kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Franse Kerkmuziek

1e helft 16e eeuw
Parodiemis
De kerkmuziek bood enige tijd weerstand aan de veranderingen van de renaissance. Een aantal componisten neigde zelfs tot een terugkeer naar de ononderbroken contrapuntische stijl van Ockeghem, bij wijze van reactie op de zeer persoonlijke en gedurfde experimenten van Obrecht en Josquin. Maar zelfs deze 'conservatieve' componisten lieten de canons en aanverwante technieken van de oude school bijna geheel achterwege. Bij het componeren van missen werd de cantus firmus-techniek naar de achtergrond verdrongen door het citeren van polyfone modellen: de parodiemis. Nog steeds lag het gregoriaans regelmatig ten grondslag aan missen en motetten, maar over het algemeen werden die melodieën tamelijk vrij uitgewerkt. In zowel missen als motetten waren vier stemmen niet langer de norm en werd het steeds gebruikelijker om vijf- of zesstemmig te componeren.

Het Psalter
Johannes Calvijn (1509-1564) en andere leiders van de Reformatie waren veel sterker dan Luther gekant tegen het behouden van elementen uit ceremonieel en liturgie van de katholieke kerk. Er bestond in die kringen een algemeen wantrouwen ten opzichte van de verlokkingen van kunst tijdens de dienst, en het zingen van niet-bijbelse teksten was zelfs uitdrukkelijk verboden. Dientengevolge was de enige belangrijke muzikale ontwikkeling van de calvinistische kerken die van de psalters: rijmende, metrische vertalingen van het Boek der Psalmen op melodieën die nieuw gecomponeerd waren of (in veel gevallen) afkomstig waren uit de volksmuziek of het gregoriaans.

17de eeuw
De Franse kerkmuziek van de 17de eeuw bleef lange tijd conservatief van stijl, contrapuntisch en a cappella (o.a. requiem en motetten van E. du Caurroy. mis Ave Maria van J. de Bournonville, mis voor twee koren van N. Formé (1638), missen van Gantez, d'Aux-Costeaux, F. Cosset).
Een experiment vormden de eenstemmige missen naar gregoriaans model van Bourgoing en Henri du Mont. De becijferde bas werd in de kerkmuziek ingevoerd door Péchon, J. Veillot en Boësset, weldra gevolgd door Bouzignac en H. du Mont, wiens Cantica sacra van 1652 dateren. Du Mont gaf in deze en latere motettenverzamelingen een samenvatting van de stijlen van zijn tijd. Zijn werk strekte tot model aan de scheppers van de Franse klassieke kerkmuziek, P. Robert, Lully. Lalouette, M.A. Charpentier, Brossard, Lalande en Couperin le Grand. Zij vormden het repertoire van de hofkapel te Versailles, later van de Concerts spirituels en andere concertgenootschappen. Van Luly bestaan elf grote motetten voor twee koren, soli en instrumenten (o.a. Te-Deum, Miserere, De profundis), en twaalf kleine motetten voor drie stemmen met basso continuo. Deze muziek is decoratief, soms dramatisch en emotioneel van aard. M.A. Charpentier, bewonderaar van Carissimi, bezat een sterk dramatische schrijfwijze van grote kracht (o.a. Magnificat); hij beoefende ook het oratorium, o.a. met Le jugement de Salomon (1702) en Le reniement de Saint-Pierre.

18e eeuw
De 18de-eeuwse kerkmuziek vond een hoogtepunt in de ca veertig motetten voor groot koor en orkest van M.R. de Lalande, wiens werk op kosten van Lodewijk xv werd gegraveerd (o.a. Beati omnes, De profundis, Miserere). De vijf boeken motetten, drie boeken psalmen en verscheidene missen met basso continuo en één eenstemmige mis van A. Campra droegen, ondanks vele kwaliteiten, reeds een virtuoos en wat uiterlijk karakter. De Italiaanse invloed werd steeds meer merkbaar. Van meer ingetogenheid getuigden de meesterlijke motetten, Élévations, Leçons de ténèbres enz., van F. Couperin le Grand, evenals de motetten (o.a. Laboravi) van Rameau, waarin de belangrijke instrumentale partijen opvallen. Vermelding verdienen voorts de werken van J. Gilles (Requiem), A. de Villeneuve, Bernier, Clérambault, Madin, Desmarets, Chéron, Mouret, Blanchard.

Tegen het midden van de 18de eeuw treedt een verval van de kerkmuziek in, dat correspondeert met de toenemende ontkerstening in Frankrijk. Men vervalt in een pompeuze, uiterlijke en briljante stijl zonder overtuigingskracht. Goede kerkmuziek schrijven dan niettemin Mondonville en F.J. Gossec, wiens Messe des morts (1760) beroemd is (Gossec schreef, evenals Méhul, veel koren, hvmnen e.d. ten tijde van de Revolutie voor de officiële plechtigheden).
Kerkmuziek schreven verder te Bordeaux Ch. Levens en F. Beck (Stabat Mater, Parijs 1783), te Arles Ch. Desrosiers, te Marseille Belissen.

Opzien baarde aan het einde der eeuw Lesueur met zijn revolutionaire denkbeelden over een effectvollere (romantische) kerkmuziek, waarvan hij enige staaltjes in de Notre-Dame te Parijs deed uitvoeren. Hij schreef ook oratoria (Debora, Ruth, Rachel). In contrast tot deze muziek staan de sobere, classicistische en zeer mooie werken van Cherubini (Requiem in c, Mis voor de kroning van Karel x), waarmee de Franse kerkmuziek aan het begin van de 19de eeuw haar klassieke traditie afsloot.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 11.