kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 17 05 2017 017:50 voor het laatst bewerkt.

Engelse muziek

Engelse Muziek

 In de negentiende eeuw was veel Engelse muziek schatplichtig aan Duitsland, in de achttiende eeuw aan Italië, in de zeventiende aan Frankrijk, in de zestiende aan Italië en Spanje, en in de vijftiende eeuw aan Frankrijk. Andersom heeft Engeland ook bijdragen geleverd aan de westerse muziekgeschiedenis op het Europese Continent:
De Engelsen hadden in de tijd van Dunstable een aanzienlijk invloed op dat deel van het continent dat zij bestuurden, dus een groot deel van het tegenwoordige Frankrijk. In Frankrijk werd de Engelse muziek uit die tijd geroemd, men sprak over La contenance angloise, de Engelse kwaliteiten.
In de zeventiende eeuw reisden tal van Engelsen met hun virtuoze virginaal muziek of hun werken voor vedelensembles door Europa.
In de late achttiende eeuw dienden de Engelse oratoria van Handel als voorbeelden voor Haydn en Mozart en later ook Beethoven. En verderop in de negentiende eeuw werkten tal van Engelse componisten met veel succes op het continent. Niet minder internationaal zijn de opera’s van Britten, Birtwistle en Knussen, de orkestwerken van Benjamin en Adès.

Engels-Bourgondische contacten tijdens de 100-jarige oorlog (1400-1450)
Van de Engelse componisten van ca 1400 zijn hoofdzakelijk motetten en misdelen bewaard gebleven. Een motet is een compositie op een religieuze, Latijnse tekst. De misdelen waren composities van de ordinarium-delen van de mis Volledige miscomposities (alle delen van het ordinarium) waren zeldzaam.
De belangrijkste componisten uit deze tijd zijn: Leonel Power (ca 1370-1445) en John Dunstable (ca 1390-1453). De laatste heeft vele jaren op het vasteland doorgebracht en zijn composities zijn in Frankrijk en Italië zeer bekend geweest. Zie ook Morton, Dufay,

Renaissance, de Engelse polyfonie in de tijd van Josquin (1450-1520)
In Engeland had de meerstemmigheid gedurende de 14e eeuw een andere ontwikkeling doorgemaakt dan in Frankrijk. In Engeland lag in tegenstelling tot de Ars Nova de nadruk op religieuze muziek. In de Engelse muziek valt op dat daar een grote waardering voor de terts en sext als consonant valt waar te nemen. In de 14e eeuw ontwikkelden de Engelsen een driestemmige improvisatie-techniek, die met de term Falso Bordono wordt aangeduid: boven een cantus firmus zong men in parallelle tertsen en sexten, nadat men met volkomen consonant (kwint en octaaf) was begonnen. Men sloot de muzikale frase ook weer met deze volkomen consonanten af. Door deze formule kreeg de Engelse muziek een veel vollere en warmere klank dan de meerstemmigheid van de Ars Nova. Bovendien maakten de Engelse componisten de ritmische verschillen tussen de drie stemmen van hun composities minder groot dan in de Franse muziek van de Ars Nova gebruikelijk was, waardoor hun muziek ook veel minder gecompliceerd klonk. Soms gebruikten de Engelse componisten de cantus firmus niet alleen als laagste stem van hun compositie, maar gebruikten ze deze melodie ook als basis voor de bovenstem van hun werk. Deze techniek, waarbij de cantus firmus ritmische en melodisch uitgewerkt werd, wordt Parafrase-techniek genoemd.

Engelse muziek in de tijd van Elisabeth I.
Latijntalige kerkmuziek in de Tudor-periode (1520-1620)
In de zestiende eeuw is er een grote bloei van Engelse kerkmuziek. Tegen het einde van de 16de eeuw breekt het Italiaanse madrigaal in Engeland baan, dank zij Nicholas Yonge, die een in het Engels vertaalde bundel madrigalen: Musica transalpina, introduceerde.
Thomas Tallis (1505-1585) wordt de vader van de Engelse kerkmuziek genoemd. Zijn directe opvolger is William Byrd (1543-1623). Beide hebben zowel Latijnse als engelstalige kerkmuziek geschreven. Zij waren verbonden aan de Chapel Royal. Naast kerkmuziek schreef Byrd ook wereldlijke vocale muziek en instrumentale muziek. Thomas Morley (1557-1602), leerling van Byrd, is een van de belangrijke componisten van deze typisch Engelse madrigalen.
Andere madrigaalcomponisten zijn: John Wilbye, Thomas Weelkes, Giles Farnaby, Orlando Gibbons, Peter Philips en Thomas Tomkins.

het virginaal (klavecimbel)
Instrumentale muziek bloeide in de tweede helft van de zestiende eeuw ook in Engeland. Het geliefde instrument was het virginaal, een variant van het klavecimbel. Byrd schreef voor dit instrument veel variaties. Vooral de naam van John Bull (1562-1628) is met deze muziek verbonden.
Vele instrumentale composities zijn bewaard gebleven in zgn. Virginalbooks; het voornaamste ervan is het Fitzwilliam Virginal book (1625), dat 29 composities voor het virginaal bevat: dansen (pavane, gaillarde). werken van programmatische aard, preludes, variaties en fantasia's. De composities van William Byrd munten uit door de virtuoze benutting van het instrument, terwijl die van Orlando Gibbons reeds gevoeliger zijn uitgewerkt.

Uit het meerstemmige madrigaal groeide het eenstemmige lied (Airs), dat met begeleiding van luit werd gezongen. De dominerende plaats die de bovenstem was gaan innemen, had tot gevolg dat de andere stemmen ten slotte tot een instrumentale begeleiding werden teruggebracht. John Dowland was in dit genre de belangrijkste componist; naast hem dienen genoemd te worden John Morley, Francis Pilkington en Thomas Campion (of Campian).

De instrumentale muziek voor ensembles van kleine bezetting vond haar weg in zgn. consorts. Een 'whole consort' bestond uit strijk- of blaasinstrumenten, een 'broken consort' duidde een ensemble met gemengde bezetting aan. De vormen die beoefend werden, waren: lancy (een Engelse term voor het Italiaanse fantasia), innomine, een variant op de eerstgenoemde vorm, gebouwd op een kerkelijke cantus firmus, browning, gebaseerd op een volkslied als cantus firmus, consort, de vorm die zijn naam aan het ensemble heeft gegeven. Behalve de reeds genoemde componisten: Byrd, Morley, Gibbons, Tomkins, genoten William Lawes en William Brade een reputatie.

Engelse componisten oefenden in deze tijd veel invloed uit op de muziek in Noord Europa. John Dowland (1563-1626) was van 1598 tot 1607 als luitist in dienst van de koning van Denemarken. Peter Phillips en Richard Dering behoorden beiden tot de Engelse katholieken die naar het vasteland van Europa waren verhuisd; hun muziek is met name in de Nederlanden uitgebracht. William Brade, 'engelländischer Geiger', gelijk hij op het continent werd genoemd, werkte aan de hoven van Denemarken, Brandenburg, voorts o.a. te Halle, Berlijn en Hamburg. Zijn composities werden alle op het continent uitgegeven. John Bull kwam in 1613 naar Brussel en was van 1617 tot aan zijn dood in 1628 organist van de kathedraal in Antwerpen. In Nederland onderging Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1626) met name via John Bull invloed van de Engelse virginalisten.

In deze periode, ca 1600, kwam nog een instrumentale vorm in zwang; de ground, die bestond uit variaties op een ostinato bas.

De 'Civil war and republican'-periode ontwrichtte veel van hetgeen tot aan deze tijd was opgebouwd. Cromwell verbood het uitvoeren van kerkmuziek met instrumentale begeleiding. Ten gevolge daarvan kwam wel de a-cappella-kunst tot een sterkere ontwikkeling, terwijl daarnaast de belangstelling voor de muziekdramatische kunst groeide. Werd door woelige tijdsomstandigheden het society-muziekleven beperkt, de huismuziek daarentegen werd in brede kring beoefend.

Een nieuwe vocale vorm was de canonachtige catch, die vooral in de volgende Restauratieperiode zeer en vogue was en in de 18de eeuw tot grote bloei kwam (oprichting van 'The Noblemen and Gentlemen's Catch Club' te Londen, 1761).
De kerkmuziek in Engeland kreeg door de nationale anglicaanse staatskerk een eigen idioom (Book of Common Prayer, 1549-59). De hieruit voortgekomen vormen: Anthem en Te Deum (o.a. bij Purcell en Händel), bevestigen de tendensen van de Tudor Church music (1500-1650).

Na de Cromwell-regering gaf de daaropvolgende Restauratie met de troonsbestijging van Karel II een geheel ander aanzien aan het muziekleven. Heette het herstel enerzijds een terugkeer naar de basis ener traditie, anderzijds werd het muziekleven aan het toonaangevende hof een navolging van de voorbeelden van de Franse koning Lodewijk XIV. De Chapel Royal, daterend uit de 12de eeuw, werd ingericht naar het model van de Parijse '24 violons du roi', en zelfs werd de favoriete toonkunstenaar Pelham Humfrey (Humphrey) door de Engelse koning naar Frankrijk gestuurd om aldaar, o.a. bij Lully, te studeren, ten einde na zijn terugkeer aan het Engelse hof het muziekleven in te richten zoals de vorst dit wenste. Dit voornemen is niet geheel tot uitvoering gekomen, daar Humfrey niet voldoende muzikaal begaafd was om prestige bij zijn Engelse collega's te bezitten.

Een meer dominerende persoonlijkheid was de veelzijdige en vruchtbare John Blow, die een sterkere invloed op de ontwikkeling van Engelands muziekleven heeft gehad dan zijn carrière zou doen vermoeden. Hij was organist aan de Westminster Abbey, gaf deze functie op voor een dirigentenpositie in de St. Paul's, maar keerde in 1695, na het overlijden van zijn leerling Henry Purcell, naar de Westminster Abbey terug, om zijn oude plaats te hernemen.
Vooral zijn invloed op Purcell was van vérstrekkende betekenis: hij leerde hem de Tudor-kerkmuziek in alle finesses beheersen en stelde hem daarbij open voor de kunst van Lully en vooral voor die uit Italië. Dat de periode van Purcells evolutionaire vlucht zeer verscheidene aspecten toonde, vindt zijn oorzaak in de wisseling van vorsten: Karel II, Jacobus II en koning-stadhouder Willem.

Onderging de kerkelijke kunst een hernieuwde ontwikkeling in de instrumentale begeleiding, werden ook de odes, zoals de Birthday-odes, voor de leden van het vorstelijk huis in een ruimer melodisch en instrumentaal aspect geplaatst, de muziekdramatische kunst evolueerde naar een vorm, die enerzijds gebonden was aan de oude masque en anderzijds tendensen naar de nieuwe Italiaanse opera in zich droeg.

masque
De masque was een typisch muzikale amusementsvorm in het Engelse muziekleven gedurende de 17de eeuw, vnl. aan het hof. Hier lag een voortzetting van het oude maskerspel, in zoverre dat de onderwerpen voor een groot deel op mythologische gegevens waren gebaseerd, doch ook wel allegorisch waren. De vorm was een mengeling van dichtkunst, vocale en instrumentale muziek, welke laatste bij dans en intermezzi haar deel kreeg. Ook hadden dans en handeling en velerlei andere vormen, zoals de reeds genoemde luitliederen, een plaats. Dit conglomeraat van vormen wordt veelal als de voorloper der Engelse opera genoemd; het was althans een vruchtbare bodem voor de Italiaanse opera, die in het begin van de 18de eeuw haar intrede in Engeland zou doen.
Engelse musici op het terrein van de masque zijn: Benjamin Jonson (1573-1637) als een der bekendste tekstdichters en met componisten als Thomas Campion en John Cooper. Zij componeerden hoofdzakelijk aria's en balletmuziek, anderen voegden hieraan het recitatief toe.
Als de voornaamste toondichters van deze vorm gelden: Nicholas Lanier, Henri Lawes, William Lawes.
Toneelmuziek componeerden in die tijd: Edward Coleman, Locke, Eccles, Drydens en Jeremiah Clarke.

Engelse Opera
Henry Purcell componeerde eveneens muziek bij vele masques. Belangrijker is, dat Purcell de eerste werkelijke Engelse opera componeerde: Dido and Aeneas, voor Josias Priests meisjespensionaat in Chelsea. In deze opera heeft Purcell het Italiaanse voorbeeld gecombineerd met een nationaal-Engels idioom (hij paste ook de Engelse taal toe).

Naast deze vorm van muziekbeoefening vond de vroegere madrigaalkunst een voortzetting in het werk van Thomas Bateson en Thomas Ravenscroft, waarna de latere toondichters zich in nieuwere richting ontwikkelden en zich daarnaast meer aan de instrumentale muziek wijdden. Dezen waren o.m. John Wilbye, John Hilton, Benjamin Rogers en William Child, die tevens veel kerkmuziek componeerde.

consorts
ca 1625 kwam aan de periode der Elizabethaanse componisten een einde, doordat vrijwel allen in die tijd waren overleden. Hiermede werd het tijdvak van luitliederen en virginaalmuziek afgesloten en kreeg de instrumentale muziek, zoals de consorts, meer aspect. John Jenkins componeerde o.a. twaalf sonates voor twee violen en basso continuo; van William Lawes is muziek voor consorts van strijkers bekend, William Young componeerde 21 sonates voor drie tot vijf instrumenten, fantasia's voor velerlei bezetting, terwijl ook John en Henry Eccles en Matthew Locke veel aandacht besteedden aan muziek voor consorts. In dit milieu stond John Blow als leidende figuur: behalve met sonates voor twee violen en basso continuo ook met kerkelijke en andere muziek; hij had op zijn omgeving directe invloed door zijn leerlingen: Jeremiah Clarke, die behalve kerkelijke muziek ook werken voor het theater componeerde (o.a. met Purcell), en Henry Purcell.

Bijna alle componisten van de 17de eeuw hebben de reeds eerder genoemde catches gecomponeerd en, op instrumentaal gebied, de vorm van de ground toegepast.

18de eeuw
Na Purcell droeg William Croft, leerling van Blow - met vele composities van velerlei aard, o.a. twee Odes op de vrede van Utrecht - de glorie van eerstgenoemde voort; met hem was het Maurice Greene, die de traditie van kerkmuziek, masques, instrumentale en vocale muziek voortzette.

Ballad Opera
ca 1700, in een tijd dus waarin de Engelse muziek vele eigen nationale elementen bezat, vestigde zich in Londen John Christopher Pepusch, die via Holland uit Brandenburg kwam (en daar Johann Christoph Pepusch heette). Hij componeerde kamer-, theater- en kerkmuziek (o.a. een Ode voor de vrede van Utrecht), oratorische werken, catches en als noviteit de zgn. Ballad Opera. Dit genre, als zangspel op volksliedachtige muziek gebaseerd en reeds ca 1600 door Engelse toneelspelers in Europa gespeeld, vond veel bijval als reactie op de barokke Italiaanse operastijl, door Händel in Engeland sterk naar voren gebracht. In de Ballad Opera werden niet slechts melodieën van Engelse componisten als Locke en Purcell benut, maar ook die van buitenlandse componisten als Händel, Corelli en Scarlatti. De vorm kreeg zijn beslag in 1728 met The Beggar's Opera van John Gay, waarvoor Pepusch de muziek (veel volksliedjes) had gearrangeerd en de ouverture had gecomponeerd. Een jaar nadien volgde The Gentle shepherd, reeds in 1725 te Edinburgh door Allan Ramsay (1686-1758) samengesteld, waaruit blijkt, dat in Schotland een nieuwe kunstvorm was ontstaan.

In Ierland hield men zich aan de traditie van het madrigaal en componeerde men voor de Ierse harp, waarvoor O. Carolan (1670-1748) een nieuwe periode inluidde.

Händel
In 1711 kwam Händel naar Engeland, waar hij zich na een korte onderbreking in 1712 definitief vestigde als dir. van een Italiaans operagezelschap, waarvoor hij vele opera's componeerde. The Beggar's Opera en in het algemeen de nationaal-getinte tendensen van het Engelse volk hebben deze opera-instelling bij herhaling tot failliete staat gebracht, zodat Händel zijn streven voor een operaleven in Engeland moest opgeven. Hij legde zich daarom op oratoriumcompositie toe en heeft daarmede, zowel als met zijn kerkmuziek, een basis geschapen, waarop nog een eeuw nadien een nieuw Engels muziekleven kon worden opgebouwd.

Het Engelse muziekleven raakte inderdaad in de 18de eeuw in verval. Ondanks het feit dat Charles Coffey (The devil to pay) en Henry Carey (aan wie enige tijd het God save the King werd toegeschreven) ballad opera's maakten, was het in creatief opzicht een zwakke tijd. In de tweede helft van de 18de eeuw waren vooral van betekenis: Thomas Augustine Arne met opera's en masques, Brittannia, toneelmuziek, kamermuziek, glees, catches, pianosonates, orgelconcerten en zijn beroemde patriottische lied: Rule Britannia, uit de masque Alfred, en William Boyce met masques en toneelmuziek (Shakespeares Tempest, Romeo and Julia, Winter's tale), oratorische werken en orkestmuziek. Het repertoire werd op velerlei gebied uitgebreid door John Alcock, William Jackson, Thomas Linley, Benjamin Cooke, Samuel Webbe, Samuel Amold, Thomas Attwood, Samuel Wesley, John Callo en William Crotch. Van belang zijn de muziekhistorische werken van Burney, Hawkins en Boyce.

Het muziekleven in Engeland onderging een opleving door de komst, in 1759, van Karl Friedrich Abel en, in 1762, van Johann Christian Bach (Bach-Abelconcerten), en - later - door de bezoeken van Joseph Haydn, die door de violist Johann Peter Salomon in 1790-92 en 1794-95 werden bevorderd.

Daarnaast bloeiden de zgn. Glee-clubs, die de vorm van korte drie- of vierstemmige koorwerken beoefenden, geschreven in een afwisselend polyfone en homofone stijl. Op de bijeenkomsten, die hetzij bij de leden thuis, hetzij in cafés en koffiehuizen werden gehouden, werden tevens madrigalen, motetten, canons en catches uitgevoerd. Een van de befaamde clubs, opgericht in 1783 te Londen, heeft tot in 1857 bestaan.

19de eeuw
Na de genoemde bezoeken en de vestiging van componisten uit continentale landen in de 18de eeuw zijn het ook in de 19de eeuw, reeds in de vroeg Victoriaanse periode, componisten als Weber, Mendelssohn, Berlioz, Chopin, Spohr, later Gounod,
Brahms en anderen, die hoogtepunten aan het muziekleven schenken. Slechts enkele Engelsen hebben een wat opvallende plaats in het muziekleven ingenomen: John Field, Ier van geboorte, componeerde pianomuziek, o.a. nocturnes die op Chopin vooruitlopen en sir William Sterndale Bennet, die zeer onder invloed van Schumann en Mendelssohn werkte, zodat zijn muziek (o.a. Études symphoniques) geen sterk persoonlijk karakter draagt. Toch heeft Sterndale Bennet het Engelse muziekleven richtlijnen gegeven. Naast hen hebben John Francis Barnett, sir William George Cusins en de Ier George William Torrance in hun tijd hooggeschatte instrumentale muziek en oratoria gecomponeerd. Voor de kerkmuziek was in deze tijd belangrijk Samuel Sebastian Wesley, voor het theater sir Arthur Seymour Sullivan, die met zijn opera's en operettes (The Mikado) een zekere reputatie heeft gekregen. De opera- en toneelcomposities van de iets oudere generatie van de Ieren: Michael William Balfe en William Vincent Wallace, verder sir Henry Bishop en Frederick Clay, waren voor hun tijd verdienstelijk, maar niet van betekenis voor het nageslacht.

Een werkelijke stimulans tot een hernieuwde opbloei ging uit van twee figuren: Hubert Hastings Parry en Charles Villiers Stanford. Van hun beider standplaatsen uit, resp. Oxford en Cambridge, waar zij doceerden, gaven zij richtlijnen voor een hechte muziekbeoefening in hun land. Parry legde in zijn muziek verband met de Engelse literatuur (o.a. Shelley), en Stanford volgde dit voorbeeld. Beiden ondergingen niettemin invloeden van Brahms en Wagner, maar zij streefden bewust naar het scheppen van muziek met een eigen nationale karakteristiek. Helaas was de bodem voor hun arbeid niet zo vruchtbaar, want in die tijd bestonden in Engeland weinig orkesten. Parry en Stanford zochten daarom hun heil in het componeren van koorwerken voor de, meest provinciale, koorverenigingen, die uit de bloeitijd van de uitvoeringen van de Händeloratoria waren blijven bestaan en nu ineens de mogelijkheid boden door uitvoering van de werken van genoemde componisten aan een herleving mede te werken.
Aanvankelijk scheen het, dat de Schotse componist Campbell Mackenzie de meestbelovende was in deze revival-periode en naast hem waren er ook anderen die een eigen geluid lieten horen, zoals Alfred Cellier, Dame Ethel Smyth, Algernon Ashton. De 'drawing-room-ballads' van sir Frederick Cowen en de sterk onder invloed van Wagner gecomponeerde opera's van Frederick Corder waren echter moeilijker aanvaardbaar.
De school van Parry en Stanford gaf vele navolgers: Alan Gray, Basil Harwood, Arthur Somervell, Charles Wood, Henry Walford Davies, DonaId Francis Tovey, die vooral ook door zijn voorlichtende publikaties verdienstelijk werk heeft gedaan; Samuel Coleridge-Taylor, wiens muziek bekendheid heeft gekregen doch door te geringe persoonlijkheid en te nadrukkelijke navolging van Dvorák geen blijvende betekenis heeft kunnen behouden.

In deze periode zijn evenzeer vermeldenswaard: Granville Bantock, John B. McEwen, Percy Pitt, Roger Quilter, Joseph Holbrooke en Rutland Boughton, die allen op naarstige wijze het gehele gebied der muziek hebben voorzien van hun composities, maar te zeer in navolging van anderen werkten om als boven anderen uitstekende toondichters te worden vermeld.
Dit geldt wel voor sir Edward Elgar, die, hoewel de romantiek van de Duitse componisten navolgend, toch door persoonlijke karakterisering zijn composities een blijvende plaats op het repertoire heeft kunnen geven.

20ste eeuw: renaissance engelse muziek
De renaissance in de Engelse muziek die ELgar inluidde nam in de 20ste eeuw een nationalistische wending. Frederick Delius heeft werken gecomponeerd, die aan de Engelse muziek een eigen accent hebben gegeven, hoewel hij van Duitse origine was en in Engeland niet geheel als componist van eigen bodem werd gerespecteerd. Hij, Cecil Sharp en Ralph Vaughan-Williams, met als navolgers Georges Butterworth (Sainton Kaye) en William Denis Brown, verleende aan de periode 1900-15 de kenmerken van een eigen stijl, die o.a. werd gezocht in het volkslied, dat als organisch attribuut in de composities werd benut. In deze zin dient ook de naam van de Australische componist Percy Grainger te worden genoemd, die toch tijdens zijn verblijf in Engeland in zijn werken de invloed van het Engelse volkslied heeft ondergaan. Vaughan Williams en Holst zouden zich ontwikkelden tot leiders van een Nieuwe Engelse School.

Terwijl na W.O. I overal een muzikale vernieuwing viel op te merken, zoals in de werken van Strawinsky, Schönberg en Franse meesters, wendde men zich in Engeland naar de beoefening der oude kamermuziek uit de dagen van koningin Elizabeth en van Purcell. De jongere componisten van die tijd, zoals Gustav Theodore Holst, Havergal Brian, John Ireland, Frank Bridge en sir Amold Bax, knoopten opnieuw aan bij de richtlijnen van Stanford c.s., en trachtten zich tevens de nieuwere tendensen meer eigen te maken.

Laatstgenoemd streven werd in sterkere mate nagevolgd door lord Gerald Berners, Arthur Bliss, Eugene Goossens, William Walton, Albert Coates, York Bowen, Bernard van Dieren, Benjamin Dale, Eric Coates, Walter James Turner, Ivor (Bertie) Gurney, Herbert Howells, Arthur Benjamin, Peter Warlock, Ernst John Moeran, Gordon Jacob, Arnold Foster, Patriek Hadley, William Baines, Alan Bush, Edmund Rubbra en Walter Leigh.

Na W.O. II traden in de eerste plaats op de voorgrond Michael Tippett (oratorium A child of our time) en Benjamin Britten, die o.a. met verscheidene opera's (w.o. Peter Grimes, 1945, Albert Herring, 1947, The Turn of the Screw, 1954) en vocale werken (o.m. volkslied bewerkingen, liederen, koormuziek) naam maakte. Van dezelfde en een nog jongere generatie dienen voorts genoemd: Humphrey Searle, Lennox Berkeley, Erik Chisholm, Constant Lambert, Alan Rawsthorne, Christian Darnton, Elisabeth Lutyens, Benjamin Frankel, Brian Easdale, Herbert (Henry John) Muril, de Schot Cedric Thorpe Davie, Peter Racine Fricker, Malcolm Arnold en Peter Wishart. Zij bewegen zich in het vlak der moderne compositie doch velen richten zich naar de hieraan voorafgegane periode, ten einde een synthese te zoeken van beider stromingen.

Zie ook Engelse volksmuziek.

Jaren negentientachtig: punk.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 17.