kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Hugo Riemann

Karl Wilhelm Julius Hugo Riemann geboren Gross-Mehlra bij Sondershausen, 18 juli 1849, gestorven Leipzig, 10 juli 1919
Duits musicoloog

Hugo Riemann wordt met zijn Functieleer, Handboek der Muziekgeschiedenis en Muzieklexicon als een van de grondleggers van de moderne muziekwetenschap beschouwd.

Vanaf 1868 studeerde Riemann rechten, Germanistiek en geschiedenis. De cultuurhistoricus Wilhelm Scherer inspirereerde hem zich te wijden aan de kunstwetenschappen. In 1869 zette Riemann zijn studie voort in Tübingen, waar hij filosofie bij Christoph von Sigwart, geschiedenis bij Julius Weizsäcker, kunstgeschiedenis bij B. von Kugler en esthetiek bij Karl Reinhold Köstlin studeerde. Hij maakte hier kennis met das System der Harmonik van Moritz Hauptmann en Lehre von den Tonempfindungen van Hermann von Helmholtz.

Nadat Riemann had deelgenomen aan de Frans-Duitse oorlog 1870-71 besloot hij zijn leven uitsluitend aan de muziek te wijden. Hij studeerde aan het conservatorium en de universiteit te Leipzig, o.a. muziektheorie bij Ernst Friedrich Richter, compositie bij Carl Reinecke en muziekgeschiedenis bij Oskar Paul. Voorts studeerde hij in Göttingen, waar hij in 1873 promoveerde.

In 1878 werd hij benoemd tot privaatdocent aan de universiteit te Leipzig, werkte vervolgens van 1881-90 als piano- en theorieleraar aan het conservatorium te Hamburg en van 1890-95 te Wiesbaden.

In 1901 werd hij hoogleraar te Leipzig, in 1908 tevens directeur van het muziekwetenschappelijk instituut en in 1914 directeur van het door hem opgerichte Staatlich sächsischen Forschungsinstituts für Musikwissenschaft. Hij was dr. h.c. van de universiteit van Edinburgh.

Tot 1905 moest Riemann om zijn familie financieel te ondersteunen, naast het geringe inkomen uit zijn werkzaamheden als leraar, ook als prive-leraar werken in piano, zang en theorie. Bovendien waren er van Riemann talrijke publicaties in de vorm van besprekingen, kleine stukjes, opmerkingen, lexiconartikelen, bewerkingen en vertalingen van muziekwetenschappelijke geschriften van andere auteurs en muziekedities.

Naast zijn werk als leraar, lector en componist van pedagogische werken, had Riemann een wereldwijde reputatie als schrijver over muzikale onderwerpen. Zijn bekendste werken zijn Musiklexikon, een complete lexicon over muziek en musici, het Handbuch der Harmonielehre, een werk over de studie van harmonie en het Lehrbuch des Contrapunkts, een gelijksoortig werk over contrapunt, welke allemaal vertaald zijn in het Engels.

Riemann was een der belangrijkste musicologen van de vorige eeuw, zijn studies golden de meest verschillende gebieden der muziekwetenschap. Zijn voornaamste verdiensten liggen op het terrein van de muziektheorie en van het historisch onderzoek. In zijn harmonieleer ontwikkelt hij - voortbouwend op J. Ph. Rameau - de leer van de tonale functies en het harmonisch dualisme van majeur en mineur. Het door hem ontworpen klankschrift heeft bij de harmonische analyse veel verbreiding gevonden.

Wat het muziekhistorische onderzoek betreft zo wees Riemann in het bijzonder op de noodzaak uit te gaan van bestudering en beschrijving van de bronnen, teneinde een juist inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de muzikale vormen en stijlen.

Weinig gelukkig was Riemann in zijn esthetische geschriften, die veelal van een te sterk persoonlijk gekleurd inzicht blijk geven, terwijl ook zijn melodieleer en fraseringsopvattingen moeilijk kunnen overtuigen. Hierdoor zijn dan ook de uitgaven van de door hem gefraseerde werken niet van blijvende betekenis gebleken.

In zijn transcripties van middeleeuwse composities laat hij zich t.a.v. het accidentievraagstuk al te veel leiden door een door hem veronderstelde aanwezigheid van majeur- en mineurtonaliteit, terwijl een geforceerde interpretatie van het ritme dikwijls de melodische lijnen vertroebelt. Hierdoor is zijn Musikgeschichte, evenals de Beispielsammlung, slechts onder grote reserve te gebruiken. Ook zijn Geschichte der Musiktheorie is ten dele door de vele onjuiste interpretaties van middeleeuwse teksten, ten dele ook door een te eenzijdig gericht zijn op zijn eigen denkbeelden inzake de harmonie, slechts onder voorbehoud te raadplegen, ondanks overigens de vele verdiensten die ook dit werk heeft.

Onder Hugo Riemanns leerlingen waren de componisten Max Reger, Hans Pfitzner en Walter Niemann, evenals de muziekwetenschappers Friedrich Blume, Hans Joachim Moser, Wilibald Gurlitt, Gustav Becking en Rudolf Steglich.

Werken:
muziektheorie: Vom musikalischen Hören (Musikalische Logik, diss. 1873); Musikalische Syntaxis (1877); Handbuch der Harmonielehre (1877, 1887, 8ste dr. 1920); Das Problem des harmonischen Dualismus (1905); Neue Schule der Melodik (1888); Lehrbuch des einfachen, doppelten und imitierenden Kontrapunkts (1888, 6de dr. 1921); Katechismus der Musik (Allgemeine Musiklehre, 1888, 7de dr. 1920); Katechismus der Fuge (Analyse van Bachs Das wohltemperierte Klavier en Kunst der Fuge, 1890-91); Analyse von Beethovens sämtlichen Klaviersonaten (3 dln. 1915-19); Grosse Kompositionslehre (1902, 1903, 1913);
muziekgeschiedenis: Studien zur Geschichte der Notenschrift (1878); Die Entwicklung unserer Notenschrift (1881); Opernhandbuch (1884-93); Katechismus der Musikgeschichte (1888, 7de dr. 1920); Geschichte der Musiktheorie im 9-19 Jahrhundert (1898, 2de dr. 1921); Epochen und Heroen der Musikgeschichte (1900); Geschichte der Musik seit Beethoven (1901); Handbuch der Musikgeschichte (I, Altertum, 1901, 3de dr. 1922); 1, 2, Mittelalter (1905, :2de dr. 1921); II, I Renaissance (1907, 2de dr. 1921); II, 2, Die Generalbass-Epoche (1911, 2de dr. 1922); II, 3, Die grossen deutschen Meister (1913, 2de dr. 1922); Musikgeschichte in Beispielen (1912, herz. door A. Schering, 1929);
akoestiek, esthetica e.d.: Wie hören wir Musik (1886, herz. als Katechismus der Musikästhetik, 1903, 5e dr. 1921); Katechismus der Akustik (1891, 2e dr. 1914); Die Elemente der musikalischen Ästhetik (1900); Grundriss der Musikwissenschaft (1908, 4e dr. 1928); Idee zu einer Lehre von den Tonvorstellungen (1915);
fraseringsleer, pianopedagogie e.d.: Musikalische Dynamik und Agogik (1884); Praktische Anleitung zum Phrasieren (1886), herzien als Vademecum der Phrasierung (3e dr. 1911); Katechismus des Klavierspiels (1888, 7e dr. 1922); Neue Klavierschule (1901); System der musikalischen Rhytmik und Metrik (1903)
anders: Musiklexicon (1882, 9de-11de dr. door Alfred Einstein, 1919-29, 12de dr. bewerkt door Will. Gurlitt vanaf 1956.

websites: www.hugo-riemann.de, www.concerto-verlag.de


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 50.