kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Duke Ellington

Duke Ellington - Satin Doll

eigenlijk Edward Kennedy Ellington geboren Washington, 29-4-1899, gestorven New York, 24-5-1974
Amerikaans pianist, componist en bandleider in jazzmuziek

Ellington geldt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de jazzmuziek. Al op 7 jarige leeftijd begon hij met pianospelen. In 1914 ging hij naar de Armstrong High School waar zijn talent voor tekenen en muziek duidelijk werd. Hij kreeg privéles van zijn buurman Henry Grant. Hij begon zich te interesseren voor ragtimepianisten en al in 1916 speelde hij voor geld. Overdag verdiende hij zijn geld met reclametekenen, verder was hij ook barkeeper, vandaar de titel van zijn eerste compositie Soda Fountain Jerker of Soda Fountain Rag.

In 1917 begon hij professioneel piano te spelen. Hij zette zijn harmoniestudies voort en speelde urenlang piano, waarbij hij in zijn pianotechniek beïvloedt werd door de ragtimepianisten Lucky Roberts, Fats Waller, James P. Johnson en Willie 'The Lion' Smith. In 1918 trouwde hij met Edna Thompson en had hij al enige naam gemaakt met zijn eigen orkest samen met Toby Hardwicke (bas en sax), Arthur Whetsol (trompet), Elmer Snowden (banjo) en Sonny Greer (slagwerk).

In 1922 ging hij met zijn vrienden naar New York waar zij zich aansloten bij het orkest van Wilbur Sweatman. Het werd geen succes. In 1923 ging hij nog een keer naar New York met Fats Waller. De band heette de 'Washingtonions' en ze speelden o.a. in de 'Hollywood Club' op Broadway, die later 'Kentucky Club' werd genoemd. Korte tijd speelde Sidney Bechet met de band, maar vooral toen de trompettist Bubber Miley bij de band kwam ontstond er een nieuwe sound; 'The Jungle Sound', verantwoordelijk voor Duke's vroege succes. Het lied East St. Louis Toodle-Oo is een goed voorbeeld van deze speelstijl.

Ze namen hun eerste plaat op in 1924 (Choo Choo (Gotta Hurry Home) and Rainy Nights (Rainy Days), maar toen Irving Mills in 1926 hun manager en uitgever werd braken ze echt door. De band ging in de Cotton Club spelen en na korte tijd had Ellington een leidende positie veroverd en ze bleven de huisband tot 1932. In 1927 bestond het orkest uit: Bubber Miley en Louis Metcalf (trompet), Rudy Jackson en Harry Carney (sax), Duke Ellington (piano), Fred Guy (banjo), Wellman Braud (bas) en Sonny Greer (drums), in '28 kwamen hierbij: Cootie Williams en Freddie Jenkins (trompet), Barney Bigard (klarinet) en Johnny Hodges (altsax). Er werden regelmatig radio-uitzendingen gehouden vanuit de Cotton Club, wat enorm tot hun populariteit bijdroeg. Er zijn vele opnamen uit deze dagen onder Ellingtons eigen naam maar ook onder pseudoniemen als: 'Chicago Footwarmers', 'Harlems Footwarmers', 'Washingtonians', 'Lumberjacks', 'Jungle Band', 'Whoopee Makers' en anderen.

Duke Ellington's eerste internationale succes was Mood Indigo dat in oktober 1930 eerst uitgebracht werd onder de titel Dreamy Blues. Het hoofdkenmerk van het orkest van Ellington was de junglestijl, een effekt verkregen door geluiddempers (plunger mutes), waarin Bubber Miley, Cootie Williams en Sam Nanton specialisten waren. Door een nooit geïmiteerde klankkleur, die berustte op het volkomen op elkaar ingespeeld zijn van zijn musici, veranderde Ellington de traditionele bluesvertolking in een 'mood'(stemming) met een sterk impressionistisch stempel en lanceerde
daarmee nummers als Creole Love Call, Echoes of the Jungle, Black and Tan Fantasy, East St. Louis Toodle-oo, enz.

In 1933 nam de band van Cab Calloway ElIingtons plaats in in de Cotton Club en Ellington ging op zijn eerste Europa-tournee met een grote bezetting, die tot '39 nagenoeg onveranderd bleef, met Arthur Whetsol, Cootie Williams en Freddy Jenkins trompet, Joe Nanton, Lawrence Brown en Juan Tizol trombone, Barney Bigard, Johnny Hodges, Toby Hardwick en Harry Carney sax en klarinet, Ellington piano, Fred Guy gitaar, Wellman Braud bas, Sonny Greer drums, Ivie Anderson zang. Na een onvergelijkelijk succes in Engeland en op het Europese continent, zette de band, terug in de VS, de plaatsuccessen voort met Solitude , Sophisticated Lady ('33), In a Sentimental Mood ('35).
Naast deze successen werden nog opgenomen vertolkingen als Daybreak Express, Rude Interlude, Stompey Jones, Harlem Speaks, Ducky Wucky, Blue Harlem, Crescendo en Diminuendo in Blue.

In 1938 brak de eerste crisis voor de band aan. Er waren andere grote swingbands naar voren gekomen, die ook hun deel van het succes opeisten, Vooral Jimmie Lunceford en Count Basie hadden enorm succes en Benny Goodman was sedert 1936 tot 'King of Swing' gekroond. Het jaar 1939 bracht het Ellingtonorkest de noodzakelijk geworden aanpassing aan het klassieke swingideaal en er werden drie belangrijke wijzigingen doorgevoerd: Billy Strayhorn kwam als pianist en arrangeur bij het orkest, Jimmy Blanton was als bassist een sensationele nieuwe ontdekking en Ben Webster zorgde met zijn tenorsax voor een geheel nieuwe stijl naast die van altsaxsolist Johnny Hodges. Het orkest wijdde deze verandering in met een nieuwe Europa-tournee.

In de jaren tot 1942 bracht Ellington nu zijn derde serie-glansnummers in de lucht en op de plaat, o.a. Strayhorn's Take the A Train (later de herkenningsmelodie van de band), Chelsea Bridge en Johnny Come Lately en de composities van Ellington zelf Warm Valley, Jack the Bear, Bojangles, HarIem Airshaft, Sepia Panorama e.a. In deze periode werkte het orkest mee in de Hollywood-revue Jump for Joy, In 1940 kwam Ray Nance als trompettist en violist bij het orkest.

Een andere vernieuwing was het woordloze zingen, als orkestraal effekt, door Kay Davis, hetgeen overigens niet nieuw was, want Adelaide Hall had al geprobeerd dit in 1927 te brengen. Ook de compositie van miniatuurconcerten rond één enkele solist werd beproefd, zoals Clarinet Lament voor Barney Bigard, A portrait of Bert Williams en Concerto for Cootie (Williams).
De periode van 1943-50, gekenmerkt door een opnameverbod, bracht een opleving van het concertgenre, beginend met een jaarlijks concert in Camegie Hall, waarbij in 1943 een suite-compositie voor jazzband, Black, Brown and Beige (duur ca 50 minuten) werd opgevoerd.
In de daarop volgende jaren werden in Carnegie Hall ten gehore gebracht Perfume Suite en New-World Acomin( '45), Deep South Suite ('46), Liberian Suite ('47), The tattoed Bride ('48) en Tone Parallels to Harlem ('50).
In tegenstelling tot voorgaande jaren vond nu een regelmatige wisseling van musici plaats. Bekende musici uit deze dagen zijn Rex Stewart, Taft Jordan en Harold Baker trompet, Jimmy Hamilton klarinet, Oscar Pettiford bas, Kay Davis, Herb Jeffries en Al Hibbler zang. Het sluitstuk van deze derde periode was een nieuwe Europa-reis, welke de volgende bezetting liet zien: Ray Nance, Harold Baker, Nelson Williams, Al Killian en Ernie Royal trompet, Lawrence Brown en Quentin Jackson trombone, Jimmy Hamilton klarinet, Johnny Hodges en Russell Procope altsax, Don Byas en Alva McCain tenorsax, Harry Carney baritonsax, Duke Ellington en Billy Strayhorn piano, Wendell Marshall bas, Sonny Greer en Butch Ballard drums, Kay Davis en Chubby Kemp zang.

In 1951 volgde nog een stijlwisseling. Het was een compromis tussen de Ellington-traditie en de ritmische, melodische en harmonische presentatie van de moderne jazz. Het orkest werd gereorganiseerd en er kwamen solisten die met de nieuwe stijl vertrouwd waren. In Louis Bellson kreeg het orkest een drummer van uitzonderlijk formaat. Een aanpassing aan de bebop was niet meer nodig, omdat deze inmiddels over het hoogtepunt heen was. Het orkest legde zich er met succes op toe de oude successtukken in de nieuwe stijl te brengen. Zijn orkestwerk bracht Ellington zelfs tot in de Metropolitan Opera ('51, met de suite Harlem).

In de jaren 60 schreef Duke Ellington verschillende religieuze stukken waaronder de compositie The Far East Suite. Hij werkte ook samen met een grote verscheidenheid aan musici wiens stijlen de hele jazzhistorie omvatten.
Hij zat in een trio met Charles Mingus en Max Roach, deed mee met All-Stars van Louis Armstrong en het John Coltrane Quartet en werkte met zijn big band eens samen met de big band van Count Basie.
In de jaren 70 waren veel van Ellington's bandleden overleden, maar zijn band bleef uitzonderlijke musici aantrekken zelfs nadat Ellington in 1974 overleden was aan kanker en zijn zoon Mercer de leiding van de band overnam.

Bron o.a.: Jack Bosch en C. J. Dollé jazzlexicon


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 253.