kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Hugo Wolf

Hugo Philipp Jakob Wolf geboren 13 maart 1860 in Windisch-Gräz/Stiermark, gestorven 22 februari 1903 in Wenen Oostenrijkse componist

Wolfs betekenis ligt in zijn liederen; daar toont hij zich uniek. Aanvankelijk sterk onder invloed van de liedkunst van Schubert en Schumann, heeft hij in zijn rijpe jaren een heel eigen stijl ontwikkeld. Hij is volkomen met de dichters vergroeid. Met evenveel literaire smaak als intuïtief aanvoelingsvermogen doorgrondt hij de verzen die hij wil verklanken en vaak overtreft hij het werk van de dichters door intensiteit van expressie.

Hugo Wolf ontving vanaf zijn vierde levensjaar piano- en vioollessen van zijn vader Philipp Wolf, een leerhandelaar. Hij ontwikkelde zich tot een wonderkind. Geïmponeerd door Beethoven begint hij in 1875 te componeren. Zodra hij zich van zijn scheppend talent bewust werd, stond het voor Wolf vast, dat hij componist moest worden.

Alhoewel zijn vader liever had dat zijn zoon een wetenschappelijke opleiding volgde mocht hij dankzij bemiddeling van een tante in 1875 naar het conservatorium in Wenen waar hij leerling werd aan het onder leiding van Hellmesberger staande conservatorium. Hij studeerde van 1875 tot 1877 in Wenen piano bij Wilhelm Scenner en harmonieleer bij Robert Fuchs. Wolf was schuw en de weinige vrienden werden regelmatig op kwetsende opmerkingen getrakteerd. Na anderhalf jaar, in de winter 1876-77, moest hij het conservatorium verlaten; hierna verrichtte hij zelfstudie.

Hugo Wolf, de tijdelijke woonkameraad van Gustav Mahler, leefde lang in uiterst slechte financiële omstandigheden. Hij bleef, behalve in zijn laatste jaren, op de geringe inkomsten van pianolessen aangewezen. Wolf kwam echter in Wenen in aanraking met enkele families die hem ruime hulp boden en tevens veel tot zijn geestelijke vorming bijdroegen, zoals Adalbert von Goldschmidt, later de families Werner, Köchert, Friedrich Eckstein en Moritz Haberlandt.

In 1881 kreeg Wolf een aanstelling als hulp-kapelmeester in het stadtheater van Salzburg, waardoor zijn slechte financiële situatie tijdelijk verbeterde, maar opnieuw bleek, dat hij zich in geen enkel dienstverband kon schikken; vier maanden later stond hij weer op straat en moest in Wenen de armoede van de student opnieuw delen met zijn vriend en studiegenoot Gustav Mahler.

Köchert bezorgde Hugo Wolf in 1884 de positie van muziekcriticus aan het Wiener Salonblatt. Van 1884 tot 1887 hield de bijna fanatieke aanhanger van Richard Wagner zich bezig als muziekcriticus bij het wekelijks verschijnende Weense Salonblatt, die hem weinig geld, maar veel antipathie en veel vijanden bracht.

Wolf had in 1875 Wagner in Wenen ontmoet en ofschoon deze weinig aandacht voor de jongeling had, betekende deze ontmoeting een keerpunt in Wolfs leven: hij was en bleef van dit ogenblik af Wagneriaan in hart en nieren. Zelfs de geschriften van Nietzsche, die later grote invloed op Hugo Wolf uitoefenden, konden hem niet tot een afvallige maken. Hij koos partij voor Wagner en Bruckner tegen Brahms, Dvorák en Hanslick, en bedierf door zijn intransigentie, zijn bijtende spot en zijn niemand ontziende satirische uitvallen zijn eigen toekomstkansen.

Wolfs creatieve activiteit was in deze jaren gering; hij had zijn weg nog niet gevonden. Hij componeerde in deze tijd het strijkkwartet in d, een zeer bewogen werk dat haast orkestraal is geconcipieerd, de symfonische Dichtung Penthesilea naar Kleists tragedie, waarin Wolfs extatische gemoedstoestand zich in hevige spanningen openbaart. Hij componeerde liederen op teksten van Heine, Eichendorff en Lenau, zonder echter nog zelf te vermoeden, dat zijn scheppende taak juist op dit gebied lag.

Hoewel Hugo Wolf zich aanvankelijk op alle terreinen van de compositie bewoog, kristalliseerde zich al spoedig een groot meesterschap op het gebied van het pianolied (lied) uit. Zijn grote wens was hier het gedicht naar het middelpunt te verplaatsen. Het woord van de dichter was voor zijn muziek bepalend, maar zelden veranderde, vulde hij aan of herhaalde hij woorden of hele tekstpassages. Het ging hem om de uiteenzetting van de abstracte samenhang van een dichtwerk. Aan de zangstem wijst hij daarom een tot in het diepste detail uitgewerkte tekstdeclamatie toe. Het pianodeel geldt niet alleen als begeleiding van de spraakgebonden melodie, maar stelt een zelfstandige uitdrukkingsvorm voor. Onafhankelijk van het gezang tekent het instrument -en daar ziet men het voorbeeld van Wagner- parallel aan de zangstem de zin en waarde van de tekst na.

Pas nadat hij in 1887 ontslag bij het Wiener Salonblatt had genomen en na de dood van zijn vader ontwaakte in Wolf een haast demonische scheppingsdrift. Aanvankelijk in enkele Eichendorff-liederen nog aarzelend, maar allengs rijker begon Hugo Wolf's lyriek zich in de Mörike-liederen in 1888 met ongekende kracht baan te breken. Binnen enkele jaren was het grootste gedeelte van zijn liederenreuvre voltooid. Op de Mörike-liederen volgde nog in hetzelfde jaar de Eichendorff-bundel; de Goethe-liederen ontstonden in 1889; direct daarna volgde het Spanische Liederbuch (1890). Onmiddellijk sloten daar zes liederen op teksten van Gottfried Keiler bij aan, gevolgd door het Italienische Liederbuch, waarvan hij het eerste deel in het voorjaar van 1891 beeindigde.

Intussen had Wolf nieuwe vrienden gevonden, die hem uit zijn hopeloze situatie in Wenen bevrijdden. J. Schalk, de voorzitter van de Weense Wagnervereniging, liet op de concerten dier vereniging liederen van Wolf uitvoeren, die veel bijval vonden. Schalk schreef bovendien nog een opzienbarend artikel over Wolf als liederencomponist, dat in ruime kring de aandacht trok. Doch met deze publikatie werd tevens het misverstand van Wolf als de Wagner van het lied geboren; een kwalificatie waaronder hij op de duur zelf heeft geleden. Na onverkwikkelijke taferelen in de Wagnervereniging werd een breuk met deze kringen onvermijdelijk.

Tussen 1888 en 1891 ontstaat het grootste gedeelte van zijn liederenoeuvre. Daarna lijkt zijn inspiratie gedoofd. In 1890 vertrok Wolf naar Zuid-Duitsland en maakt enkele reizen naar Berlijn, waar hij nieuwe vrienden vond die hem voor zijn werk metterdaad hulp boden. E. Humperdinck bracht een relatie tussen Wolf en de uitgever Schott tot stand, die zijn werken tegen een zeer bescheiden honorarium begon te publiceren. Enige reizen naar Berlijn brachten hem nieuwe waardevolle relaties: Paul Müller, baron Lipperheide. Doch met de creatieve arbeid wilde het niet vlotten: Wolf componeerde in deze tijd slechts toneelmuziek, instrumenteerde verschillende liederen en bewerkte andere voor koor (o.a. Der Feuerreiter).

Pas in 1894 kon hij weer een kleiner werk, de ltalienische Serenade, componeren; oorspronkelijk voor kamerorkest geschreven, heeft hij het stuk later voor strijkkwartet omgewerkt. Nu was de scheppingsdrift opnieuw in hem ontwaakt. In 1895 componeerde en instrumenteerde hij de opera Der Corregidor (tekst van Rosa Mayreder, naar Pedro Alarcon), waarmee een lang gekoesterde wens van Wolf eindelijk in vervulling ging. Teleurstelling over het geringe succes van dit werk doet zijn dan al wankele psychische gesteldheid geen goed.

Het componeren van liederen bevredigde hem niet langer. De première in Mannheim in 1896 was geen triomf, andere schouwburgen interesseerden zich niet voor de partituur. Wolfs prikkelbaarheid nam toe; altijd moeilijk in de omgang met anderen, kwetste hij zelfs zijn beste vrienden bij de geringste gelegenheid. Hij kon zich echter financieel ietwat ruimer bewegen.

In 1896 kon hij eindelijk ook het tweede deel van het Italienische Liederbuch voltooien. Hij componeerde daarna nog enkele liederen op teksten van Heine, Byron en Michelangelo en begon aan een nieuwe opera, Manuel Venegas, wederom op een gegeven van Pedro Alarcon. In een beginnende grootheidswaanzin zag hij zich als de grootste operacomponist van alle tijden.

Als Mahler, dan directeur van de Weense Staatsopera, ‘Der Corregidor’ niet op het repertoire neemt, openbaart zich bij Wolf tengevolge van de teleurstelling krankzinnigheid. Na enkele maanden in een sanatorium reisde hij in gezelschap van vrienden naar Italië, maar zijn genezing was slechts van korte duur.

Nog kort voor zijn ineenstorting had de stichting van Hugo-Wolf-verenigingen in Wenen en Berlijn hem een verheugend bewijs van zijn steeds groeiende faam gegeven. Doch het grote succes kwam te laat; toen de uitgeverij Peters al zijn werken voor een groot bedrag aankocht, zodat een financieel verzekerd bestaan mogelijk zou zijn geweest, was Wolf reeds tot krankzinnigheid vervallen. Na een mislukte poging tot zelfmoord verzocht hij in 1898 zelf in het gesticht Landesirrenanstalt in Wenen te worden opgenomen, waar hij nog jarenlang bleef, terwijl zijn toestand steeds verergerde.

Wolf is in elk opzicht een even eigenaardige als fascinerende verschijning in de geschiedenis der toonkunst. Aangeboren schuwheid en fijngevoeligheid verborg hij onder een onhebbelijk, vaak grof en kwetsend gedrag. Ondanks zijn vele vrienden bleef hij in feite eenzaam. In de liefde teleurgesteld, trok hij zich nog meer in zich zelf terug. Feitelijk heeft Wolf zich geheel in zijn produktieve werkzaamheid opgeteerd. Zijn betekenis ligt in zijn liederen; zijn schaarse instrumentale werken hebben hem veel moeite gekost; het componeren van liederen ging hem des te gemakkelijker af. Zijn minutieuze en subtiele psychologie, de frappante geserreerdheid van zijn beste liederen getuigen van een mentaliteit, die ongeschikt is voor het toneel. Zijn enige opera is dan ook, ondanks zeer grote muzikale schoonheden, geen repertoirestuk geworden. In zijn liederen toont Wolf zich een volstrekt unieke verschijning, die, hoewel aanvankelijk sterk onder invloed van de liedkunst van Schubert en Schumann, in zijn rijpe jaren een geheel eigen stijl ontwikkelde. Evenals elke Duitse componist van zijn generatie, heeft hij de invloed van Wagner ondergaan. Wolf is als geen andere meester van het lied volkomen met zijn dichters vergroeid. Telkens componeert hij een omvangrijke bundel, om daarna nooit meer een tekst van die bepaalde dichter te gebruiken. Met evenveel literaire smaak als intuïtief aanvoelingsvermogen doorgrondt hij de verzen die hij wil verklanken. Door een teruggaan tot de bron van het ontstaan slaagt W. erin iets geheel eigens te scheppen, ofschoon hij ogenschijnlijk een onbegrensde eerbied voor zijn teksten heeft en slechts de dienaar van de dichter wil zijn. In waarheid echter overtreft hij vaak zijn dichters door de intensiteit van expressie, die bijv. van Goethes lichte, zwevende, ironische verzen uit Westöstlicher Divan hartstochtelijke zangen maakt.

Er zijn duidelijk twee verschillende perioden in Wolfs volwaardig oeuvre te onderscheiden; het belangrijkste gedeelte van zijn creatieve ontwikkeling voltrok zich tussen 1887 en 1897. De eerste periode staat in het teken der Duitse romantische poëzie; in de tweede periode wendt Wolf zich naar het zuiden: Italië en Spanje. Deze omzwaai bepaalt ook de vorm en de stijl. De wending naar het zuiden gaat gepaard met een lichtere, doorzichtiger schrijftrant. De organische eenheid van zangstem en begeleiding vormt het bijzondere kenmerk van zijn stijl. Een voorbeeldige declamatie, waarbij uit de toonval van het woord de melodie wordt gewonnen, het vermijden van tekstherhalingen, het volmaakte in elkaar grijpen van het vocale en instrumentale element leiden tot een kunst van grote innerlijke voornaamheid. Weinigen hebben als hij met zo weinig middelen een zo rijke, kleurige klankwereld geschapen, weinigen hebben zich zo volledig in hun werk uitgesproken als hij, die slechts in zijn kunst alles vond wat het leven hem hardnekkig had ontzegd.

De naast Franz Schubert belangrijkste liederencomponist schreef rond driehonderd liederen; ze ontstonden meestal in blokken, waarvan elk zowel in abstract als muzikaal opzicht een in zich gesloten eenheid vormt. De tekstontwerpen voor zijn laatste gezangscomposities, die hij in maart 1897 schreef, waren drie sonetten van Michelangelo. Tegenover zijn vriend Oskar Grohe zei de toondichter hierover: "... Belangrijker schijnt me het tweede gedicht te zijn, dat ik voor het beste houdt, wat ik tot nu toe bij elkaar geknoeid heb. Wanneer je door ontroering daarbij niet je verstand verliest, dan heb je er nooit een bezeten. Het is waarlijk om daarbij gek te worden, daarbij van een verbluffende waarachtig antieke eenvoud. Nou, je zult opkijken. Ik ben letterlijk doodsbang voor deze compositie, omdat ik daarbij bang wordt voor mijn verstand. Zo schadelijk voor de gemeenschap en levensgevaarlijke dingen produceer ik nu." Wat hier nog een grap onder vrienden lijkt, werd echter al spoedig de bittere waarheid. De componist verviel enkele maanden later in geestelijke onmacht en stierf in de leeftijd van maar 43 jaar.

Keuze uit de liederenverzameling: "20 liederen naar gedichten van Eichendorff" (1887/88); "53 liederen naar gedichten van Mörike" (1888); "51 liederen naar gedichten van Goethe" (1889); "Spanisches liederbuch" (44 van Paul Heyse en Emanuel Geibel gewijzigde Spaanse Teksten, 1890); "Italienisches liederbuch" (46 toonzettingen van door Paul Heyse; overgedragen Middel-Italiaanse volksliederen, 1891 tot 1896


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 12.