kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 27-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Giuseppe Verdi

Giuseppe Verdi (door Giovanni Boldini 1886)

Italiaans componist, (Le Roncole thans Roncole Verdi, bij Busseto, provincie Parma, 10.10.1813 – Milaan 27.1.1901

Nadat Verdi eerst les gekregen had van de dorpsorganist in zijn geboortestad Pietro Baistrocchi en bij Ferdinando Provesi, kreeg Giuseppe Verdi een stipendium om aan het conservatorium van Milaan muziek te studeren. Daar werd hij echter wegens te weinig talent afgewezen en hij nam daarop privéles bij Vincenzo Lavigna.

In 1836 werd Verdi, die Italië tijdens zijn hele leven nauwelijks verliet en afwisselend in Milaan of op zijn landgoed Sant'Agata woonde, tot leider van het stadsorkest en de muziekhogeschool in Busseto benoemd.

Zijn operadebuut in Milaan in het jaar 1839 met "Oberto", evenals zijn tweede opera "Un Giorno di regno" uit het jaar 1840, hadden niet het gehoopte succes. Pas met de in 1842 in de Scala van Milaan opgevoerde opera Nabucco lukte hem zijn grote doorbraak. Het daarin voorkomende "gevangenenkoor" werd tot hymne van het Risorgimento, dat betekent de bevrijding van de Oostenrijkse heerschappij. Al spoedig daarna werd Verdi zelf het symboolfiguur van deze beweging en zijn naam werd als anagram voor Vittorio Emmanuelle Re D'Italia, de in 1861 op de troon geklommen eerste koning van Italië, gebruikt.

Luciano Pavarotti - Bella Figlia ( Rigoletto ) (1851)

Zijn triomftocht als componist zette zich met "Rigoletto" (1851), "Il Trovatore", "La Traviata" (1853) en "Aida" (1871) voort.

Verdi knoopt in zijn composities aan bij de opera's van Gioacchino Rossini, Vincenzo Bellini en Gaetano Donizetti; hij verwijdt ze echter door een krachtiger en gedrongener stijl. Het woord speelt bij hem een ondergeschikte rol tegenover gebaren, spel, beweging en muzikale uitdrukking. De toondichter, die als de meest vooraanstaande Italiaanse operacomponist van de 19de eeuw is te beschouwen, ruimt voor het orkest veel gewicht in en tekent karakters psychologisch verdiepend na. Veel van zijn onderwerpen hangen samen met de vrijheidsbeweging in Italië in de 19de eeuw.

Naast zijn opera's, die onbestreden in het middelpunt van zijn muzikale schepping staan, componeerde Verdi onder andere kamermuziek, stukken voor zangstemmen en piano evenals geestelijke koorwerken, waaronder een requiem.

In feite laat zich de halve eeuw van ca 1840-90 in Italië met een enkele naam karakteriseren: Giuseppe Verdi. Hij is het enige muzikale en muziek-dramatische genie van bovennationaal formaat, dat de oude roem van zijn vaderland kon hooghouden tegenover de grote Duitse, Franse en Russische componisten van zijn tijd.

"Wat Verdi van zijn voorgangers onderscheidt, is het streven om de zang in overeenstemming te brengen met de door de tekst uitgesproken aandoeningen. Het bel canto als doel kent hij niet. Het karakteristieke gaat hem boven het mooie. Wat hij wil, vanaf Oberto tot Falstaff toe, is expressieve zang, uitdrukking van alle menselijke aandoeningen door de stem. Dat hem dit in den beginne niet steeds gelukt, dat hij zich moeizaam moet losmaken van de bel canto-traditie, doet hieraan niets af. Ook vergete men niet, dat zeer zeker verschil van mening over de juiste muzikale weergave van een bepaald gevoel bestaan kan tussen een Italiaan en een Germaan. In het kort kan men Verdi's ontwikkeling als operacomponist karakteriseren als een die begint bij het streven naar de theatrale waarheid, om bij de dramatische waarheid te eindigen, wanneer wij dan onder theatrale waarheid, de waarheid van het toneel, onder dramatische waarheid de waarheid van het leven verstaan. De vertolker van deze waarheid is voor hem de stem. Het gaat Verdi dus om de stem als uitdrukking voor menselijke aandoeningen. Niet om problemen, niet om diepzinnige relaties, oorzaken en gevolgen, mystieke achtergronden. Hij filosofeert niet óver muziek en niet in zijn muziek, in tegenstelling tot Wagner. Voor hem zijn er slechts mensen, goede en slechte, heroïsche en passieve, gelaten en onstuimige, honderden van indivluualiteiten, typen en karakters. En deze mensen zijn gelukkig of ongelukkig, beheerst door verlangens, bezeten door driften, en zij hebben een stem gekregen om daaraan uiting te geven. Dat is alles, en het is genoeg. Zij worden niet beoordeeld en niet veroordeeld, zij dienen niet als voorbeeld voor stichtelijke beschouwingen. De toeschouwer leeft alleen al deze vreemde existenties mee en verstaat een stuk vreemde menselijkheid" (Meesters der Muziek, blz. 168).

De opera's van Verdi laten zich in verschillende typen onderscheiden:
a. de Italiaanse navolging der Franse grand-opéra in zijn vroegste successen: Nabuccodonosor en I Lombardi alla prima crociata (resp. 1842 en 1843), en in een zijner hoofdwerken: Aida (1871);
b. eigenlijke Franse grand-opéras: Les Vêpres siciliennes en Don Carlos (beide voor Parijs resp. 1855 en 1867, omgewerkt 1883);
c. de werken die zich langzaam aan van de grand-opéra, die sterk het lot van de enkeling verbond aan dat van een volk of geloofsgemeenschap, afwenden in de richting van een meer individueel tragisch lot: ook de Aida is slechts door de vereiste middelen, de pronk en praal van ceremoniële handelingen, zoals tempelscènes, triomfmars, een grand-opéra, niet naar het gegeven zelf dat zich op het lot der drie hoofdpersonen concentreert. Deze groep wordt vnl. gevormd door de thans grotendeels verwaarloosde werken uit de tijd tussen Ernani (1844) en Rigoletto (1851), waarvan de belangrijkste zijn de ten dele grandioze Macbeth en de meer lyrische Luisa Miller (1848), die zich geheel van de grand-opéra hebben losgemaakt;
d. hoofdwerken der individuele tragiek zijn Rigoletto (1851), Il trovatore (1853), La traviata (1853), Simon Boccanegra (1857, omgewerkt 1881), Un ballo in maschera (1859), La forza del destino (1862) en Otello (1887), het dramatische en muzikale hoogtepunt in Verdi's werk en een der hoogste toppen der operaliteratuur in het algemeen;
e. ten slotte zijn er Verdi's beide komische opera's, de mislukte Giorno di regno aan het begin (1840) en de bekroning van het gehele oeuvre Falstaff aan het einde van zijn loopbaan (1893).
Behalve opera's schreef Verdi in zijn rijpste jaren nog een strijkkwartet (1873), een requiem (1873), dat een zijner meest geliefde werken is geworden, en als afscheid van de kunst in 1898 zijn 4 Pezzi sacri: Ave Maria, Laudi alla Vergine, Stabat Mater en Te Deum.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 103.