muziekbus









Franz Schubert

Franz Peter Schubert (geboren 31-1-1797 in Lichtental, overleden 19-11-1828 in Wenen), Oostenrijks componist uit de romantiek.

De Oostenrijkse componist Franz Peter Schubert werd als twaalfde kind van veertien waarvan er 5 in leven bleven geboren in Lichtental bij Wenen. Zijn vader, die ook Franz heette, was onderwijzer en amateurmusicus. Hij speelde cello. Dat was in veel families zo. Vader Schubert en z'n kinderen traden vaak thuis op als strijkkwartet, met vrienden op altviool.

Schubert kreeg een brede algemene opleiding en kreeg reeds op jonge leeftijd les in zang, viool, piano en orgel. Op zevenjarige leeftijd kreeg Franz jr. zijn eerste viool- en muzieklessen, op zijn achtste kwam pianoles daarbij. Al gauw was hij beter dan zijn leraren; zijn vader en zijn oudere broer Ignaz.

In 1808 op zijn elfde werd hij als koorknaap opgenomen in de keizerlijke hofkapel en kwam op 't keizerlijke seminarie het Stadtkonvikt (Wiener Sängerknaben). Daar kreeg hij niet alleen een muzikale opleiding (zang, orgel en theorie), maar ook een gedegen gymnasiumopleiding. Spoedig, op zijn twaalfde, was hij al concertmeester en plaatsvervangend dirigent van het huisorkest van het Stadtkonvikt.

De belangrijkste muziekleraar van Schubert was Antonio Salieri, die zowel Haydn, Mozart als Beethoven had gekend. Bij Salieri studeerde hij contrapunt en compositie en onder diens invloed ontstonden zijn eerste composities (kleine kwartetten, pianostukken en liederen, w.o. Hagars Klage). Vanaf zijn dertiende jaar zijn er composities van Schubert bekend, hoewel er niet bewezen verhalen gaan dat hij op zijn zevende al verschillende muziekstukken zou hebben geschreven.

Het jaar 1812 werd een rotjaar voor de jonge Franz. Eerst overleed zijn moeder en vervolgens kreeg hij de baard in de keel, zodat hij het koor en de school moest verlaten. Onder druk van zijn familie begon hij een opleiding aan de kweekschool tot onderwijzer.

Op 28 okt. 1813 op zijn zestiende voltooide hij zijn Erste Symphonie in D gr.t.

Waarschijnlijk om dienstplicht te ontduiken keerde Schubert eind 1813 terug naar huis en werd hij hulponderwijzer bij zijn vader (tot 1817). In de jaren dat hij zo zijn schamele kost verdiende schreef hij in zijn vrije tijd het ene werk na het andere. Niet in opdracht, maar gewoon voor de lol.
Tot de composities uit deze periode behoren zijn eerste Mis in F (1814), zijn eerste belangrijke lied Gretchen am Spinnrade (uit Goethes Faust; 1814), de ballade Erlkönig (tekst van Goethe; 1815, één van de 145 liederen uit dat jaar) en de symfonieën 2–5 (waarvan de vierde als Tragische het bekendst is geworden), de kleine Sonaten voor viool en piano op. 137 en in 1816 alleen al meer dan honderd liederen, o.a. Der Wanderer.

In 1818 verliet hij het onderwijs en vestigde zich in Wenen.
De jonge componist voelde zich inmiddels door zijn werk als onderwijzer sterk in zijn vrijheid om te componeren beperkt. Zijn bemiddelde vriend Franz von Schober overtuigde Schubert daarom vrij makkelijk om ontslag te nemen en zich volledig aan de muziek te wijden, hetgeen zeer tegen zijn vaders wil in was. Schubert verliet zijn ouderlijk huis en trok bij Von Schober in. Hier ontmoette Schubert onder anderen de getalenteerde zanger Johann Michael Vogl met wie hij zijn "Schubertiades" begon, een groep vrienden die voor eigen amusement samen muziek maakten.

Naarmate Schubert rijpte als componist werd hij 'n bruggenbouwer tussen de gestructureerde klassieken en de nieuwe gevoelsbeweging, de Romantiek. De bindende factor in de Romantiek was 't zoeken naar 'n hogere spirituele schoonheid, in alle kunstvormen.

Ook nadat hij succes kreeg en zijn werken vaak werden opgevoerd, wist hij daar maar slecht van te profiteren. Schubert miste een zakelijke aanleg en bracht het grootste deel van zijn leven in betrekkelijke armoe door.

Schuberts leven verliep in benarde omstandigheden. Zijn teruggetrokken en schuchtere aard waren niet bevorderlijk voor het bekleden van een openbaar ambt. De hem aangeboden organistenfunctie aan de Hofkapel sloeg hij af; daarentegen solliciteerde hij tevergeefs naar de post van kapelmeester aan de Hofkapel en aan het Kärntnertor-theater.

Erlkönig werd gecomponeerd in 1815 en was meteen 'n succes. Die populariteit was te danken aan Schubert's vermogen om de piano veel effectiever te gebruiken.
Vanouds diende deze als begeleiding van de stem. Nu werd 't een wezenlijk onderdeel van 't lied, een gelijkwaardige partner. Erlkönig is 't tragische verhaal van 'n vader en z'n stervende zoon. Een wanhopige vader rijdt met z'n zieke kind door 't donkere woud.
De dood verschijnt als de Erlkönig en lokt 't kind naar z'n koninkrijk. De intense triolen op de piano verbeelden 't opengaan van de hemel. Als ze de plaats van bestemming bereiken ligt de zoon dood in de armen van z'n vader. De Erlkönig heeft gewonnen. Schubert trouwens ook. De kracht van z'n muziek dwingt de aandacht van z'n publiek af.
Hij gebruikt tempo en ritme om de aandacht vast te houden. De wijze waarop hij pianopartijen arrangeert, was nog nooit vertoond.

De Vijfde symfonie, uit 1816 is altijd de meest populaire symfonie van Schubert gebleven. Nu hebben de symfonieën van Schubert een welverdiende plaats binnen 't orkestrepertoire.
Tijdens z'n leven werden ze bij grote openbare concerten niet uitgevoerd. Enkele symfonieën kregen 'n matte uitvoering door 'n amateurorkest. Schubert dankte z'n bescheiden roem aan prachtige liederen en kamermuziek. Z'n muziek was fantasierijk, origineel en smaakvol en werd bijna altijd goed ontvangen. De Vijfde symfonie staat bekend om 't gebruik van harmonie en melodie. Het is 'n helder en krachtig stuk. De instrumenten vullen elkaar goed aan, alsof ze gezellig zitten te keuvelen. In dit stuk horen we dat Schubert is gerijpt. Hij laat 'n unieke stijl horen, waarin hij z'n voorbeelden niet meer imiteert maar integreert in 'n stijl die helemaal van hemzelf is.
In dit stuk toont Schubert wisselingen in toonsoort en tempo te beheersen. En toch klinkt 't eenvoudig. Dat is 't kenmerk van 'n genie op 't hoogtepunt van z'n kunnen. Schubert bracht z'n eerste 21 jaar door in 'n politiek klimaat dat niet bepaald aangenaam was. Napoleon walste Europa door en bezette ook Wenen. Het geld devalueerde, en er heerste onrust onder de studenten die tot repressieve maatregelen leidde.

De Rosamunde-ouverture werd geschreven als 'tussendoor' muziek bij 't toneelstuk Die Zauberflîte, in 1820. Het is een van de weinige werken die tijdens z'n leven professioneel zijn uitgevoerd. Het werd geen succes. Een criticus zei: Het is te lang, te ineffectief en te vermoeiend. De harmonische reeksen zijn te grof. Daar denken we nu anders over. De Rosamunde-ouverture wordt vaak uitgevoerd en is geliefd bij 't publiek.

Syfilus
De vriendelijke en levenlustige Schubert moet flink van het leven hebben genoten in deze jaren; zo hij deed rond 1822 Syfilis op. Hoe hij daar precies aan kwam? Het zal niet door het drinken van een kopje thee gekomen zijn. Zijn liefdeleven was en is in geheimzinnigheid gehuld. Schubert is nooit getrouwd geweest, volgens sommigen omdat hij daar te arm voor was. Als vrijgezel was hij regelmatig zeer intiem met zijn vrienden, in het bijzonder met de jonge schilder Schwind die hij "zijn geliefde" noemde en bij wie hij in de buurt ging wonen omdat ze onafscheidelijk waren, maar of dit ook met sexuele gevoelens gepaard ging blijft de vraag. Overigens had hij zijn uiterlijk niet echt mee, zo blijkt wel uit de niet echt vleiende bijnaam die zijn vrienden hem gaven: Champignon. Misschien dat hij daarom in veel biografieën wordt afgeschilderd als een bijna a-sexueel persoon, maar of dat dicht bij de waarheid is blijft de vraag.

In het openbare concertleven speelde zijn werk tijdens zijn leven geen rol; slechts één concert (1828) had succes.

In 1828 overleed Franz Schubert op betrekkelijk jonge leeftijd aan tyfus te Wenen. Hij werd op het Währinger Friedhof begraven. In 1888 is zijn stoffelijk overschot naar het Zentral Friedhof te Wenen overgebracht.

Franz Schubert componeerde in vele genre's. Samen met Milhaud, Mozart, Telemann en Villa Lobos behoort hij tot de productiefste componisten. Hij schreef 13 opera's, missen, symfonieën, kamermuziek, pianowerken en meer dan 600 liederen.

Schubert is vóór alles de grootmeester van het lied.
Hij gebruikte hiervoor drie typen: a. het strofelied, waarbij iedere strofe dezelfde melodie heeft en de pianopartij eenvoudig gehouden is (Heidenröslein, 1815; tekst van Goethe); soms kan een van de strofen muzikaal gewijzigd worden en dan ontstaat het gevarieerde strofelied (Tränenregen); b. het doorgecomponeerde lied, waarbij de melodie geheel is aangepast aan het verhaal; de eenheid wordt tot stand gebracht door een volgehouden ritmische figuur in de pianopartij; c. het declamatorische lied, waarin de melodie volkomen ondergeschikt wordt gemaakt aan de nauwgezette declamatie.
Met deze vormen en hun varianten legde Schubert de grondslag voor het romantische lied van Robert Schumann tot Richard Strauss.

Harmonisch is zijn werk interessant door het gebruik van tertsverwantschappen, en harmonische verwisselingen, enz., waarbij hij de harmoniek van de late Beethoven als uitgangspunt gebruikte. Uit zijn pianosonates blijkt zijn grote voorliefde voor Beethoven, maar zijn thema's vormen een afgerond geheel en lenen zich daardoor minder voor verwerking dan die van Beethoven.

Al het instrumentale werk van Schubert is sterk lyrisch. Als liedcomponist met een sterk natuurgevoel koos hij tot onderwerpen van zijn teksten mens, natuur en God; deze werden door hem van verschillende zijden belicht, maar zonder dramatische tegenstellingen. In deze instelling moet ook zijn mislukken als operacomponist worden gezocht.

Franz Schubert

Franz Peter Schubert (geboren 31-1-1797 in Lichtental, overleden 19-11-1828 in Wenen), Oostenrijks componist. Vroeg al werd het talent van Franz Schubert door zijn vader, een schoolmeester,ontdekt. Reeds op elfjarige leeftijd trad de jongen als koorknaap van de hofkapel toe tot de keizerlijk-koninklijke stadskostschool en werd daar vijf jaar lang door de beroemde componist en hofmuziekdirekteur Antonio Salieri in compositie- en algemene basleer onderwezen. In 1813 aanvaardde Schubert, de door hem niet erg geliefde werkzaamheid, als hulponderwijzer in de school van zijn vader. Vijf jaar later koos hij echter voor een leven als vrije componist in Wenen. Zijn vriendenkring, die uit jonge schrijvers en kunstenaars bestond, ondersteunde hem hierbij naar beste vermogen - Franz von Schober deelde zelfs met hem een woning en steunde hem ook financieel. In 1818 en in 1824 tijdens zijn zomerverblijf in Esterházy was Schubert als huismuziekleraar van graaf Johann Karl werkzaam. Als solist gaf de componist slechts een enkel openbaar concert; dit vond op 26 maart 1828 in de muziekvereniging van Wenen plaats en was zowel financieel als artistiek een groot succes. Voor het overige werden in de kring van zijn gelijkgezinde vrienden, die hun bijeenkomsten sinds 1821 "Schubertiaden" noemden, slechts kleine privé-concerten georganiseerd. De in zeer bescheiden omstandigheden levende en zijn hele leven sukkelende Schubert overleed op slechts 31 jarige leeftijd aan de gevolgen van een typhusinfectie. In het middelpunt van het zeer lijvige oeuvre van de jongste Weense classicus staat met meer dan 600 werken het kunstlied, hoewel Schubert zich ook aan het componeren van opera's, symfonieën alsmede kerk-, piano- en kamermuziek wijdde. Zijn opera's en zangspelen oogstten slechts zeer weinig succes; dit was vooral aan de keuze van de libretto's te wijten, die meestal toverkomedies, ridder-, rovers- en spookverhalen tot onderwerp hadden. Voor opera's waren deze onderwerpen toen al niet meer in zwang. Schubert schreef ook talrijke werken voor kerkmuziek, hoewel hij zeker religieuze twijfels koesterde en geen overtuigde katholiek was. In zijn missen liet hij in het credo principieel de regel "Credo in unam sanctam catholicam et apostolicam" weg. Naar zijn zeer populair geworden Ave Maria (DV 839) gevraagd, verklaarde de componist: "Men verbaast zich ook over mijn vroomheid, waaraan ik in een hymne aan de Heilige Maagd uiting gegeven heb, en die naar blijkt een ieders gemoed aangrijpt en tot inkeer stemt. Ik geloof, dat komt omdat ik mij nooit tot inkeer forceer, en, behalve, wanneer ik door haar onverwachts overmand word, nooit dergelijke hymnen en gebeden componeer - maar op zo'n moment is het dan ook een echte en waarachtige vroomheid." De pianomuziek van Schubert vertoont weliswaar klassieke structuren, het romantische concept staat echter op de voorgrond. Karakteristiek is hier niet het contrasterende thematische dualisme van Ludwig van Beethoven, maar een opeenvolging van meerdere, meestal lyrische thema's. De kamermuziek van Schubert, die niet voor uitvoering in concerten, maar voor zijn vriendenkring bedoeld was, bevat romantische elementen, is lyrisch en bezit een gepassioneerde expressie. Bovendien poogde de componist, via de kamermuziek een brug tot het symfonische werk te slaan: "... daarentegen heb ik me aan meerdere instrumentale stukken gewaagd, want ik heb twee kwartetten voor viool, altviool en cello en een octet gecomponeerd, ook wil ik nog een quartetto schrijven, ik wil me trouwens op deze manier een weg naar de grote symfonieën banen". Met de symfonische vorm heeft Schubert zijn leven lang geworsteld. Dit bewijzen niet alleen de drie onvoltooide symfonieën, waarvan één, namelijk de achtste met de bijnaam de onvoltooide, grote vermaardheid verwierf. Overigens is Schubert niet zozeer als symfonische musicus in het bewustzijn van het publiek gebleven, maar vooral als componist van liederen en moet hij met betrekking tot dit genre als de belangrijkste meester van de muzikale geschiedenis gezien worden.

Schubert ging eerst van het voorbeeld van het Weense pianolied van J.A. Stephán uit, ontwikkelde dit lied echter tot een duo tussen zangstem en piano, waarin beiden gelijkgerechtigde partners waren. Hij tekende de door de dichter beschreven en soms naturalistisch geschilderde scenes zowel in de piano- als in de zangstem muzikaal na. Hierbij maakte hij gebruik van heel verschillende vormen, die zich van het eenvoudige, via het gevarieërde strofenlied tot het doorgecomponeerde lied uitstrekken. Schubert heeft gedichten van J.W. von Goethe (van hem de meesten), Mayrhofer, F. Schiller, F.G. Klopstock, A.W. von Schlegel, Novalis, M. Claudius, W. Müller, H. Heine en van vele anderen op muziek gezet. Het hoogtepunt van de toonzetting van liederen vormen de grote liederencycli ("Die schöne Müllerin" D 795, "Winterreise" D 911, "Schwanengesang" D 957), die de voorkeur voor populaire muziek in de tijd van Schubert, op een bijzondere manier bevredigden. Franz Schubert, waarvan de werken door Otto Erich Deutsch in het zogenaamde "Deutsch-Verzeichnis" (afgekort DV of alleen D) gesystematiseerd en van nieuwe opus-nummers voorzien werden, bleef weliswaar tijdens zijn leven van de erkenning van het grote publiek verstoken; vandaag echter geldt hij als een van de belangrijkste persoonlijkheden van de muziekgeschiedenis. (ARB)

privacybeleid