kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 06-04-2008 voor het laatst bewerkt.

Charlie Parker

Charlie Parker (1920-1955)

Charles Christopher (Charlie) Parker, Amerikaans altsaxofonist, zeer invloedrijk in de geschiedenis van de jazz. Met trompettist Dizzy Gillespie wordt hij beschouwd als grondlegger van de bebop.

Charles Parker jr. (bijgenaamd Bird of Yardbird) werd op 29 augustus 1920 in Kansas City (Kansas) geboren als enig kind van Charles en Addie Parker.

Hij had op school al op een baritonsaxofoon leren spelen, toen hij op zijn elfde jaar van zijn moeder, Addie Boyley, zijn eerste altsax kreeg, waarop hij in een schoolbandje (de Deans of Swing) speelde, onder de later aan de oostkust vrij bekend geworden Lawrence '88' Keyes.

Charlie Parker & Dizzy Gillespie

In 1935 verliet hij de school om zijn geluk in de muziek te zoeken. Als 14-jarige werd hij beroepsmusicus in Kansas City (Missouri), toen een bruisende jazzstad, waar veel directe invloeden van de blues in de jazz te vinden waren. Eveneens vanaf deze tijd kwam hij in kringen terecht van welks invloeden hij nooit meer loskwam: hij begon heroïne te gebruiken.

In 1936 kocht Parker een nieuwe sax nadat hij na een auto ongeluk geld had gekregen. In de zomer van '36 speelde hij veel in een "Ozark mountain resort" waar hij zijn saxofoonspel steeds meer verbeterde. In deze tijd kreeg hij ook zijn bijnaam "Yardbird" wat later verkort werd naar "Bird". Het verhaal gaat dat hij onderweg was en de chauffeur een kip overreed. Parker liet de arme man terug rijden om de kip op te halen ... zodat hij hem die avond op kon eten. Zo ontstond de naam "Bird" en Parker heeft het ook meerdere malen in de titels van zijn stukken gebruikt (Yard Bird Suite, Ornithology, Bird gets the Worm).

In 1938 sloot hij zich aan bij de band van zijn leraar Henry "Professor" of "Buster" Smith, eveneens een altsaxofonist. In die tijd werd Parker ook beïnvloed door Lester Young, een beroemde tenorsaxofonist. Geld moest er natuurlijk ook in het laatje komen en tijdens een van de bijbaantjes van Charlie, borden wassen in een club, hoorde hij Art Tatum, een beroemde jazzpianist spelen. De stijl van Tatum, snel spel en veel acoordwisselingen, werd door Parker overgenomen.

Een belangrijke bron van Parkers unieke geluid lag in zijn bewondering voor het spel van tenorsaxofonist Lester Young (1909-1959) in de Count Basie-Band, geëngageerd in de Reno Club, die Parker frequenteerde. Op zijn alt probeerde hij de solo's van Young na te spelen. Een kort werkverband bij het dansorkest van klarinettist Tommy Douglas (1906-1965) deed hem kennis maken met de snelheid van de klarinet, die hij vervolgens op de alt zou proberen over te brengen; bovendien schaafde de zeer onderlegde bandleider, Parkers zelf aangeleerde techniek enigermate bij. Zeer vruchtbaar was ook een engagement bij het orkest van George Ewing Lee in 1937, waar Parker door collega's werd onderricht in harmonieleer. Korte tijd speelde Parker eind 1937 in een orkest onder Henry Smith (bijgenaamd Professor Smith of Buster Smith; 1904-1991), een altsaxofonist in de echte Kansas City jazz-traditie, die hem vooral op technisch gebied veel bijbracht.

Toen Smith zijn geluk ging zoeken in New York, volgde Parker hem in 1938. Enkele keren speelde hij in Monroe's Uptown House, waar hij enige aandacht kreeg vanwege zijn Lester Young-geluid. Hij moest zich echter in leven houden als afwasser, in een restaurant waar pianist Art Tatum (1910-1956) optrad als solist. Behalve opnieuw de snelheid van de piano, was het ditmaal vooral de accuratesse waarmee deze bespeeld kon worden die Parker fascineerde. Ook Tatums techniekje om tijdens zijn improvisaties te citeren uit bekende melodietjes vindt men later bij Parker terug.

Eind 1938 deed Parker tijdens een jam session een van zijn belangrijkste ontdekkingen zelf: als melodische lijn koos hij, improviserend op het nummer Cherokee, de hoogste intervals van de akkoorden; een geheel nieuwe aanpak.

Terug in Kansas City werkte Parker kort bij de Harlan Leonard Rockets, een ouderwets Kansas City orkest, door saxofonist Harlan Leonard (1905-1983) overgenomen van Tommy Douglas.

Eind 1939 sloot hij zich aan bij het veel jeugdiger orkest onder pianist Jay McShann (bijgenaamd Hootie; geb. 1916). Parker blijkt zo’n grote inspiratie te zijn voor de overige leden van het orkest dat McShann hem naast zich tot orkestleider benoemt. In 1940 maakte het orkest in Wichita (Kansas) radio-opnamen, waarbij Parker in verschillende solo's hier al zijn vindingen en kunde toonde: het hoge tempo in achtste en zestiende noten, de melodische lijn met verhoogde noten en verminderde akkoorden en een van de belangrijkste kenmerken van de bop, het gevoel dat de solist feitelijk in twee verschillende metra tegelijk speelt (double-time).

In 1939 breekt Parker tijdelijk met McShann en vertrekt naar New York, waar hij zijn eerste opnamen maakt. Telkens weer vindt Parker nieuwe mogelijkheden in de muziek. "Op een avond werkte ik aan het nummer Cherokee en ik merkte dat ik, als ik grotere intervallen gebruikte en overeenkomstig moduleerde, eindelijk kon spelen wat ik van binnen hoorde. Ik voelde mij herboren worden."

Begin van de jaren veertig keert hij nog een korte tijd naar McShann terug. Kort daarop zal hij voorgoed naar New York terugkeren. In 1942 werd het orkest geëngageerd voor de Savoy Ballroom in New York, het wereldberoemde 'Home of happy feet', waar Parker zeer de aandacht trok van de avant-garde, die 'after-hours' (d.w.z. na de normale optredens met hun diverse orkesten) bijeenkwam voor jam sessions in een club als Minton's Playhouse, met drummer Kenny Clarke (1914-1985) en pianist Thelonious Monk (1917-1982) als basishuisorkest, of een cabaret als Monroe's Uptown House. Tot de belangrijkste medespelenden behoorden Howard McGhee (trompet; 1918-1987), Oscar Pettiford (bas; 1922-1960) en Dizzy Gillespie (1917-1993) op trompet.

Thelonious Monk en Kenny Clarke zorgden er voor dat Charlie een plekje kreeg bij de Minton's. The Minton's zouden later beroemd worden als de grondleggers van de Bebop. Terwijl Parker daar speelde werd zijn spel over het geheel beter en meer overtuigd. Hij bleef nog tot juli bij McShann spelen. Daarna speelde hij bij de Noble Sissle's band. Hij speelde daar altsax en klarinet.

Terwijl McShann op een grote tournee terugging naar Kansas City, bleef Parker in New York, waar hij al snel legendarisch werd in de jazz-underground. Om te kunnen eten nam hij een baan als tenorsaxofonist aan in de big band van pianist Earl Hines (1903 -1983), samen met o.a. Gillespie en trompettist Benny Harris (1919-1975).

Nog in 1944 trad hij toe tot het nieuwe orkest onder Billy Eckstine ( William Clarence, bijgenaamd Mr. B.; 1914-1993) als leider van de rietblazerssectie. In dit orkest, dat zijn tijd jaren vooruit was, hebben zeer veel van de jonge bopmusici korter of langer gewerkt, o.a. Gillespie, Leo Parker (baritonsax; 1925-1962), Art Blakey (drums; 1919-1990), Tommy Potter (bas; 1918-1988) en Benny Green (trombone; 1923-1977). Hoewel hij voor het eerst in de pers werd geloofd en het orkest een populariteit bereikte die slechts met de orkesten van Count Basie of Duke Ellington te vergelijken was, trad Parker nog voor het einde van 1944 uit; hij had domweg genoeg van de beperkingen die het spelen in een big band oplegden.

In The Three Deuces (op 52nd Street), in de oorlogsjaren snel opgekomen als uitgaanscentrum, begon hij zijn eerste kleine combo, met Gillespie op trompet. De combinatie Parker/Gillepsie (Diz & Bird) groeide uit tot een zeer controversionele attractie, gehaat door de critici, die spraken van non-jazz en anti-jazz, maar de idolen van jonge musici en de opkomende hipster-scene. Het betekent de aanloop tot de echte bop van de latere jaren, met de onverwachte registerovergangen, de plotselinge breaks, het aan begin en einde van het stuk in unisono gespeelde thema en de snelle speelwijze, die bovendien cool was, technisch perfect, zonder vervormingen, zonder vibrato.

Charlie Parker All Stars ' My little suede shoes'

Eind 1945 gingen Parker, Gillespie, Haig, Levey, bassist Raymond Matthews Brown (geb. 1926) en vibrafonist Milt Jackson (geb. 1923) onder de naam Parker-Gillespie All Stars naar de westkust voor een engagement in Billy Bergs jazzbistro in Hollywood. Voor het eerst begon Parkers heroïneverslaving fnuikend te werken op zijn prestaties, terwijl ook zijn gedrag onberekenbaarder werd. Zo werd het engagement vrijwel een desillusie. Terwijl de All Stars terugkeerden naar New York bleef Parker in Los Angeles achter, waar onder zijn invloed de Finale Club tot een soort Minton's Playhouse werd.

Uit 1946 dateren belangrijke opnames van Parker met Miles Davis (1926-1991), trompet, Dodo Marmarosa (geb. 1925) piano en Lucky Thompson (geb. 1924). Met Miles Davis (trompet), Dizzy Gillespie of Bud Powell (piano), Curley Russel (bas) en Max Roach (slagwerk), maakt hij meesterwerken waarin hij, met zijn huiveringwekkende en bijna atonale spel, de grenzen van de jazz verkent. Tijdens een tweede opnamesessie stortte Parker volledig in door onthoudingsverschijnselen, werd gearresteerd en overgebracht naar het Camarillo State Hospital voor een ontwenningskuur. Eenmaal vrijgelaten volgden enkele belangrijke plaatopnames, die een rustige, lyrischer Charlie Parker laten horen, waaronder een lange en hartstochtelijke serie met Miles Davis en Max Roach.

Norman Grantz biedt Parker daarop een contract aan voor de Jazz at the Philharmonic concerten. Charlie Parker was de eerste moderne jazz solist die optrad met strijkers en houtblazers in een symfonische groep. Verder maakt Parker platen met strijkers en met Afro-Cubaanse musici. Door de commerciële opzet is echter niet alles even geslaagd.

Parker speelt pas weer met overtuiging tijdens sessies met kleine formaties, met musici die hij zelf heeft uitgezocht, o.a. met Al Haig en Hank Jones (beiden piano) en in openbare concerten. Beroemd is het uitzonderlijke concert in Massey Hall in Toronto, met Gillespie, Powell, Mingus en Roach. Aan de oostkust was de bop inmiddels geheel doorgebroken en werd Gillespie gevierd als de uitvinder. Parker formeerde zijn eerste Charlie Parker Quintet, met Miles Davis op trompet, Tommy Potter op bas, Duke Jordan (geb. 1922) op piano en Max Roach (geb. 1925) aan de drums. Met deze band trok hij naar New York en begon een nieuw engagement in The Three Deuces, waar hij binnen de kortste keren zijn oude levensstijl weer had opgepikt (heroïne, drank, seks).

Parker overtuigde iedereen van zijn onbetwistbaar leiderschap van de bebop. In 1948 volgde zijn eerste verkiezing tot altsaxofonist van het jaar door de lezers van het jazzblad Metronome. Tijdens zijn eerste bezoek aan Europa werd hij op het Paris Jazz Festival (1949) toegejuicht; eind 1949 ging op Broadway de grootste jazzclub van de VS open, naar Parker Birdland genoemd. Ook de critici waren omgegaan; men noemde zijn directe invloed al vanaf 1940 onontkoombaar.

Terug uit Europa volgde de eerste van een serie opnamen, Charlie Parker with Strings, waar publiek noch critici op zaten te wachten. De tweede versie van het Charlie Parker Quintet, met o.a. trompettist Red Rodney (1927-1994), had sterk te lijden onder beider heroïneconsumptie; Rodney werd enige malen gearresteerd, terwijl Parker geestelijk en lichamelijk begon af te takelen.

In 1950 bezocht hij Zweden met groot succes, maar keerde met een maagzweer terug. Zijn plaatopnamen nadien klonken ongeïnspireerd en gesetteld. De cool jazz brak door en andere muzikanten begonnen beroemd te worden; bovendien werd Parkers door drank, heroïne en succes gevormde gedrag steeds minder getolereerd door clubeigenaren.

Toen in 1954 zijn dochtertje stierf, deed Parker een zelfmoordpoging.

Charlie speelde voor het laatst voor publiek op 4 maart 1955 in Birdland.

Na het mislukken van een come-back aan het begin van 1955 overleed Parker op 12 maart 1955 in het huis van een vriendin, gekweld door maagzweren, een verzwakt hart, levercirrose en longontsteking. Hij stierf in het huis van Baroness Nica de Koenigswarter terwijl hij op de televisie naar Tommy Dorsey en zijn band keek. Zijn laatste commentaar was dat Dorsey geweldig klonk. Charlie "Yardbird" Parker, getrouwd met Rebecca Ruffin (1936), Geraldine Scott (1943), Doris Snyder (1948) en Chan Richardson (1950) had vijf kinderen.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 192.