kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Franse-Luitmuziek

Na 1550 werd er steeds meer dansmuziek voor luit, toetsinstrument of ensemble gepubliceerd. Sommige dansen waren eenvoudige bewerkingen van populaire volksdeuntjes, maar de meeste lijken toch te zijn geschreven voor sociale gelegenheden in de huizen van de gegoede burgerij en aan de hoven van de adel.

Het ballet dat al eerder aan de Bourgondische en Italiaanse hoven tot bloei was gekomen, werd in Frankrijk aan het eind van de zestiende eeuw geïntroduceerd; het vroegste wat op dit terrein in Frankrijk bewaard is gebleven is de muziek voor het [Ballet comique de la reine] dat in 1581 te Parijs werd uitgevoerd.
Aan het begin en in het midden van de zeventiende eeuw ontstond er in Frankrijk een karakteristiek idioom en een karakteristieke stijl voor de afzonderlijke dansen door arrangementen van bestaande balletmuziek. Deze arrangementen werden niet voor een ensemble geschreven maar voor een soloinstrument - eerst de luit en later de klavecimbel of de viola da gamba. Zo'n luitarrangement is La Paste van Ennemond Gaultier (1575-1651). Luitarrangementen werden soms bewerkt voor klavecimbel.

Aangezien een luitist doorgaans slechts één noot tegelijk aansloeg was het nodig om de melodie, bas en harmonie schetsmatig aan te geven door de juiste tonen nu eens in het ene register, dan weer in een ander te laten klinken, waarbij het aan de verbeelding van de luisteraar werd overgelaten om de geïmpliceerde continuïteit van de diverse lijnen aan te vullen. Dit was de style brisé of 'gebroken stijl' die andere Franse componisten adapteerden voor het klavecimbel, samen met bepaalde aspecten van de variatietechniek die ontleend waren aan de Engelse virginalisten; ze ontwikkelden ook systematisch het gebruik van kleine versieringen (agréments), die soms werden aangegeven door stenografische tekens op de pagina en soms aan de discretie van de speler werden overgelaten. De Franse luitstijl was de oorsprong van zowel belangrijke ontwikkelingen in de muziek voor toetsinstrumenten als de gehele Franse compositiestijl in de laat-zeventiende en vroeg-achttiende eeuw.

Luitmuziek floreerde in Frankrijk aan het begin van de zeventiende eeuw en culmineerde in het werk van Denis Gaultier (1603-1672). Een verzameling manuscripten van Gaultiers composities onder de titel La Rhétorique des dieux (De retoriek van de goden) bevat twaalf reeksen (een in elke toonsoort) zeer gestileerde dansen. Elke reeks bevat een allemande, courante en sarabande, waaraan andere dansen kennelijk naar willekeur zijn toegevoegd; elke suite is dus eigenlijk een kleine bloemlezing van korte karakterstukken waarvan vele fantasievolle titels hebben.
De vroegste belangrijke componist van het nieuwe klavecimbelidioom was Jacques Champion de Chambonnières (1601 of 1602-1672). Hij stond aan het begin van een lange reeks briljante Franse klavecimbelspelers van wie Louis Couperin (1626-1661) en Jean Henri d'Anglebert (1635-1691) met name genoemd moeten worden.

De Franse stijl werd in Duitsland geïmporteerd door Froberger, die van de allemande, courante en sarabande standaardelementen voor danssuites maakte. In de manuscripten van Froberger eindigen de suites met een langzame dans, de sarabande; in een latere, postume publikatie van de suites in 1693 werden ze afgesloten met een snelle gigue


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 216.