kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Helmut Lachenmann

Wolfgang Behrens speelt Helmut Lachenmann

Helmut (Friedrich) Lachenmann geboren Stuttgart 27-11-1935
Duits componist

Helmut Lachenmann studeerde aan de Musikhochschule in Stuttgart tussen 1955 en 1958, waar hij piano studeerde bij Jürgen Uhde en compositie, muziektheorie en contrapunt bij Johann Nepomuk David. Zijn belangstelling voor de avant-garde werd versterkt door zijn eerste bezoek aan de Darmstadt Ferienkurse in 1957, waar hij Luigi Nono ontmoette, bij wie hij privé student werd in Venetië van 1958 tot 1960. Drie jaar later studeerde Lachenmann bij Karlheinz Stockhausen, toen hij deelnam aan de Nieuwe Muziek Cursus in Keulen.

In 1960 keerde Lachenmann terug naar Duitsland om zich in München als vrijscheppend componist en pianist te vestigen. In 1965 werkte hij aan het Instituut voor Psychoacustica en Elektronische Muziek van de universiteit van Gent, maar concentreerde zich daarna vrijwel geheel op instrumentale muziek.

Van 1966 tot 1976 onderwees Lachenmann muziektheorie aan de Musikhochschule in Stuttgart en vanaf 1970 werd hij docent muziek aan de Hochschule für Gestaltung Ulm. Beide leeropdrachten onderbrak Lachenmann om in 1972/73 als leider van een compositiecursus op te treden aan de Muziek Academie van de stad Basel.
Van 1976 tot 1981 doceerde hij compositie aan de Staatlichen Hochschule für Musik und Theater in Hannover. Van 1981 tot 1999 was hij professor compositie aan de Stuttgarter Musikhochschule. In 2001 ontving Lachenmann een ere-doctoraat van de Musikhochschule Hannover.

Toen in de vroege zestiger jaren Lachenmann's muziek uitgevoerd begon te worden, eerst tijdens de Biënnale van Venetië en tijdens Darmstadt, leken zijn werken uitstekend te passen in de esthetiek van de post-Webern serialisten, waarbij in het bijzonder de invloed van Nono's pointilistische technieken naar voren kwamen.
In de late jaren zestig echter begon Lachenmann te zoeken naar een nieuwe benadering van de problemen van de muzikale taal en syntax. In een serie werken beginnend met temA (1968), Pression voor solo cello (1969), en Air voor percussionist en orkest (1969), begon hij een buitengesloten klankwereld, die instrumentele techniek op een radicaal ononventionele manier behandelde, te exploiteren.

Lachenmann heeft over zijn composities gerefereerd aan 'musique concrète instrumentale', hiermee een muzikale taal implicerend die de hele klankwereld omstrengelt, toegankelijk gemaakt door onconventionele speltechnieken. Volgens de componist, is dit muziek "waarin de klank gebeurtenissen zijn gekozen en georganiseerd, zodat de manier waarop zij tot stand gebracht zijn, minstens zo belangrijk is als de resultante akoestische kwaliteiten zelf. Dientengevolge, kwaliteiten als timbre, volume etc., produceren geen klanken terwille van zichzelf, maar beschrijven of wijzen op de concrete situatie: luisterend, hoor je de vormen waaronder een klank- of geluids-actie is uitgevoerd, je hoort welke materialen en energieën ermee gemoeid zijn en welke weerstand wordt ondervonden."
Zijn muziek is derhalve in de eerste plaats afgeleid van het meest elementaire van klanken, welke door processen van versterking dienst doen als de bases voor uitgebreide werken. Zijn partituren stellen enorme eisen aan de uitvoerders, vanwege de overvloed aan technieken die hij heeft bedacht voor blaas-, koper en strijkinstrumenten.

Gedurende de zeventiger en tachtiger jaren, met partituren als het strijkkwartet Gran Torso (1972), Salut für Caldwell voor twee gitaren (1977), en Mouvement (vor der Estarrung) voor kamerorkest (1984), bleef Lachenmann veel van de basisveronderstellingen over de functie van muziek in twijfel trekken en de verwachtingen ervan, waarbij hij zijn muzikale prestaties ondersteunde met krachtige polemiek in zijn schrijven en zijn colleges.

Meer belangrijke werken zijn onder meer het muziektheaterwerk Das Mädchen mit den Schwefelhölzern (1990-96, naar Hans Christian Andersen, Leonardo da Vinci en Gudrun Ensslin), de orkestwerken Schwankungen am Rand (1974-75, voor 8 koper, 2 electrische gitaren, twee piano's, 4 donderplaten, en 34 strijkers), Accanto (1975-76, voor klarinet, groot orkest en tape) en NUN (1997-99, voor fluit, trombone, mannenkoor, en groot orkest); drie strijkkwartetten: Gran Torso, 1971, herzien 1976, 1988; Reigen seliger Geister, 1989; Grido, 2001, zowel als ander orkest-, ensemble en kamermuziekwerk en zes piano werken.

Lachenmann heeft regelmatig gedoceerd aan Darmstadt sinds 1978 en is ook befaamd vanwege zijn vele artikelen, essays en lezingen, waarvan vele verschenen in Musik als existentielle Erfahrung (Muziek als Existentiële Ervaring) (Breitkopf & Härtel, Wiesbaden, 1996).

In november 2006 bezocht Lachenmann het één week durende festival van het Royal College of Music met zijn muziek


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 12.