kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Claudio Monteverdi

Marília Vargas - "Orfeo" - Monteverdi

Claudio Zuan (Giovanni) Antonio Monteverdi gedoopt Cremona, 15 mei 1567, gestorven Venetië, 29 november 1643
Italiaans componist

Claudio Monteverdi kreeg compositie-, zang- en vioollessen van Marc Antonio Ingegneri, maestro di capella aan de kathedraal van Cremona.
Op vijftienjarige leeftijd publiceerde Monteverdi de Cantiunculae sacrae, het jaar erop volgden de Madrigali spirituali en in 1584 de de driestemmige canzonetten.

De juist 21 jaar geworden Monteverdi solliciteerde in 1588 naar de functie van kapelmeester aan de dom van Milaan, maar werd vanwege zijn te jeugdige leeftijd afgewezen.

In 1590 werd Monteverdi in Mantua als violist aangenomen aan het hof van de Gonzaga's bij hertog Vincenza I, waar de Nederlandse madrigaalcomponist Jacques de Wert maestro di capella was. De hertog liet zich graag door musici begeleiden op zijn reizen; hij nam Monteverdi twee keer mee op zijn oorlogsexpedities, eenmaal naar Hongarije en de andere keer naar Vlaanderen, waardoor Monteverdi de gelegenheid kreeg om daar de lokale muziek te leren kennen.

In 1602 werd Monteverdi maestro di capella in Mantua, waar hij vier boeken madrigalen componeerde, waarvan een met basso continuo. Vanwege zijn moderne schrijfwijze kreeg hij het aan de stok met de beroemde muziektheoreticus Artusi (de schrijver van l'Arte del Contrapunto), en er ontstond een polemiek in verschillende afleveringen.

Monteverdi wijdde zich aanvankelijk uitsluitend aan het componeren van vijfstemmige madrigalen en bewees dat hij de polyfone a cappella-traditie van de 16de eeuw geheel meester was. Hij schiep een nieuwe stijl, die als „seconda pratica" werd aangeduid. Deze stijl ging uit van de tekst en stelde de muziek geheel in dienst van de tekstdeclamatie en het verheven gevoel. Met dit doel voor ogen vond men ook afwijkingen van de traditionele contrapunt-regels (bijv. vrije dissonantbehandeling, chromatiek of overmatige resp. verminderde intervallen) toelaatbaar. Monteverdi vond bovendien tremolo en pizzicato uit.

Monteverdi, die als een van de belangrijkste persoonlijkheden van de vroege barokmuziek wordt beschouwd en ook de reputatie bezit van eerste grootmeester van de opera, begon betrekkelijk laat met het componeren van muziek voor het toneel.

In 1607 werd Monteverdi's eerste opera Orfeo (toen nog niet 'opera', maar 'favola in musica' geheten) met succes opgevoerd voor de Academia degli Invagheti in Mantua, met tekst van Striggio. Hiermee bewees Monteverdi de eigenlijke schepper van dramma per musica te zijn. In datzelfde jaar stierf zijn jonge vrouw Claudia Cattaneo, een zangeres die hij aan het hof had leren kennen.

In 1608 componeerde hij de opera Arianne en de kleine balletopera Il Ballo dell'Ingrate, voor de festiviteiten vanwege het huwelijk van de troonopvolger Francesco met Maria van Savoie. Van Arianne, met tekst van Rinuccini, is alleen het Lamento over gebleven. Hiervan maakte Monteverdi twee bewerkingen, een als vijfstemmig madrigaal (gepubliceerd 1614 in zesde madrigalenboek) en een met religieuze tekst Pianto della Madonna, opgenomen in de Selva Morale, 1640.

In 1610 publiceerde Monteverdi twee liturgische werken: een streng polyfone mis op motieven van een motet van Gombert, opgedragen aan paus Paulus V en de revolutionaire Sonata sopra Sancta Maria, waarin hij zowel vocaal als instrumentaal de operastijl toepast.

In 1612 werd Monteverdi, na het overlijden van hertog Vincenzo, ontslagen door diens opvolger en vertrok naar zijn ouderlijk huis in Cremona. In 1614 werd hij benoemd tot maestro di capella aan de San Marco in Venetië, als opvolger van de overleden Martinengo. De opera's die hij in zijn Venetiaanse tijd in opdracht van andere Italiaanse steden, waaronder Parma en vooral Mantua schreef zijn allemaal verloren gegaan. Voor Venetië, waar in 1637 het eerste operatheater geopend werd (wat al snel door vele anderen gevolgd werd), componeerde Monteverdi onder meer Adone (1639), Le Nozze d'Enea con Lavinia (1641), Il Ritorno d'Ulisse in patria (1641) en l'Incoronazione di Poppea (1642). Alleen de laatste twee zijn bewaard gebleven.

Monteverdi schreef zijn twee laatste opera's voor Venetië: Il ritorno d'Ulisse in patria (De terugkeer van Ulysses in zijn vaderland) en L'incoronazione di Poppea (De kroning van Poppea) die respectievelijk in 1641 en 1642 werden uitgevoerd.

Poppea is in vele opzichten Monteverdi's beste opera. Hij heeft niet de afwisselende, kleurrijke orkestratie en het grote instrumentale en theatrale apparaat van Orfeo, maar is onovertroffen in de uitbeelding van menselijke karakters en hartstochten door middel van muziek en ligt in dit opzicht ver voor op alle andere zeventiende-eeuwse opera's. Ondanks de trend tot toenemende differentiëring van recitatief en aria bleef Monteverdi zoeken naar een flexibele mengeling van declamatorisch recitatief en meer lyrische en formele monodie.



Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 20.