kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 11-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Claude Debussy

Claude Debussy, foto door Félix Nadar

Claude Achille Debussy geboren Saint-Germain-en-Laye 22-8-1862, gestorven Parijs 25-3-1918
Frans componist, de belangrijkste der zgn. impressionisten.

Debussy kwam uit een eenvoudige familie in St. Germain en Laye, waar muziek niet systematisch aan bod kwam (zijn vader, een kleine winkelier, interesseerde zich hoogstens voor opera).

Claude werd als 9-jarige ‘ontdekt’ door de muzikaal geïnteresseerde en begaafde Madame Manté (schoonmoeder van Paul Verlaine), oud-leerlinge van Chopin, Zij stoomt de knaap in twee jaar tijds klaar voor het toelatingsexamen aan het Parijse Conservatorium. Hij slaagt en komt terecht onder de hoede van Lavignac voor theorie en Marmontel voor piano. Later volgt hij nog harmonie bij Emile Durand.

In 1879 werd hij voorgesteld aan Mme Vasnier, wier mondaine en culturele kring voor zijn vorming van groot belang is geweest. In hetzelfde jaar reisde hij via Florence en Venetië naar Moskou als begeleider van Nadesjda von Meck, de beschermster van Tsjaikovski.

Als pianist van het 'huistrio' van Madame von Meck reist hij in 1882 naar Portugal, en leert er de Slavische en zigeunermuziek kennen. Meer dan gelijk welke leraar beïnvloedden die zijn compositiewijze.

Terug in Parijs besluit hij compositielessen te volgens bij Giraud, en krijgt zelfs de hulp van Gounod bij het componeren van zijn cantate voor Rome. Het verblijf in die wereldstad, verbonden aan deze hoogste muzikale onderscheiding, betekent voor hem een kwelling over de hele lijn: hij verdraagt het klimaat niet en ergert zich zowel aan het mondaine leven als aan 'al dat antieke gedoe'. Debussy was bepaald geen diplomajager: afgezien van de Prix de Rome die hij in 1884 behaalde met zijn cantate L'Enfant Prodigue, was de hoogste onderscheiding die hij ooit haalde een eerste prijs in pianobegeleiding aan het Conservatorium.

Over de werken die hij in Rome componeerde raakt hij bovendien in conflict met de 'Académie' (die dit soort ondernemingen patroneerde): hun impressionistisch karakter hield 'een gevaar in voor de kunst'. Hij vlucht dan maar vroegtijdig weg uit Rome. Wel belangrijk voor zijn muziek was de ontdekking van Javaanse en Spaanse muziek op de wereldtentoonstelling in 1889.

Terug thuis vermijdt hij omgang met zijn vroegere vrienden en beschermers, en hij houdt zich vooral op met symbolistische dichters, schrijvers en schilders. De enige componist met wie hij in die periode contact had, was Eric Satie. Langverbeide ontmoetingen met Wagner en Brahms lopen eerder teleurstellend af, en alleen Rimski-Korsakov die in Parijs als dirigent werken van de Russische 'vijf' kwam presenteren, kon hem bekoren omwille van Borodin; de revelatie voor hem was echter Moessorgsky's Boris Godoenow.

In 1894 vond de première plaats van het orkestwerk Prélude à l'après-midi d’un faune (naar Mallarmé), zijn eerste meesterwerk; met de Trois chansons de Bilitis (1897-1898; naar Pierre Louÿs) en de Trois nocturnes (1897-1899; orkest en vrouwenkoor) kreeg zijn idioom met al de heterogene bestanddelen zijn definitieve afronding.

Intussen had hij ook kennis gemaakt met Maeterlincks Pelléas et Mélisande, en met de hulp van Mallarmé ontstaat de gelijknamige opera, een mijlpaal in de geschiedenis van het genre. De meeste andere werken ontstaan alle tegen een literaire achtergrond. Ook zijn bijdragen als muziekrecensent van de 'Revue Blanche' getuigen van een meer dan gewone literaire begaafdheid.

In 1899 trouwt Debussy met het volksmeisje Rosalie Texier, maar reeds vijf jaar later laat hij zich scheiden om te kunnen trouwen met hun gemeenschappelijke vriendin Emma Bardac-Moyse; op die manier poogt hij in de hogere krijgen binnen te geraken en eindelijk van alle financiële zorgen verlost te zijn.

In 1905 werd het grote symfonische gedicht La mer voor het eerst uitgevoerd. Het succes hiervan bezorgde hem uitnodigingen uit binnen- en buitenland om eigen werken te dirigeren.

Vanaf 1908 dirigeert hij overal in Europa zijn eigen werk.

Omstreeks 1912 voltooide hij Images pour orchestre. Opvallend is dat Debussy zich in deze periode wat distantieerde van het literaire symbolisme en voornamelijk nog liedteksten koos van oude dichters, terwijl zijn muziek bij teksten van Paul Verlaine en Mallarmé veel soberder en minder sensueel werd.

De beide delen Préludes (1910-1912; -piano) betekenden het hoogtepunt en de afsluiting van zijn ‘impressionistische’ pianomuziek; in andere werken zocht hij toen al duidelijk naar een meer abstract-muzikale schrijfwijze, zoals blijkt uit zijn muziek bij Le martyre de Saint Sébastien (1911) van Gabriele d'Annunzio en uit het door Nijinski en de Les Ballets Russes in 1913 gecreëerde ballet Jeux, tevens uit de Trois poèmes de Stéfane Mallarmé (1913). Deze ‘neoclassicistische’ tendentie culmineerde ten slotte in de Six épigraphes antiques voor piano vierhandig (1914), de beide boeken Études voor piano (1915), en vooral in de drie Sonates pour divers instruments (cello en piano, 1915; altviool, fluit en harp, 1916; viool en piano, 1917).

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog brengt hem erg van streek, maar ondanks een hersenaandoening dwingt hij zichzelf te componeren. Tijdens het laatste Duitse offensief bij de verovering van Parijs is hij te zeer verzwakt om de schuilkelders te verlaten. Hij sterft op 25 maart 1918.

In 1977 ging Debussy's in 1908 begonnen, onvoltooide opera La chute de la maison Usher (n. Edgar Allan poe in de vert. van Baudelaire) in première in New Haven (Verenigde Staten), uitgevoerd door studenten van Yale University.

Zonder Debussy zou er waarschijnlijk nooit sprake geweest zijn van impressionisme in de muziek. Om die periode ietwat te stofferen zochten (en vonden) de muziekhistorici componisten die een inleiding zouden kunnen vormen op Debussy, en andere die evolueerden van impressionisme naar expressionisme. Op zichzelf is dit uiteraard nog geen verdienste, maar Debussy was de man die de Franse muziek uit de ban van het Wagnerianisme haalde en een heel nieuw soort klavierpalet ontwierp. Verder is zijn opera Pelléas et Mélisande een van de meesterwerken in de geschiedenis van het genre.

Verscheidene vroege invloeden hebben bijgedragen tot de vorming van Debussy's stijl. Tot de directe achtergrond behoorden César Franck, Saint Saëns en de spitsvondige en originele Emmanuel Chabrier (1841-1894); maar contemporaine schilders en dichters bepaalden waarschijnlijk evenzeer Debussy's overwegingen. Zijn bewondering voor Wagner ging vergezeld van een grondige afkeer van diens breedsprakige retoriek en zijn pogingen om filosofie en muziek met elkaar te verbinden, een voorbeeld van de verfoeide Duitse profondeur. De Russische muziek, met name Moessorgski's Boris Godoenov en zijn liederen, wees Debussy nieuwe wegen; de invloed van Grieg is aanwezig.
Na 1900 is de beïnvloeding door Ravel zonneklaar, zeker in de muziek voor piano.
Enkele technische aspecten van de impressionistische stijl hadden hun precedenten in het werk van Chopin (bij voorbeeld de afsluiting van diens Nocturne in Des-majeur) en dat van Liszt (jeux d'eau à la Villa d'Este in de vierde reeks Années de Pèlerinage, en enkele latere pianowerken). Van de Franse traditie erfde Debussy zijn fijngevoeligheid, zijn aristocratische smaak en zijn anti-romantische visie op de functie van muziek.
In zijn laatste werken wendde hij zich met hernieuwde overtuiging tot het erfgoed van Couperin en Rameau.
Debussy's vernieuwingen, met name op het gebied van de harmonie, maakten hem tot een van de meest invloedrijke figuren in de geschiedenis van de muziek. Een opsomming geven van de componisten die vroeg of laat door hem zijn beïnvloed is hetzelfde als het noemen van alle belangrijke componisten van het begin en midden van de twintigste eeuw. Ravel, Messiaen en alle andere Franse componisten, maar ook Skrjabin, Reger, Strauss, De Falla, Puccini, Uanácek], Stravinski, Bartók, Berg, Webern, Hindemith en Orff, en al die anderen die muziek schreven waarin impressionistische methoden meer opvallend of blijvend werden toegepast, zoals onder andere de Amerikaan Charles Griffes (1884-1920), de Pool Karol Szymanovski (1882- 1937), de Engelsman Arnold Bax (1883-1935), de Italiaan Ottorino Respighi (1879-1936) en de Duitser Frans Schreker (1878-1934).

Impressionistische muziek
Eén, soms wat te veel benadrukt aspect van zijn stijl, is het impressionisme. Deze term duidde aanvankelijk op een school van Franse schilders die haar bloeiperiode had van 1880 tot het einde van de negentiende eeuw.
Het impressionisme in de muziek staat voor een benadering die is gericht op het weergeven van stemmingen en zintuiglijke indrukken, met harmonie en klankkleur als belangrijkste middelen. Het impressionisme is dus een soort programmamuziek, maar verschilt van de meeste programmamuziek omdat het niet de uitdrukking van diepe emoties of de uitbeelding van een verhaal tot doel heeft. Het wil alleen een bepaalde stemming oproepen, een vluchtige sfeer of beleving. Suggestieve titels en verwijzingen naar natuurlijke geluiden, een 'zwevend' ritme, karakteristieke flarden melodisch materiaal en dergelijke moeten dit streven ondersteunen. Daarnaast gaat het bij impressionisme om de zinspeling en het understatement. In zekere zin is het de antithese van het uitgesproken, energieke en diepgravende expressionisme van de romantiek.

Verscheidene vroege invloeden hebben bijgedragen tot de vorming van Debussy's stijl. Tot de directe achtergrond behoorden César Franck, Saint Saëns en de spitsvondige en originele Emmanuel Chabrier (1841-1894); maar contemporaine schilders en dichters bepaalden waarschijnlijk evenzeer Debussy's overwegingen. Andere invloeden waren Wagner, Moessorgski, Grieg en na 1900 Ravel. Enkele technische aspecten van de impressionistische stijl hadden hun precedenten in het werk van Chopin en dat van Liszt. Van de Franse traditie erfde Debussy zijn fijngevoeligheid, zijn aristocratische smaak en zijn anti-romantische visie op de functie van muziek. In zijn laatste werken wendde hij zich met hernieuwde overtuiging tot het erfgoed van Couperin en Rameau.

Zo, historisch gezien, de 'moderne muziek' in Frankrijk dus haar 'uitgangspunten' heeft gevonden bij figuren als Chabrier, Fauré en Satie, dan is, muzikaal gesproken, Claude Debussy toch onbetwist de eerste componist geweest die door zijn creatieve potentie op alle gebieden welke hij betrad - liederen, pianostukken e.a. vormen van kamermuziek, svmfonische werken en opera - in staat was een heel nieuw tijdperk voor de toonkunst in te luiden. In analogie met een gelijknamige richting in de schilderkunst heeft men de muziek van Debussy wel met de term impressionisme omschreven - en soms bedoeld te diskwalificeren -, met welke aanduiding dan te kennen werd gegeven dat de componist ernaar zou streven zijn persoonlijke impressies van natuur- en andere verschijnselen uit te drukken i.p.v. die verschijnselen zélf. Volgens deze gangbare definitie zou alle muziek die geen uitgesproken illustratief doel beoogt echter onder het hoofd 'impressionisme' zijn te vangen, en bijzonder gelukkig kan de term dan ook niet worden genoemd. Overigens wordt de behoefte aan enig etiket t.a.v. Debussv wel steeds minder klemmend gevoeld, omdat de meester, enkele geïsoleerde figuren als André Caplet niet meegerekend, in de formele betekenis van dat woord geen 'school' heeft gemaakt.

In tegenstelling met de aanvankelijke opvatting kan men ook Ravel zeker geenszins als een impressionist of als intiem geestverwant - nog minder als een discipel of epigoon van Debussy beschouwen. Ofschoon er in sommige jeugdwerken van Ravel wel enige impressionistische stijlkenmerken zijn aan te wijzen, waren beider naturen toch geheel verschillend van aard en liepen hun aspiraties dientengevolge geenszins evenwijdig. Globaal gesproken kan Ravel een in wezen klassiek voelend en denkend kunstenaar worden genoemd, terwijl Debussy eerder een romantische, dionysische natuur bezat.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 18.