kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Interview Simeon ten Holt

(door Jacobine Feekes)

In gesprek met Simeon ten Holt

(door Jacobine Feekes)
Simeon ten Holt, geboren 1923, is de componist van o.a. een aantal grote werken voor vier vleugels, geschreven in diatonisch systeem, met een repetitief karakter, waaronder Canto ostinato (1977/1979), Lemniscaat (1983), Horizon (1985) en Incantatie IV (1990). Hij is de best verkochte hedendaagse componist van Nederland en het kruidvat verkoopt momenteel een cd box met daarin 11 cd’s van zijn muziek in een oplage van 100.000. Hij is de zoon van een beeldend kunstenaar. Zijn vader Henri ten Holt was een schilder van de Bergense school en zijn broer Friso en zijn zusje Sientje zijn allebei de kant van de beeldende kunst op gegaan. (vriendschap met Arthur van der Drift van Stichting Gaudeamus, centrum voor hedendaagse muziek. Simeon kan zich mij nog goed herinneren. De eerste keer ontmoetten wij elkaar in 1990 toen er een concert was in een museum in Bergen. Ik kwam daar samen met Arthur om allerlei instrumenten e.d. neer te zetten. Simeon en ik gingen toen samen naar de pizzeria in Bergen, hij op zijn fiets en ik daarnaast rennend. We hebben elkaar daarna nog twee keer vluchtig gezien in het café in Bergen na concerten in de Ruïnekerk en we zijn elkaar een keer misgelopen. Nu vele jaren later heb ik hem opgebeld en om een interview gevraagd. We hebben om 14.00 uur afgesproken, eerder wil hij geen mensen ontvangen dat is zijn privacy. Aangekomen in Bergen zie ik op een gegeven moment aan de weg zijn kleine ‘knibbel-knabbel-huisje’ staan en ga op zoek naar de voordeur. Op de deur hangt een briefje ‘bezoek alleen op afspraak’. Terwijl ik sta te twijfelen of ik aan zal bellen zwaait de bovenkant van de deur ineens open en staat Simeon me al op te wachten. Het is ongelofelijk maar waar, hij is niets veranderd, alleen zijn bewegingen zijn erg moeizaam geworden.
Als je binnenkomt zie je eerst een kleine hal met rechts het toilet, vervolgens stap je door een volgende deur direct het hele huis binnen. Heel efficiënt ingericht en alles gezellig in 1 ruimte gesitueerd, geen grote afstanden die je hoeft te overbruggen, ideaal voor Simeon. Rechts de keuken, recht voor me een rond tafeltje en daarachter de vleugel met daarop wijnglazen en een paar fotoboeken, waarvan we er later eentje samen doorkijken. Links staat het bed en daar tegenover Simeons tafel, waaraan hij de hele dag zit te werken aan zijn memoires.
We gaan zitten aan het ronde tafeltje, Simeon lekker hoog op zijn rollator, ik in een comfortabele stoel tegenover hem, het microfoontje op een flessenkoeler geklemd tussen ons in. De pot groene thee staat al klaar op het aanrecht in de keuken en op de vleugel staat een stuk cake op een plankje met een mes erbij zodat Simeon tijdens ons gesprek steeds plakjes voor ons af kan snijden. Wanneer ik de theepot pak om thee te schenken kijk ik uit het raam en zie de studio van zijn vrouw Colette in de achtertuin staan.
We nemen uitgebreid de tijd om bij te praten en Simeon verteld ook over het enorme appartementengebouw wat aan de overkant gebouwd wordt een doorn in zijn oog. Het lawaai dat met de bouw gepaard gaat zorgt ervoor dat we ons interview twee keer moeten onderbreken. Na het interview drinken we met zijn drieën, Simeon, Colette en ik een borreltje met heerlijke knoflookolijven erbij. Het was een boeiende en gezellige middag en ik ga pas om 17.00 weg, met de afspraak dat ik in de zomer samen met mijn vriend Guus langs zal komen.

Ik ben geïnteresseerd in jouw relatie met beeldende kunst, en heb o.a. op je website gelezen over jullie kunstenaarsgroepje. Adriaan Roland Holst was veel ouder dan jullie, was hij de leider of de organisator van de groep?
Nee, Adriaan Roland Holst was een paar jaar jonger dan mijn vader, hij was uit 1888 en mijn vader was uit 1884, maar ik moet natuurlijk wel even weten wat voor groepje, noem eens een paar namen.
Friso ten Holt, jij, Gerrit Kouwenaar, Adriaan Roland Holst, Constant Nieuwenhuis, Jaap van Domselaer
Nee Roland Holst hoort daar niet bij. Jani was voor ons allemaal een figuur die wij heel goed kenden, maar ieder voor zich. Hij was van een veel oudere generatie dan wij. Wij kenden hem wel en zagen hem overal.
Ik heb wel veel ervaringen met hem gehad want ik was ook nog zijn buurman, dus hij speelde eigenlijk een grote rol, en nog steeds bij wijze van spreken, omdat hij toch een universeel soort mens vertegenwoordigde. Hij kende iedereen, hij was vrij, niet getrouwd, hij woonde in een eigen huis, hij kende de hele wereld en was veel universeler dan wij op dat moment, wij waren nog maar kinderen. Dat was het verschil, maar wij kenden Jani, hij was een vriend van mijn ouders en van van Domselaer en die vertegenwoordigden de generatie van de ouden voor ons. Maar wij kenden elkaar wel allemaal goed, zoals je je ouders kende, zo kenden we Jani ook, evenals we van Domselaer goed kenden.
Iedereen van ons groepje wist wie van Domselaer was, dat had te maken met de kinderen van van Domselaer, jonge Jaap van Domselaer en Wim van Domselaer. Jonge Jaap was een dichter, die is trouwens gesneuveld in 1944. Wim was een musicus, die was weer een collega van Nico Schuyt en van mij, wij studeerden alledrie bij Jakob van Domselaer.
En zo splitste zich dat ook, we hadden dus de schilders en we hadden de musici.
Volgens de verhalen hadden jullie het over kunst en filosofie, maar jullie spraken dus ook over muziek?
We hadden het natuurlijk over muziek maar niet in de zin dat we zo filosofisch waren. Ook wel, maar we waren geen musicologen, we waren nog heel jong.
We hadden onze dromen en we hadden onze ambities. Wat je zou willen worden en wat je zou willen doen later en wat je allemaal nog moest doen, maar ja, we waren wel jongens die met elkaar filosofeerden gedurende de wandelingen. We wandelden iedere week, althans een periode voor de oorlog want toen kon dat, dan gingen we naar zee. Het was ook de tijd van de eerste verliefdheden en de smartelijke verhalen die je elkaar vertelde natuurlijk. Er was wel een grote saamhorigheid en een zeker gevoel van bij elkaar horen tegenover de grote wereld, daar ging een zekere bescherming van uit. Je hebt altijd je vrienden en vriendinnen en je bepaalde saamhorigheden.
Nu begrijp ik pas goed hoe jong jullie nog waren, want Constant was toen dus nog maar 13?
Toen Constant in onze kring kwam was hij al 20, hij was zelfs al op de academie geweest. Hij en David Kouwenaar, ook een schilder en de broer van Gerrit die kenden elkaar op de academie. Friso, David en Constant, die waren zo’n beetje samen, samen gingen ze naar die academie vanuit Bergen. Ze waren leerlingen van mijn vader, voordat ze naar de academie gingen in 38-39, nog voor de oorlog dus. Er was ook nog een nichtje bij, Rita ten Holt en zo gingen ze naar die academie. Maar allemaal heel jong nog natuurlijk.
Discussieerden jullie wel eens over de kunst van Friso en Constant?
Ik denk het wel, maar dat weet ik niet meer. We hadden wel een milieu waarin je vroeg werd geconfronteerd met de ernst van de kunst en de ernst van het leven, dat wel, maar of dat nou gespecificeerd werd in filosofie of wat voor dingen dan ook dat weet ik niet. Je kon het ook over de mystiek hebben. Je kon het over van alles hebben.
Zo’n jonge Jaap bijvoorbeeld die kende op z’n twaalfde de hele Franse literatuur bij wijze van spreken en hij sprak Latijn, maar ook Frans. Die jongen was een soort genie en dat was voor ons allemaal toch een soort katalysator. Hij verdiepte zich veel in literatuur zoals die van du Perron, dat was een schrijver die toen in onze kring een figuur was die besproken werd. Tenminste misschien door de anderen meer dan door mij, maar ik was wel belendend, ik had er mee te maken en ik werd er natuurlijk toch door beïnvloed.

Ik las dat Jacob van Domselaer - jouw grote muzikale voorbeeld - een grote bewonderaar was van Mondriaan en van Doesburg, heeft dat invloed gehad op jou?
Nou ja indirect misschien. Ik ben natuurlijk in zekere zin ook nog een telg van die Stijlgroep, want daar voel ik me verwant aan.
Maar ja bewondering had je als jonge man of als puber natuurlijk voor alle grote componisten. Beethoven, dat studeerde je aan de piano en dat was groots, daar had je een ontzaglijke hoogachting voor. Maar later is dat over gegaan, misschien.
Over van Domselaer, die heeft een grote invloed op me gehad, niet altijd ten voordele, maar daar moet je je weer van kunnen ontslaan, daar moet je je van bevrijden. Ik denk dat ik dat wel gedaan heb ja.
Waren er nog andere componisten behalve Beethoven zoals bijvoorbeeld Rachmaninov?
Dat is later. Nee, dat is voor mij een beetje een man uit de marge van de muziek. Hij heeft wel mooie dingen gemaakt.
Wat vind je van zijn pianoconcerten?
Ja dat zijn zijn populaire stukken ja. Maar vind je de pianoconcerten van Mozart en Beethoven dan niet mooi?
Weet je, als ik ze weer hoor, nu alweer meer dan vroeger dan denk ik altijd, wat is dat ongelooflijk groot, onvoorstelbaar groot. Die structurele grootheid die je bij Beethoven en Mozart vind, dat herken ik niet in Rachmaninov. Dat is romantisch en wel indrukwekkend. Het hangt er erg vanaf wie het doet trouwens, de ene uitvoering is al heel anders dan de andere.
Als musicus werd je destijds opgeleid met Bach, Beethoven en Mozart, dat zijn mensen, die iets universeels vertegenwoordigen, daar is dan een man als Rachmaninov (die best een heleboel fantastische dingen gedaan heeft) toch een beetje iemand uit de tweede sector. Het zou me niet direct boeien. Ik vind het leuk om er een keer naar te luisteren, maar dan houdt het op. Dat geldt overigens voor veel anderen ook. Maar iedereen op zijn plaats en iedereen in zijn eigen verband.

Als ik naar je achtergrond kijk, je vader was beeldend kunstenaar evenals je broer Friso en je zusje Sientje. Had jijzelf talent als beeldend kunstenaar?
Als klein jongetje tekende ik met zo’n pennetje en oostindische inkt van die suggestieve tekeningetjes, dus iedereen dacht dat ik een beeldend kunstenaar zou worden. Maar het is een hele andere kant uitgegaan, ik heb om de een of andere reden toch voor de muziek gekozen.
Waarom?
Een mens heeft soms een merkwaardig kompas in zich, waarvan hij zelf niet weet waar het vandaan komt, maar daar wordt hij wel door gestuurd. Hij zoekt omstandigheden op; je vrienden, ook musici. Je praat over studeren bij die en bij die, of les krijgen van die en zo word je langzaam binnen in iets geleid wat je eigenlijk in jezelf ronddraagt en wat zich expliciteert als het ware. Ik heb geen keuzes gemaakt, Ik ben ook helemaal niet een gekozen kunstenaar, ik was gewoon een kunstenaar, daar werd niet over gediscussieerd, ook bij ons thuis niet.
Ik had zo ontzettend veel interesse voor de muziek. Ik kreeg eerst les van mijn vader die mij de Mondscheinsonate voorspeelde en mensen die mij zagen spelen zeiden: "die jongen moet les hebben". Toen kreeg ik eerst les van freule Tilly van Berkhout een hele aardige vrouw, maar ik wilde van een echte componist les hebben. Van Domselaer kwam regelmatig bij ons over de vloer en ik zeurde mijn vader zo zijn oren van zijn lijf dat ik naar van Domselaer wilde, dat hij het heeft gevraagd en toen heb ik les van hem gekregen.
Dat ik daarin door zou gaan was helemaal geen vraag. Ik componeerde al toen ik 12 jaar was.
Wat componeerde je toen je 12 was?
Een stukje voor piano. Ik herinner me dat ik dat had opgedragen aan mijn grootmoeder; "Aan oma" staat erboven, dat was een soort prelude-achtig stukje, een beetje Bach-achtig stukje, maar best aardig. Dat liet ik aan van Domselaer zien en die zei: "Kom maar eens even naar me toe, dan gaan we dat eens goed opschrijven". En zo begonnen die lessen.
Ik heb ergens gelezen, dat je beeldend kunstenaars zulke inspirerende mensen vindt, wat vind je zo inspirerend aan ze?
Ik heb natuurlijk kennissen, ook onder musici, maar ik heb ook heel veel vrienden onder de beeldende kunstenaars. Vroeger ook al, en het merkwaardige is, dat ik musici over het algemeen een beetje burgerlijke mensen vind.
Ik heb een hekel aan burgers en zeker aan mensen die zich houden aan conventies en aan dingen die nu eenmaal door de conventies zijn voorgeschreven. Ook aan het huwelijk had ik een hekel. Allemaal van die dingen waarin je geacht werd dit en dat te doen. Daar heb ik me altijd tegen verzet.
Beeldende kunstenaars zijn vrijere mensen, dat zijn mensen die lak hebben aan regels en aan conventies. Muzikanten waren daarentegen vaak burgerlijk, behalve dan de muzikanten van de hedendaagse muziek, die zijn veel meer geëmancipeerd.
Maar over het algemeen, violisten en mensen in orkestjes, dat vind ik een soort, daar heb ik helemaal niks mee. De fysieke aanwezigheid van muzikanten dat vind ik vaak moeilijk uit te houden. (lachend) Zo zit dat gewoon.
Het is meer een soort fysieke aversie dan een geestelijke aversie. Het zijn waarschijnlijk hele goeie en aardige mensen, daar gaat het niet om, en het is niet omdat ik mezelf nou zo geweldig vind, maar het klikt ergens niet, chemisch is er iets wat niet klopt. En dat heb ik met beeldende kunstenaars wel. Ik heb ook les gegeven op een academie voor beeldende Kunsten in Arnhem.
Dat je geen docent aan een conservatorium bent geworden maar aan een academie voor beeldende kunsten, heeft dat ook te maken met het feit dat je zo geïnspireerd wordt door beeldende kunstenaars?
Indirect wel ja. Ik vind als artiest, een beeldende kunstenaar interessanter, ook zelfs wanneer het over muziek gaat. Want uiteraard ging het ook over akoestische uitdrukkingsmiddelen op die academie. Een visuele prikkel werd omgezet in een akoestische prikkel. We maakten groepscomposities, niet met mensen die allemaal noten konden lezen, maar die wel een soort grafische partituur konden maken.
We konden van een muur een compositie maken en dat gingen we dan met elkaar verklanken, dat waren mensen die geen noten konden lezen maar wel veel fantasie hadden. Kijk, (lachend) beeldend kunstenaars vind ik vaak fantasievoller. En met alle respect hoor, ik zal dat niet van de toren blazen, want, dat vind ik helemaal niet nodig maar als je me dat nou zo vraagt, dan is dit ongeveer mijn antwoord.
Je hebt ooit gezegd dat het stuk pas voltooid is als het wordt uitgevoerd. Het lijkt of je jouw muziek als een totaalkunstwerk ziet, jijzelf die de muziek maakt, de choreografie van de muziek (de uitvoerenden), en het publiek. Is dat wat je zoekt, de beeldende kunst die jij in de muziek wil brengen, of is dat te vergezocht?
Ja dat is een beetje vergezocht. Mijn stukken, vooral de latere stukken, de avondvullende pianostukken, zijn een 'work in progress'. Het is iets wat nooit klaar is maar door de uitvoerenden tot iets wordt gemaakt, tot iets wordt uitgekristalliseerd. Het stuk staat er wel en de noten staan er ook wel en je moet je aan de tekst houden, maar je kunt er zelf iets mee doen.
Het is net als de vrijheid van de mensen, die bestaat uit een verschil:
Je hebt een rotonde muziek, mijn muziek is rotonde, maar je hebt ook een kruispuntmuziek. Een kruispuntmuziek met de stoplichten, daar staat een dirigent voor en iedereen speelt zijn nootjes en ziet wat die dirigent dirigeert, zoals op een kruispunt met stoplichten.
Bij een rotonde is er niet meer een dirigent die ervoor staat, maar dan moet je allemaal op elkaar letten, dan is er een andere regel dan links gaat voor, je moet heel goed op de ander letten, want anders bots je, je moet wachten op die ander die voorrang heeft.
En dat is met een kruispunt niet, daar sta je stil, ook als er geen verkeer is wat op de dwarsweg ligt, dan moet je gewoon stoppen. En dat is dus een beetje serviel en die serviliteit, die is weg bij mijn muziek. Daar staat ook geen dirigent voor. Dat zijn allemaal mensen die allemaal evenzeer chef zijn. Iedereen is even belangrijk, en dat is het wezenlijke, een sociaal besef een sociaal verschil. Begrijp je, dat is wel degelijk heel wezenlijk
Mooi, voor de uitvoerders ook!
Ja inderdaad, dat is een sociaal proces wat je met elkaar doormaakt. Daarom, ik zeg ook altijd, die mensen die heel goed piano kunnen spelen, zijn gewend om allemaal hele vluggertjes te maken. Maar dat kan niet. Het studeren van een stuk van mij kun je nooit in een paar dagen doen, daar ben je maanden mee bezig, daar moet je het met elkaar vinden want als het onderling niet klopt en er zijn meningsverschillen, dan klinkt het stuk vals, om het zo maar te zeggen. Terwijl als het allemaal is uitgebalanceerd en iedereen is het met elkaar eens geraakt, dan begint het goed te worden. En dat kan met iedere groep weer anders zijn, maar zo kun je dat een beetje definiëren.
Jij vindt kunstenaars inspirerend, maar het viel mij op dat kunstenaars jou ook inspirerend vinden. Ramon Gieling, die heeft die film gemaakt op BiBaBo en Dré Wapenaar die heeft die tent ontworpen. Hoe vind je dat, als kunstenaars zoiets speciaal voor jouw muziek doen?
Dat vind ik vererend, aardig, leuk, en zeker als het leuke mensen zijn.
Werd je ook betrokken bij die projecten? Zoals bijvoorbeeld bij die film, werd jij daar ook bij betrokken?
Nee, ik ben al jarenlang niet meer betrokken hoor, maar heb het er natuurlijk wel met hem over gehad, maar daar ben ik niet bij, nee.
Je bemoeit je er ook niet mee?
Het regisseren van een stel mensen voor een film dat is zo’n apart bedrijf, daar bemoei ik me niet mee. Ik heb wel eens met een film mee gedaan, waarbij de regisseur zei: "Moet je eens luisteren, Ik ben hier de baas".
Maar je hebt niet zoiets dat je er zeggenschap over wil hebben?
Nee, ik ben ook een beetje op een leeftijd gekomen dat ik dat ook maar over laat.
Passief was ik er natuurlijk wel bij betrokken, want zonder mij hebben ze het niet kunnen doen.
Ik bedoel actief, zoals bijvoorbeeld bij die tent die Dré Wapenaar voor je heeft ontworpen.
Hij heeft dat ontworpen nog voordat wij elkaar kenden. Hij had plotseling die tent gemaakt, voor die muziek voor 4 piano’s. In 2000 was ik in Rotterdam en daar zag ik een man met een kale kop en hij noemde zich Dré Wapenaar, maar verder wist ik niks. Hij had die tent gemaakt die trouwens nog geëxploiteerd moest raken want ja je kunt wel een tent maken, maar daar moet ook nog wat in gebeuren natuurlijk. En toen gingen er dingen in gebeuren en hoe kwam dat eigenlijk? Niet door mij hoor.
Maar hij heeft me wel leren kennen, opgebeld, en misschien heb ik gezegd dan moet je een keer naar Kees Wieringa gaan of naar anderen. Er zijn verschillende ploegen die mijn werk uitvoeren en daarom kan ik zeggen ga maar naar die en die, die zullen dat toejuichen om daar te spelen. Want zo is het feitelijk, als mensen iets gestudeerd hebben en dat met elkaar willen uitvoeren dan wordt iedere uitvoeringsmogelijkheid dankbaar aanvaard. Dus wat dat aangaat heb ik daar niet veel moeite voor hoeven te doen. Ik ben er nog nooit bij geweest in die tent, maar dat komt gewoon omdat mijn mobiliteit uiterst beperkt is. Maar ik ben daar niet rouwig om, want ik ben ook niet een echte reiziger. In mijn verbeelding reis ik genoeg en ik heb genoeg verbeelding om dingen op een bepaalde concrete manier te kunnen meemaken, daar hoef ik niet voor weg te gaan.
Ik rij nog wel hier over de west-friese dijk. Vandaar ook dat ik van tevoren thee zet, dan heb ik dat allemaal een beetje onder controle.
Ik heb wel duizend gebreken, als je ouder wordt krijg je allemaal dingen die je van tevoren niet kunt voorzien.
Ik kreeg ook weer een uitnodiging van Jan Wolff (Van het nieuwe Muziekgebouw aan het IJ) die wil feest vieren, terecht, dan wil hij alle componisten daar in zijn gebouw aan een diner verenigen, daar kan ik dus ook niet heen, maar ik vind het geen ramp, want ik moet je eerlijk zeggen, voor mij hoeft het helemaal niet, ik heb het allemaal niet zo erg nodig. Er komen hier heel veel mensen.

Uit alles wat ik over je gelezen heb kwam ik iets tegen wat me heel erg verbaasde. Je bent in 1943 naar Amsterdam gegaan vanuit Bergen klopt dat? Dat was toch midden in de oorlog?
Ja dat is waar,
Ik begrijp niet waarom je dat gedaan hebt?
Dan ben je op een leeftijd dat je uitvliegt, dat is gewoon een natuurdrift, ongeacht wat de omstandigheden waren.
Ik had een vriendin en de vrouw in mijn leven heeft altijd een zeer bepalende rol gespeeld. Die vrouw zat op de academie, zij was een collega van mijn broer Friso en ik maakte deel uit van de feestjes die werden gehouden onder de jongelui.
In '43 was die oorlog nog niet zo gevaarlijk als een paar jaar later en dus ging je nog wel met de trein, hoewel je verdomd moest uitkijken. Bovendien als je nog geen twintig was, kwam je nog niet in aanmerking voor de Arbeidseinsatz en dat soort bedreigingen, dus dan ging je welgemoed naar Amsterdam. Ik was er nog vroeg bij en op je negentiende jaar ging je feestvieren en dan leerde je een vriendin kennen, maar die vriendin was toevallig wel vijf jaar ouder dan ik en had een huis waar ze allemaal vrienden, ook van de rijksacademie, ontving om daar samen mee te eten. Ze was een zeer sociaal wezen en ik was verliefd op haar. Zij vond mij ook wel aardig en toen ben ik op een goed moment bij haar in huis gekomen. Dat was in de Jodenbuurt notabene een van de afschuwelijkste wijken van Amsterdam, waar de meest vreselijke dingen gebeurden en daar ben ik tot '49 gebleven.
Dus je hebt ook heel veel gezien?
Ja ik heb veel gezien. Joodse mensen die allemaal werden opgepakt en die allemaal in het water sprongen en dan werden beschoten. Vreselijke dingen.

Toen ben je in '49 naar Parijs gegaan met je zusje en dan zeg jij dat je de studie bij Darius Milhaud en Arthur Honegger aanduidt als decoratieve ervaringen van geen enkel compositorisch belang. Klop dat?
Ja, maar ik heb daar natuurlijk wel iets opgestoken. Ik was altijd bezig met muziek. Maar, als ik op een goed moment naar een leermeester ga die mij dingen gaat zitten leren waar ik helemaal niet naar vraag, dan leer je er niks. De dingen die je werkelijk wilt weten die komen pas later dan ga je bewust zeggen: "ja ik wil dat weten" en dan ga je iemand uitkiezen die je dat kan vertellen of je koopt een boek. Ik heb eigenlijk het meeste door boeken gedaan. Ik ben in wezen een echte autodidact.
Natuurlijk, het verhaal over Honegger, een hartstikke leuke man, en dan zat je daar met zo’n hele groep jonge componisten. Ik keek mijn ogen uit en als Milhaud dan vroeg: "Et vous monsieur?" Ik had een boek met koperwerk onder mijn arm met daarin mijn composities en liep met trillende benen naar die vleugel waar je iets moest gaan voorspelen voor die hele groep. Ik was zo zenuwachtig als de pest en ik begreep niet dat hij het nog aardig vond ook.
Er was zelfs nog een van die jonge componisten die toen we de trap afliepen zei: "Goh wat een leuk stuk heb je laten horen". Ik was helemaal verbijsterd. Ik dacht, je vind het nog leuk ook.
Want wat was dat stuk, weet je dat nog?
Nee, ik weet niet eens of het nog heb.
En heb je daar verder nog leuke dingen beleeft?
Natuurlijk, maar wij waren wel heel arm. Wij woonden bij Conrad Kickert een schilder die ook nog deelgenomen heeft aan de oprichting van de Nieuwe Kring in Amsterdam en ook wel geld had. Die is weer naar Parijs teruggegaan. Mijn vader kende hem nog van vroeger en toen wij naar Parijs gingen heeft Conrad Kickert ons belangeloos zomaar in z’n huis opgenomen. Hij had een vrij groot huis want hij had 3 ateliers, eentje voor zichzelf, een voor zijn studenten, want hij gaf les en een als salon, waar graven, gravinnen en alle mogelijke mensen kwamen. Ik heb daar ook Ton de Leeuw ontmoet die kwam daar op de jour. Een keer in de week was er een jour (zo noemde je dat) en daar moest ik die mensen opvangen. Ik was zo’n beetje betrokken in de huishouding bij Conrad Kickert, Sientje mijn zusje ook, totdat we daar genoeg van kregen.
Toen we een beetje geld hadden hebben we een huis gehuurd aan de Rue de Madrid tegenover het conservatorium in Parijs en daar hebben we het een maand vol gehouden, want toen was het geld weer op.
Daarna gingen we naar een ander zusje, Kitty, die woonde ergens in Sèvres, aan de Seine, daar hebben we ook nog een paar maanden gezeten en daarna zijn we in de armen gevallen van twee Amerikaanse meisjes. Die waren nog jong de ene was achttien en de andere was 27 of zo en die hadden heel veel geld, maar die vonden ons wel aardig en wij wilden weg, niet terug naar Nederland daar hadden we geen zin in en Sientje zei: "kom we gaan naar het Zuiden".
Ik kende in het Zuiden een zekere Robert Lewandowsky, een Joodse man die in de kampen had gezeten maar doordat hij smartegeld had gekregen, had hij een huis gekocht in Nice en dat huis heette de Villa des Agave. Ik had hem een paar jaar eerder ontmoet toen ik had gelift. Ik schreef hem dat ik met Sientje wilde komen en dat we geen geld hadden en hij zei: "Kom maar dan zien we wel wat we doen".
We zijn naar Robert gegaan hebben daar een paar maanden in vrede gewoond, totdat die Amerikaanse meisjes kwamen. Die waren op weg naar Italië in een auto maar die zijn in een ravijn gestort en eentje kwam in het ziekenhuis terecht en de ander kwam er zonder kleerscheuren af, maar de auto was total loss. Zij kwamen toen naar Nice, ook in dat huis bij Robert, waar alle mogelijk nationaliteiten kwamen en toen ontstonden er spanningen, want Robert had bezitsaanspraken over ons en de meisjes die hadden ook bezitsaanspraken over ons en zij hadden het meeste geld. Dus we besloten weg te gaan en een eigen villa te huren.
Ik heb heel veel leuke dingen beleefd maar ze waren allemaal decoratief en ze hadden niet direct met de muziek te maken. Voor mij was het een ontgroeningsperiode om van het calvinisme af te komen.
Ik heb nu een nieuwe theorie, dat heb je ook kunnen lezen. Ik heb dagboeken en dat verwerk je, al die belevenissen tot compost en van compost komt de compositie. En zo heeft dat bij mij eigenlijk altijd gewerkt. Ik heb dingen moeten meemaken, ik heb me ook moeten vrijmaken van bepaalde milieu invloeden om mezelf te kunnen vinden. Je bent op zoek naar jezelf. Maar dat was niet alleen de weg van de muziek, de muziek was wel een middel, was een voertuig om daartoe te komen maar werd - tegelijkertijd daardoor weer gevormd.
Ik heb een heleboel ontzettende leuke dingen beleefd, aan de andere kant was het ook een tijd van melancholie.
Net na de oorlog toch?
Ja ook dat en je was natuurlijk nog nergens in je leven. Je was op zoek naar iets maar je wist helemaal niet dat je op zoek was naar iets. Zo ging dat, dat is het leven zelf. Je ging om een ander klimaat in te ademen.
Zoals ik je al vertelde zijn wij wel heel intens opgegroeid, maar het was toch wel een beetje onder een stolp en daar moet je toch vanaf op een goed ogenblik en dat heb ik gedaan met mijn zusje.
Sientje was een hele aparte figuur en die heeft mij eigenlijk mee getroond. Zij kwam uit Londen en zei: "Ik ga naar Parijs en je moet met me mee gaan". We spraken af hoe we dat gingen doen, want we hadden helemaal geen geld, zo vlak na de oorlog.
Maar dankzij haar heb ik dat gedaan.
Mijn zusje heeft een grote invloed gehad op mijn leven, tot op het laatst, mag je wel zeggen. Niet altijd terecht want we hebben ook heel wat afgevochten in de zin van debatteren.
Mijn vader was een zeer aristocratische man met een grote innerlijke noblesse en adel en daar heb je sowieso altijd wat aan, een vader die echt goed is en een goed mens.

Nu heb jij eens de uitspraak gedaan in verband met muziek: "de mens heeft een onvermogen tot communiceren en door zoveel open te laten dwing ik de spelers tot overleg".
‘Het universele misverstand’, noem ik dat waarschijnlijk, ik begrijp niet meer waar ik dat heb gezegd hoor.
De mensen moeten met elkaar een soort verbondschap vormen. Je kunt vaststellen dat het communiceren van mensen, het universele misverstand, dat is oppermachtig, overal kom je dat tegen.
Waar wijt je dat aan?
Alles is ik eerst en dan jij, dat is op het ogenblik aan de orde van de dag, zeker met deze wereld op het ogenblik, maar ja of ik daar een speciale visie op heb, die heb ik niet.
Ja ik vroeg het me gewoon af, of ik het alleen op de muziek moest betrekken of dat ik het ook breder kon zien.
Ik weet het niet, ik heb geen idee. Weet je, wat er allemaal over je gezegd wordt daar ben ik zo verbaasd over, dat ik eens een keer dingen heb gezegd en die worden dan naar voren gehaald.
Ja, dat is het wanneer je beroemd bent.
Ik ga het allemaal even lezen dan ga ik me er rekenschap van geven dat ik voortaan wel mijn mond moet houden.
En dat heb je nu weer niet gedaan.
Nee, dat heb ik nu weer niet gedaan…

Jacobine Feekes


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 97.