kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Franse-Opera

Franse Opera

Tegen het begin van de achttiende eeuw had de Italiaanse opera in vrijwel elk land in West-Europa ingang gevonden, met uitzondering van Frankrijk. Hoewel er in Parijs rond het midden van de zeventiende eeuw enkele Italiaanse opera's waren uitgevoerd wilden de Fransen lange tijd noch de Italiaanse opera accepteren noch zelf een eigen opera tot stand brengen. In de jaren zeventig ontstond er echter eindelijk een nationale Franse opera onder de majesteitelijke bescherming van Lodewijk XIV, die, met speciale karakteristieken die haar onderscheidden van de Italiaanse variant, in wezen onveranderd bleef tot na het midden van de achttiende eeuw.
Die karakteristieken kwamen voort uit twee invloedrijke tradities in de nationale cultuur: het weelderige en kleurrijke ballet, dat aan het koninklijke hof had gefloreerd sinds het [Ballet comique de la reine] uit 1581, en de klassieke Franse tragedie, waarvan de werken van Pierre Corneille (1606-1684) en Jean Racine (1639-1699) de beste voorbeelden zijn.

Jean-Baptiste Lully (1632-1687) - tragédie lyrique
Robert Cambert (ca 1627-1677) deed vanaf 1659 enkele experimentele pogingen om tot een Franse opera te komen, maar de eerste belangrijke componist was Jean-Baptiste Lully (1632-1687) die erin slaagde om elementen van het ballet en het drama samen te voegen tot een vorm die hij tragédie lyrique noemde (muzikale tragedie).
Librettist Jean-Philippe Quinault voorzag Lully van teksten waarin voldoende serieuze plots met mythologische thema's werden gecombineerd met veelvuldige lange entr'actes met dans en koorzang, de zogenaamde divertissements, waarbij het geheel vernuftig werd doorspekt met het vleien van de koning, het verheerlijken van de Franse natie, lange discussies over l'amour en episodes vol romantische en wonderbaarlijke avonturen. Voor deze libretto's componeerde Lully passende pompeuze muziek waarin zowel de uiterst formele luister van het Franse koninklijke hof als de daar heersende enigszins beredeneerde fascinatie voor de bijzonderheden van hoofse liefde en ridderlijk gedrag tot uiting kwamen.

De Franse Ouverture
Nog voor hij opera's begon te componeren had Lully de Franse ouverture zijn muzikale vorm al gegeven. In de laatzeventiende en vroeg-achttiende eeuw werden instrumentale stukken in deze vorm niet alleen gebruikt ter introductie van opera's en andere grote meerdelige werken maar verschenen ze ook als op zichzelf staande composities en vormden ze soms het eerste deel van een suite, sonate of concerto. Het oorspronkelijke doel van de ouverture was het scheppen van een feestelijke sfeer voor de komende opera; een van de functies ervan was het verwelkomen van de koning bij een voorstelling.
Tijdgenoten en volgelingen van Lully in Frankrijk continueerden het operatype dat hij tot stand had gebracht; de belangrijkste veranderingen die zij invoerden waren incidentele aria's in Italiaanse stijl en met een da capo-vorm (die zij ariettes noemden) en een nog verdere uitbreiding van de enorme divertissements waar balletten en koren aan te pas kwamen. Een nevenresultaat van deze uitbreiding was een mengvorm, het opéra-ballet, waarvan in 1697 L'Europe galante van André Campra (1660-1744) het eerste voorbeeld was.

De invloed van Lully reikte verder dan de opera. De rijke vijfstemmige textuur van zijn orkestratie en zijn gebruik van houtblazers - zowel ter ondersteuning van de strijkers als in contrasterende passages of delen voor een trio van soloblazers (doorgaans twee hobo's en een fagot) - vonden in Frankrijk en dankzij Georg Muffat (1653-1740) in Duitsland veel navolging.

Opéra Comique
De Franse versie van de lichte opera stond bekend als opéra comique. Hij begon rond 1710 als een simpel volksvermaak dat werd opgevoerd op dorpsmarkten en was tot het midden van de eeuw voor zijn muziek vrijwel geheel aangewezen op populaire liedjes (vaudevilles), of simpele melodieën in navolging van zulke liedjes.
Het bezoek van de Italiaanse Buffonisten aan Parijs in 1752 stimuleerde de produktie van opéras comiques waarin nieuwe melodieën (de-zogenaamde ariettes) in een gemengde Italiaans-Franse stijl werden geïntroduceerd naast de oude vaudevilles. Geleidelijk verdrongen de ariettes de vaudevilles, tot men tegen het eind van de jaren zestig deze laatste helemaal liet vallen en alle muziek nieuw werd gecomponeerd. (Zie ook Opéra Comique, Gluck en Rousseau).
In de Franse opéra comique werd, net als in alle nationale vormen van lichte opera behalve de Italiaanse, gebruik gemaakt van gesproken dialoog in plaats van recitatieven. In overeenstemming met de algemene Europese trend in de tweede helft van de eeuw kreeg de opéra comique een romantische ondertoon en in sommige libretto's werden de brandende sociale kwesties die Frankrijk tijdens de jaren voor de Revolutie bezighielden vrijmoedig behandeld.
De belangrijkste componisten uit die tijd waren François André Danican Philidor (1726-1795; ook beroemd als schaakmeester), Pierre-Alexandre Monsigny (1729-1817) en de in België geboren André Ernest Modeste Grétry (1741-1813).

19e eeuw: Opera en muziekdrama
Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw groeide Parijs onder de gezamenlijke invloed van Christoph von Gluck, de Franse Revolutie en het Napoleontische keizerrijk uit tot de Europese hoofdstad van de opera. Het culturele klimaat was er gunstig voor de opkomst van de serieuze opera, zoals bij voorbeeld 'De Vestaalse Maagd' (1807) van Gasparo Spontini (1774-1851), een Italiaan die in 1803 naar Parijs was gekomen. In La Vestale combineerde Spontini het heroïsche karakter van de late opera's van Gluck met de hoge dramatische spanning van de destijds populaire verhalen vol ontsnappingen en reddingen. Spontini's belangrijkste collega's in Parijs waren Luigi Cherubini en Etienne Nicolas Méhul (1763-1817). Cherubini's opera uit 1800 Les deux journées (De twee dagen, ook bekend onder de Duitse titel Der Wasserträger) stond model voor Beethovens Fidelio.

Grand Opéra
Met de opkomst van een omvangrijke en steeds machtiger middenklasse na 1820, ontstond een nieuw soort opera, dat het relatief onontwikkelde publiek moest aanspreken, dat zich in de theaters verdrong op zoek naar sentiment en sensatie. De leiders van de school van deze grand opéra waren de librettist Eugène Scribe (1791-1861), de componist Giacomo Meyerbeer (1791-1864) en de directeur van de Parijse Opéra Louis Véron (1798- 1867).
Geheel volgens de traditie die sinds Lully in Frankrijk had geheerst, speelde het spektakel bij grand opéra een even grote rol als de muziek. Libretto's werden zo geschreven dat iedere mogelijkheid voor ballet, koren en massascènes tot het uiterste werd benut, wat vaak ontaarde in 'Wirkung ohne Ursache' ('effect zonder oorzaak'), zoals Wagner de muziek van Meyerbeer typeerde.
Bijzonder produktieve componisten van grand opéra in de jaren rond 1830 waren Auber (La Muette de Portici, De stomme uit Portici, ook bekend als Masaniello, 1828), Rossini (Guillaume Tell, 1829), en Jacques Fromental Halévy (1799-1862). La Juive en Guillaume Tell zijn de beste voorbeelden van grand opéra uit deze periode.
Het Franse ideaal van grand opéra bleef, zij het steeds minder uitgesproken, gedurende de hele negentiende eeuw bestaan. Het beïnvloedde de werken van Bellini (I Puritani), Verdi (Les vêpres siciliennes, Aida) en Wagner.
Ook in de twintigste eeuw leefde de traditie van de grand opéra voort in werken als Christophe Colomb van Darius Milhaud en Anthony and Cleopatra van Samuel Barber.

Opéra comique
Naast de grand opéra bleef de opéra comique zich in Frankrijk tijdens de romantiek verder ontwikkelen. Net als in de achttiende eeuw was het technische verschil tussen de twee genres dat men zich in de opéra comique bediende van gesproken dialogen in plaats van recitatieven. Daarnaast bestonden er belangrijke verschillen in omvang en onderwerp. De opéra comique was minder pretentieus dan de grand opéra, vergde een kleinere rolbezetting en was geschreven in een veel eenvoudiger muzikaal idioom. De verhalen waren in de regel ronduit komisch of semiserieus, in tegenstelling tot het grootse historische vertoon van de grand opéra.
In de vroege negentiende eeuw kunnen twee soorten opéra comique worden onderscheiden: de romantische en de komische. Dit onderscheid dient echter niet al te rigide te worden toegepast, want veel werken vertonen karakteristieken van beide types.
Componisten o.a. François Adrien Boieldieu (1775-1834), Ferdinand Hérold (1791 - 1833), Daniel François Esprit Auber (1782-1871).

Opéra bouffe
In het nieuwe genre van de opéra bouffe (ondanks de naamsovereenkomst niet te verwarren met de achttiende-eeuwse Italiaanse opera buffa), dat in Parijs in de jaren 1860 opkwam, werd de nadruk gelegd op de venijnige, gevatte en satirische elementen van de komische opera. Grondlegger was Jacques Offenbach (1819-1880).
De blijvende bekoring van de negentiende-eeuwse komische opera komt vooral door de spontane melodieën en ritmen, de eenvoudige texturen en harmonieën en de conventionele patronen. Het verraderlijk naïeve voorkomen mag echter niet leiden tot een onderwaardering van deze muziek. De komische opera werpt een klein zonnestraaltje over het verder zo deprimerend humorloze muzikale landschap van de romantiek.

Opéra Lyrique
Uit de romantische opéra comique ontwikkelde zich rond 1850 de opéra lyrique die het midden houdt tussen de opéra comique en de grand opéra. Net als bij de opéra comique ontleent de lyrische opera zijn grootste aantrekkingskracht aan de melodieën en is het onderwerp een drama of fantasie van romantische aard. De algehele opzet is echter grootser, zij het nog niet zo omvangrijk als die van de grand opéra.
Componisten o.a. Ambroise Thomas (1811-1896), Gounod, Camille Saint-Saëns.

Hector Berlioz
Geen componist droeg zoveel bij aan de glorie van de Franse romantische opera als Hector Berlioz.
Werken: La damnation de Faust (1846), Benvenuto Celtini (1838), Béatrice et Benedict, Les Troyens (1858).
Les Troyens is de romantische bekroning van de Franse opera traditie van Rameau en Gluck.

1875 Carmen van Georges Bizet
Een mijlpaal in de geschiedenis van de Franse opera ging in 1875 in Parijs in première: Carmen van Georges Bizet (1838-1875). Net als Faust werd Carmen aanvankelijk gerangschikt onder de opéras comiques, omdat er sprake was van gesproken dialogen, die later door vriend en collega-componist Ernest Guiraud in recitatieven werden omgezet.
Het feit dat dit grimmige, realistische drama 'comique' werd genoemd, geeft wel aan dat het onderscheid tussen opéra comique en grand opéra louter een technische kwestie was geworden.
Dat Bizet een sentimenteel of mythologisch plot verwierp is kenmerkend voor een kleine maar belangrijke anti-romantische, meer realistische ontwikkeling in de opera van de late negentiende eeuw. In zijn Spaanse decor en muzikale sfeer getuigt Carmen echter van een typisch aspect van de romantiek, namelijk exotisme, een aspect dat men ook in sommige van Bizets eerdere werken aantreft evenals in de opera's en balletten van andere Franse componisten uit deze tijd. De muziek van Carmen bezit een ongekende ritmische en melodische vitaliteit. De textuur is sober en de orkestratie is prachtig. Bizet bereikte met de simpelste middelen zeer dramatische effecten.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 70.