand verkeert als gedurende de 4de en 3de eeuw vC; ook, dat er de vroegste vormen der Europese meerstemmigheid door mondelinge traditie voortleven.

Ten noorden van de culturele grens ontmoet men minder modale structuren, naarmate men van de Abruzzen naar de Povlakte gaat. In Toscane herinnert de stijl aan de vroege barok. Men kan bijv. een volkszanger verzen uit Tasso horen zingen, nl. het Combattimento di Tancredo e Clorinda, in een recitativische stijl, die aan Monteverdi doet denken: volksstijl en kunstmuziek zijn hier steeds eng met elkaar verbonden gebleven. Ten noorden van de Apennijnen is het volkslied in het algemeen een nevenprodukt van de 1de- of 19de-eeuwse operastijl. Maar soms heeft men de indruk, dat die stijl uit het volkslied ontsprong. Het is waarschijnlijk, dat de invloed wederkerig was.

In Calabrië en Sicilië hebben zich Albanese kolonisten gevestigd. Zij kwamen er in de 14de eeuw, de Turkse invasie ontvluchtend. De minderheden bewaren hun Balkanliederen en een prachtige byzantijnse kerkmuziek.
In Sardinië danst men op wijsjes, gespeeld op de launeddas, een tripel-klarinet met twee melodiepijpen en een bourdon. Gelijksoortige instrumenten bestonden in Egypte ten tijde van de farao's, en in Sardinië zelf, gedurende het Noeragische tijdperk (ca 900 vC). Rieten herdersfluiten hoort men in Calabrië en Sicilië. Doedelzakken en schalmeien
(zampogna) worden nog steeds gebruikt in de Abruzzen om bij de kerstmis voor de kribbe te spelen: de groet der herders aan het Kind Jezus. In de Alpen van Aosta treft men hier en daar pansfluiten aan. Gitaren en mandolines zijn eigenlijk geen volksmuziekinstrumenten. Deze aan de tonale harmonie verbonden instrumenten hebben door hun algemeen gebruik de volksmuziek dikwijls sterk doen ontaarden.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 207.