muziekbus









Gustav Mahler

Gustav Mahler geboren Kalischt/Bohemen, 7 juli 1860, gestorven Wenen, 18 mei 1911
Oostenrijks componist en dirigent

Biografie
Deze zoon van een joods zakenman bezocht het Weense conservatorium en kreeg daar les van Robert Fuchs, Franz Krenn en Julius Epstein. Tegelijkertijd volgde hij aan de universiteit de colleges geschiedenis, filosofie en muziekgeschiedenis.

In het jaar 1880 begon zijn stormachtige carrière als dirigent. Na eerst posten te hebben bekleed in Bad Hall, Laibach (Ljubljana), Olmütz, Wenen en Kassel, werd Gustav Mahler in 1885 tweede kapelmeester aan het Duitse Landestheater in Praag. Hetzelfde ambt bekleedde hij een jaar later in Leipzig en hij verving daar zes maanden lang directeur A. Nikisch.

“Lieder eines fahrenden Gesellen”
Mahler componeerde deze vier liederen tussen 1883 en 1885, ook de poëtische teksten zijn van Mahler’s hand. Hij was in die periode tweede dirigent bij de opera van de Kassel en smoorverliefd op de jonge zangeres Johanna Richter. Zij was zijn eerste echte liefde. Mahler identificeert zich in deze liederen met de hoofdpersoon - een ambachtsman die over de wereld dwaalt. In de liederen wordt verteld hoe een jongeman, afgewezen door zijn geliefde, zijn verdriet, boosheid en eenzaamheid beleeft en hoe hij tenslotte troost vindt onder de lindeboom. De pianoversie was al in 1885 klaar, de orkestratie in 1893. En tot de première in maart 1896 te Berlijn heeft Mahler er nog verder aan geschaafd. Tijdens het schrijven van deze liederencyclus was Mahler ook al bezig met het componeren van zijn eerste symfonie. Thema's uit deze liederencyclus heeft hij later gebruikt in die Eerste Symfonie.

Symfonie nr. 1
Mahler schreef zijn Eerste Symfonie in de periode tussen 1884 en 1888 en dirigeerde de première ervan in november 1889 in Boedapest. De symfonie heeft een klassieke vierdelige structuur maar de orkestratie is gedurfd. De symfonie werd in Mahler’s tijd niet meteen goed ontvangen door pers en publiek. Als componist verdiende Mahler niet genoeg, daarom besloot hij na het voltooien van deze symfonie zijn carrière als dirigent weer op te pakken. Een uiterst succesvolle carrière overigens. Alleen in de vakanties kon hij zich terugtrekken in zijn “componeerhutjes” om daar aan zijn symfonieën te schrijven. De eerste symfonie kreeg de bijnaam “Titan” (niet van Mahler) naar de gelijknamige roman van Jean Paul.

Des Knaben Wunderhorn
De gedichten uit de bundel Des Knaben Wunderhorn zijn verzameld door Achim von Arnim en Clemens Brentano en behoren tot de Duitse volkspoëzie. Toen Mahler in 1887 in de bibliotheek van Carl von Weber de dichtbundel tegenkwam wilde hij eerst een opera op basis van Des Knaben Wunderhorn componeren. De opera kwam nooit van de grond. Mahler componeerde daarop een aantal liederen met pianobegeleiding en later orkestreerde hij ze. Uiteindelijk ontstond een bundel met 15 liederen. Drie ervan zijn ook in symfonieën van Mahler opgenomen.

In 1888 bracht hij het tot directeur van de opera te Boedapest en in 1891 nam hij het ambt van kapelmeester aan het Stedelijk Theater van Hamburg op zich.

Symfonie nr. 2 "Auferstehung"
“Eigenlijk sluit mijn tweede symfonie meteen aan op de eerste” schreef Gustav Mahler op 26 maart 1896 in een brief aan componist en muziekcriticus Max Marschalk. Toch was zijn eerste symfonie nog niet helemaal af toen hij in 1887 aan het componeren van de tweede symfonie begon. In 1888 was het eerste deel klaar, de voltooiing van het werk zou tot 1894 duren. Deze monumentale symfonie heeft vijf delen en duurt meer dan tachtig minuten. Mahler maakt in het vijfde deel gebruik van twee orkesten, één op het podium en één ‘Fernorchester’ (orkest uit de verte) wat een bijzondere klankverhouding oplevert. In het vierde deel zingt de alt “Urlicht” (tekst uit “Des Knaben Wunderhorn”) en het vijfde deel eindigt met een cantate voor sopraan, alt en gemengd koor.

Symfonie nr. 3
Van 1891 tot 1897 was Mahler chefdirigent van de Opera in Hamburg. Hij werkte hard om het niveau van het operahuis te verhogen. Alleen in de zomermaanden had hij vrij en tijd om te componeren. Mahler was een gepassioneerde natuurliefhebber en keerde daarom elke zomer terug naar het Oostenrijkse platteland. In de zomers van 1895 en 1896 componeerde hij in Steinbach aan de Attersee in de Slazburger Alpen waar hij genoot van de overweldigende natuur. Zijn bewondering voor de natuur werd de basis van zijn Derde Symfonie. De symfonie heeft zes delen en is opgebouwd uit twee gedeelten. De eerste helft bestaat uit één deel dat ongeveer veertig minuten duurt. De tweede helft heeft vijf delen en hierin komt Mahler’s eerbetoon aan de natuur en het leven tot uitdrukking. In het vierde deel zingt de altsoliste een tekst uit Nietzsches “Also sprach Zaratustra”: “O Mensch! Gib acht!” In het vijfde deel imiteert een kinderkoor het gelui van kerkklokken en een vrouwenkoor zingt het lied “Es sungen drei Engel” dat afkomstig is uit de Duitse gedichtenbundel “Des Knaben Wunderhorn”.

Vanaf 1897 was hij in Wenen eerst als kapelmeester werkzaam, later als directeur van de Hofopera. Van 1898 tot 1901 nam de druk bezette gastdirigent de leiding op zich van de Filharmonische Concerten.

Symfonie nr. 4
Mahler kon door zijn drukke werkzaamheden als dirigent aan de Weense Hofopera alleen componeren in zijn vrije tijd, tijdens de zomervakanties. Zo heeft hij de eerste drie delen van zijn 4e Symfonie in de zomers van 1899 en 1900 gecomponeerd. Het laatste (vierde) deel - waarin een sopraansolo is verwerkt - voegde hij later pas toe. Oorspronkelijk had Mahler dit deel voor zijn derde symfonie geschreven. Net als de tweede en de derde behoort de vierde symfonie tot de Wunderhorn-symfonieën, de symfonieën die gebaseerd zijn op liederen uit 'Des Knaben Wunderhorn' van Clemens Brentano. Het lied 'Das Himmlische Leben' - in dit concert gezongen door de Amerikaanse sopraan Maria Ewing - is de kern van deze symfonie.

Symfonie nr. 5
1901, het jaar waarin Mahler begon aan zijn Vijfde Symfonie, was ook het jaar waarin hij zo ernstig ziek was dat hij zijn functie bij het Weens Philharmonisch Orkest neer moest leggen. Hij kocht een nieuw huis in Maiernigg: de villa 'Mahler' waar hij zich die zomer terugtrok om te componeren. Mahler voltooide er acht orkestrale liederen en drie delen van zijn Vijfde Symfonie. Het karakter van al deze werken is somber. Hij was bijna overleden aan zijn ziekte en Mahler werd geobsedeerd door de dood. Alleen het derde deel van de Vijfde - het Scherzo - straalt blijdschap uit. Het vierde deel - het Adagietto voor harp en strijkers – is wereldberoemd en werd door regisseur Luchino Visconti gebruikt in zijn film Dood in Venetië uit 1971. Volgens Mahlers vriend, dirigent Willem Mengelberg, is het Adagietto, een liefdesverklaring aan Alma Schindler, de jonge vrouw waarmee Mahler zich in 1901verloofde en een jaar later trouwde. Pas in 1904 ging de Vijfde Symfonie in première. De uitersten in deze symfonie, diepe droefenis en stralend licht, komen bij elkaar in een feestelijk en zonovergoten slotdeel.

Symfonie nr. 7
Mahler schreef zijn Zevende Symfonie over een periode van een aantal jaren. De twee “Nachtmusik” delen componeerde hij in 1904, de andere drie delen schreef hij grotendeels in 1905. De première vond op 19 september 1908 plaats in Praag. Mahler dirigeerde zelf het Tsjechisch Philharmonisch Orkest. Orkestleden, recensenten en publiek moesten nog wel wennen aan de moderne revolutionaire klanken, muziek op de grens van laat romantiek en vroege atonaliteit. De 7e Symfonie is Mahlers meest abstracte en minst toegankelijke werk. Mahler zelf schreef over deze symfonie echter: “Het is mijn beste werk en heeft een opgewekt karakter”. De componist lapt in dit werk alle muzikale conventies aan zijn laars. Met een enorm orkest waarin bijzondere instrumenten als de tenorhoorn, mandoline, gitaar, gong, tamboerijn en koebellen voor het voetlicht komen, toont hij ons - met eindeloze fantasie en groot gevoel voor humor - zijn “Lied der Nacht”.

In het 1907 vertrok hij naar New York, waar men hem had voorgedragen als kapelmeester van de Metropolitan Opera. Twee jaar later werd hij muzikaal directeur van de Philharmonic Society in New York. Een hartkwaal dwong hem in 1911 deze baan op te geven en terug te keren naar Wenen.

Symfonie nr. 8
Deze geheel gezongen symfonie beschouwde Gustav Mahler als het hoogtepunt in zijn carrière. De bezetting is enorm: 8 zangsolisten, een dubbel koor, een kinderkoor en een gigantisch orkest. Bij de door Mahler zelf gedirigeerde première op 12 september 1910 in München stonden er meer dan 1000 uitvoerenden op het podium. Vandaar de naam “Sinfonie der Tausend” een titel waar Mahler zelf niet gelukkig mee was. De symfonie heeft twee delen. Niet het orkest maar het koor zet het eerste deel in met de middeleeuwse Latijnse hymne 'Veni creator spiritus', een ode aan de Schepper. Het tweede deel is verfijnder van klank en wordt in het Duits gezongen. De tekst is de slotscène uit GoethesFaust’ en heeft meer de vorm van een cantate dan een symfonie. De symfonie, eindigt langzaam en sereen met een 'chorus mysticus'. Met de keuze voor het grote aantal uitvoerenden wilde Mahler de oneindige grootsheid van het heelal suggereren. ,,Stel je voor dat het heelal begint te trillen en tot klinken komt', schreef hij destijds.

Symfonie nr. 9
Net als de Achtste Symfonie heeft Gustav Mahler ook de Negende in één zomer gecomponeerd (in 1909). Het was de laatste symfonie die hij kon voltooien. Mahler wordt in onze eeuw gezien als de laatste romanticus die kolossale symfonieën schreef. De Negende luidt het einde in van de romantische periode in de muziekgeschiedenis. Mahler heeft de première niet meer meegemaakt. Hij overleed in 1911, bijna 51 jaar oud. De eerste uitvoering onder leiding Bruno Walter was in Wenen op 26 juni 1912. Misschien is het de meest aangrijpende symfonie, nog meer dan in zijn andere symfonieën gaat deze over leven en dood, uitzichtloosheid en berusting en is er geen lichtheid of paradijs in de muziek verklankt.

Niet alleen als componist maar ook als dirigent geldt Gustav Mahler als een van de belangrijkste persoonlijkheden in de muziek van het fin de siècle. Als directeur van de Weense Hofopera introduceerde hij tal van vernieuwingen binnen het operagebeuren: hij intensiveerde de repetities, organiseerde solorepetities en maakte zich sterk voor een betere scholing wat dramatische expressie betreft, daar hij een expressieve weergave belangrijker vond dan perfectie van de stemmen. Het ging hem vooral om de verduidelijking van betekenis en gehalte van een stuk. Zijn muziek is nooit absoluut, maar altijd drager van ideeën die in feite buiten de muziek om gaan. In zijn eerste drie symfonieën gaat het om complete programma's in de vorm van parabels. Maar ook als dat niet het geval is, volgt Mahler een muzikaal doel.

In zijn werken probeert hij steeds weer een weerspiegeling van de wereld in haar totaliteit te scheppen. Hij plaatst daarbij de wereld van de realiteit in de zin van maatschappelijke leugenachtigheid, lijden, bruutheid en lawaai tegenover een zogenaamde "andere wereld", die zich onderscheidt door een natuur die niet door menselijk ingrijpen is aangetast, door dromen en door het zich bezinnen over zichzelf. Het opgaan in deze natuurmystiek wordt muzikaal in episodes weergegeven als een toestand die even snel verschijnt als weer verdwijnt. De componist gebruikt bij de voorstelling van de werkelijke wereld vooral triviale muzikale elementen, die uitputting, vervlakking en overbodigheid uitdrukken. Triviaal zijn in dit verband het vaak herhalen van een sequen , de stilering van muzikale elementen "uit de kroeg" of "van de dansvloer", de opeenhoping van marsritmes en -thema's alsook een populaire liedmelodiek en wijze van indelen. Niet zelden neemt Mahler zelfs complete liedstrofes over in zijn symfonieën.
Deze zogenaamde "liedepisodes" dienen ter onderbreking van het vormverloop en staan op zichzelf. Ze hebben niet direct betrekking op hun omgeving.
In zijn op het volkslied georiënteerde liederen geeft Mahler de voorkeur aan regelmelodiek, eenvoudige opbouw van periodes en een diatonische melodievoering. Het (gevarieerde) lied in coupletvorm is een van de belangrijkste vormprincipes van Mahlers liederen, die - overeenkomstig de volkspoëzie - thema's als liefdesverdriet en -geluk, lentegevoelens, afscheid, verlangen enz. bevatten.

Arnold Schönberg droeg zijn harmonieleer op aan Gustav Mahler en motiveerde deze beslissing als volgt: "Deze opdracht moet uitdrukking geven aan mijn verering voor zijn onsterfelijke composities en getuigen van het feit dat dit oeuvre, waaraan door de gerenommeerde musici schouderophalend, ja zelfs met minachting voorbijlopen, wordt aanbeden door iemand die misschien ook iets begrijpt. Gustav Mahler, deze martelaar, deze heilige, moest heengaan, voordat hij zijn werken dusdanig vertrouwd kon maken dat hij ze met een gerust hart aan zijn vrienden kon toevertrouwen. Mijn wens is dat mijn boek mij eerbied zal verschaffen, zodat niemand er meer omheen kan wanneer ik zeg: dit is een groot man geweest".

Bron symfonieën: http://www.omroep.nl/nps/klassiek/


privacybeleid