kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 07-12-2008 voor het laatst bewerkt.

Georg Friedrich Handel

Georg Friedrich Händel

Georg Friedrich Handel 1733, geschilderd door Balthasar Denner

Georg Friedrich Händel, George Frideric Handel geboren Halle, 23-2-1685, gestorven Londen, 14-4-1759
Engels componist van Duitse afkomst

Georg Friedrich Händel legde al vroeg een buitengewone muzikale begaafdheid aan de dag in de vorm van eminent orgelspel. Hoewel zijn vader, een chirurg met de titel Vorstelijk Saksisch en keurvorstelijk Brandenburgs kamerdienaar en lijfchirurg, tegen een muzikale opleiding van zijn zoon was - hij had Händel bestemd voor het eerzame beroep van jurist - maakte de hertog van Sachsen-Weissenfels het mogelijk dat de achtjarige Georg onderricht kreeg in het cembalo-, orgel-, viool- en hobospel bij de organist Friedrich Wilhelm Zachow te Halle.

Na de dood van zijn vader in 1697, liet Händel zich in 1702 alsnog inschrijven voor een rechtenstudie aan de universiteit van Halle, maar hij werd bijna gelijktijdig aangesteld als organist aan de gereformeerde domkerk aldaar.

Op aanraden van de dichter Barthold Heinrich Brockes trok hij naar Hamburg, waar onder leiding van Reinhard Keiser voor het eerst een Duitse stedelijke opera-instelling, onafhankelijk van vorstelijke subsidies, tot bloei was gekomen.
Bovendien waren de organisten van Hamburg en verre omgeving (Jan Adamsz, Reinken en Buxtehude, de laatste in Lübeck) beroemd over de hele wereld en ook op het gebied van de kerkmuziek was er voor hem veel te leren.

Händel werd tweede violist aan de opera en mocht nu en dan zelfs het cembalo bespelen, wat in die tijd gelijk stond aan dirigeren. Hij leerde hier ook de opera kennen.

Michael Spyres: Handel's Messiah - Comfort ye

In Hamburg raakte hij bevriend met zijn collega J. Mattheson, die al snel Händels geniale aanleg herkend had en hem verder hielp. Aan het einde van een voorstelling van Mattheson's opera Cleopatra kregen de beide vrienden hooglopende ruzie over het feit dat Händel zijn plaats aan het cembalo niet nog een half uur aan de componist wilde afstaan. Onder de ogen van het geamuseerde publiek ontaardde het boze dispuut in een serie handtastelijkheden, culminerend in wederzijdse oorvijgen. Tenslotte sleurde Händel zijn tegenstander mee naar de Ganzenmarkt, waar direct een duel op de degen begon, voor een groot aantal toeschouwers die uit het theater waren gekomen. Een beslissende stoot van Mattheson schampte als door een wonder af op een grote knoop aan Händels mantel. De kemphanen dronken er een glas wijn op en werden nog betere vrienden dan voorheen.

Händel schreef in Hamburg enkele Duitse opera's: Almira (1705), Nero (1705), Florindo e Dafne (1708).

In 1706 ging hij naar Italië, een reis die voor zijn muzikale ontwikkeling van de allergrootste betekenis werd. In Bologna bestudeerde hij de zangtechniek van de castraten. In Florence componeerde hij de cantate Lucretia. In Rome wijdde hij zich vooral aan de Italiaanse operastijl en oogstte hij veel bewondering voor zijn cembalospel en als orgelvirtuoos. Händel componeerde hier de oratoria La resurrezione en Il trionfo del tempo. In Napels componeerde hij cantates en in Venetië opera's. In Rome leerde hij ook de Italiaanse oratoriumstijl, wat een zeker 'katholicisme' aan zijn kunst gaf, dat altijd duidelijk aanwezig is gebleven.

In 1709 was hij in Florence voor de première van zijn opera Agrippina. Hier ontmoette hij de meest erkende musici uit zijn tijd: de twee Scarlatti's en Steffani.

In 1710 op vijfentwintigjarige leeftijd keerde hij terug naar Duitsland als een beroemd man in de twee belangrijkste opera centra van de wereld, Italië en Hamburg. Op aanbeveling van A. Steffani kreeg Händel de functie van hofcomponist aan het groothertogelijk hof te Hannover. Toen het Huis Hannover op de Engelse troon kwam ging Händel mee naar Engeland, waar hij tot zijn dood zou blijven.

In Londen schreef hij in veertien dagen de opera Rinaldo, die hem onmiddelijk naam verschafte.

Met de oprichting van de Royal Academy of Music in 1719 begon Händels grote operatijd. Hij was belast met het engageren van kunstenaars en reisde naar Dresden om daar be belangrijkste Italiaanse krachten uit te zoeken. In 1720 begonnen de voorstellingen en een stroom van Italiaanse opera's volgde, waaronder Radamisto (1720), Muzio Scevola (1721), Ottone (1723), Giulio Cesare (1724), Rodelinda (1725), Scipione (1726), Riccardo I (1727), Siroe (1728) en Tolomeo (1728). Zijn roem werd hierdoor verspreid over heel Europa. Naast hem in Londen wist alleen G.B. Bononcini zich te handhaven. In 1728 maakte deze zich onmogelijk en bleef Händel alleen over.

Op 13 februari 1726 kreeg Händel de Engelse nationaliteit, vandaar dat hij zijn naam spelde George Frideric Handel. Hij mocht zich vanaf dat moment 'Composer of Musick for the Chapel Royal' en 'Composer to the Court' noemen.

In 1728 raakten de financiën van het gezelschap uitgeput en de Academia werd in januari 1729 ontbonden. In december van datzelfde jaar richtte hij een eigen 'Academy' op, die echter ook niet kon blijven voortbestaan. De tweede Londense opera-periode was begonnen met: Lotario (1729), Partenope (1730), Poro (1731), Ezio ((1731), Sosarme (1732) en Orlando (1732). In 1732 ontstonden er moeilijkheden met de castraat Senesino. Er ontstond een concurrentiestrijd met een afgescheiden operagroep en Handel bracht Arianna (1734) en het omgewerkte Pastor Fido (1735).

Händel zette de strijd voort werkend in Covent Garden. Verschillende Italiaanse opera's volgden: Parnasso in festo (1734), Oreste (1734), Ariodante (1735), Alcina (1736), Atalanta (1737), Berenice (1737) etc. Toen alles misliep ging Handel over op het oratorium, dit mede onder invloed van het verbod van Bischop Gibson geestelijke opera's op te voeren.

Na een korte ernstige ziekte startte Handel samen met Johann Jacob Heidegger (één van zijn mededirecteuren van de Royal Academy of Music) de derde opera-onderneming en bracht de opera's: Faramondo (1738), Serse (1738), Alessandro Severo (1738) en in de jaren 1739-41: Jove in Argo, Imeneo en Deidamia en de grote oratoria Saul (1739), Israel in Egypt (1737) etc. In deze tijd componeerde hij ook het grootste deel van zijn instrumentale composities.

De belangstelling in Londen voor de Italiaanse opera was voorbij en Handel schreef in 1742 in 24 dagen zijn meesterwerk, het oratorium de Messiah. Het werd zowel in Dublin als in Londen een groot succes. Vanaf 1749 werd het in Londen jaarlijks voor een liefdadig doel opgevoerd. Vanaf 1742 componeerde Handel nog uitsluitend oratoria: Samson (1742), Semele (1743), Heracles en Belsazar (1744), Occasional Oratorio (1745, het gelegenheidsoratorium bij de overwinning van Culloden), Judas Maccabaeus en Joseph (1746), Joshua en Alexander Balus (1747), Theodora en Solomon (1748) en Jephta in 1752.

Handel maakte een laatste reis naar Duitsland waarbij hij ook enkele Hollandse steden bezocht, waarschijnlijk in verband met met het feit dat hij kenner en verzamelaar van schilderijen was. In 1750 meldde de Londense 'General Advertiser', dat Handel op 21 augustus 1750 een ongeluk met een reiskoets had gehad tussen Den Haag en Haarlem en "was terribly hurt".

Terug in Engeland werd Handel in de loop der jaren driemaal overvallen door beroertes met verlammingen en verstoringen van spraak tot gevolg, waarvan hij steeds herstelde door kuren in badplaatsen. Hij onderging drie operaties van de 'zwarte staar', maar desondanks werd hij geheel blind, wat in de London Evening Post vermeld werd op 30 november 1753.
Hij werkte nog zes jaren door waarbij hij aria's en koren dicteerde als verbetering en aanvulling van bestaande werken. Twee jaar voor zijn dood werkte hij een Italiaans jeugdwerk om tot zijn laatste oratorium, op een nieuwe Engelse tekst, The Triumph of Time and Truth. Het werd een groot succes. Tot 8 dagen voor zijn dood, zittend aan zijn instrument, was hij zelf de leider en begeleider van die uitvoeringen.

Op zaterdagochtend 14 april 1759 stierf Handel en kreeg een vorstelijke begrafenis in de Westminster Abbey.

Handel schreef 46 opera's, 32 oratoria, 29 solocantates met instrumentale begeleiding, 72 solocantates met continuo, 20 vocale duetten, kerkmuziek: waaronder 6 Te Deums, 20 Anthems, instrumentale muziek: waaronder 12 sonates voor viool of fluit met continuo, 22 triosonates voor 2 violen (hobo's of fluiten)met bas, 12 concerti grossi, 11 orkestconcerten, 3 concerti a due cori, 18 orgelconcerten, 15 kamersonates, 2 hobo-sonates, muziek voor clavecimbel oa 16 suites de pièces en 6 fuga's.

Terwijl de componist, die gedurende zijn laatste levensjaren blind was geworden, zich voor zijn vocale werken vooral liet inspireren door A. Steffani en Alessandro Scarlatti, was op instrumentaal gebied in de eerste plaats Arcangelo Corelli zijn voorbeeld.

Concerti grossi op. 6 uit 1739 van Georg Friedrich Händel. De concerti grossi op. 6 worden beschouwd als de belangrijkste instrumentale composities van G.F. Händel. Hij schreef de twaalf concerten voor strijkorkest, twee soloviolen en een solocello met basso continuo in amper vier weken tijd.

Al in 1739 en 1740 deden de concerti voornamelijk dienst als intermezzi tijdens de uitvoering van oratoria in het Lincoln's Field Theatre. De gebruikelijke afwisseling tussen de solostemmen (concertino) en het tutti (ripieno) is niet meer zo sterk uitgewerkt als bijvoorbeeld in de concerti grossi op. 3 van 1716. In plaats daarvan liet Händel de solo- en tutti-gedeeltes meer in elkaar vloeien en vernieuwde zo het concerto-grosso-genre.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 127.