kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

barok in de muziek

Barok

Het begrip dat oorspronkelijk uit het gebied van de beeldende kunst en vooral van de architectuur komt, werd ook door de muziekgeschiedenis overgenomen. Het is hier echter niet zo duidelijk te definiëren.

Men noemt ongeveer de periode van 1600 tot 1750 de barok, dus van Claudio Monteverdi tot de dood van Johann Sebastian Bach. Met dien verstande dat de periode in de muziek 1600-1650 een wel erg vroege barok is, en er reeds sprake is van rococo ca 1750. Zowel de opera en het oratorium als de instrumentale muziek bereiken in de barok een hoge bloei. De concerterende stijl (stile concertato) dringt overal door, de cantate ontstaat, de muziekensembles en de partituren krijgen vaste vormen (concerto grosso, basso continuo). De belangrijkste kenmerken van de muzikale barok zijn de invoering van de grote terts-kleine tertstonaliteit en de polyfonie. Daarnaast speelt de affectenleer een centrale rol waarbij gestileerde gevoelens (bijv. droevenis, vreugde, haat, liefde) door vaste muzikale formules uitgedrukt worden. De toonsymboliek wordt een geliefd muzikaal gereedschap: bijv. toonletters (b-a-c-h), het kruisteken voor het kruis van Christus of muzikale getallensymboliek. De veelvoud en oneindigheid van dit tijdperk resulteerde vooral ook daarin dat nationale stijlen werden gevormd, dit in tegenstelling tot de renaissance, die internationaal gericht was. Tot de bekendste barokcomponisten behoren Claudio Monteverdi, Jean-Baptiste Lully, Antonio Vivaldi, Georg Friedrich Händel, Georg Philipp Telemann en Johann Sebastian Bach.

De jaren rond 1600 brachten voor de toonkunst zo fundamentele veranderingen als nauwelijks één ander moment in haar geschiedenis. Hoogstens zou het ontstaan der meerstemmige schrijfwijze in de 9de eeuw als van nóg ingrijpender betekenis beschouwd kunnen worden. ca 1600 daarentegen treden een sterke vereenvoudiging daarvan en een schematisering op, waarbij de verscheidenheid der stemmen verdwijnt, haar melodische waarde tot nul gereduceerd wordt, afgezien van één bevoorrechte, die alleen draagster van het melos wordt. De samenklank, het akkoord, wint het van de expressie der anderen. Het laat zich horen dat hier uit de vereenvoudiging van een bestaande kunst eerder resultaten te bereiken waren dan op het volkomen onontgonnen terrein der meerstemmigheid in de laat-Karolingische periode. En ook dat de jonge, harmonisch begeleide stijl gemakkelijker ingang en algemene verbreiding vond dan de moeizame experimenten der centrale middeleeuwen.

De groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van het tot bloei komen van een openbaar theater (toneel, opera) en concertleven in de steden, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven. De Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal, monumententale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. In de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies. De wereld lijkt een theater met acteurs, ceremoniemeesters en muziek: pruiken, gekunstelde aanspreek- en omgangsvormen vooral aan de hoven, in de opera zijn castraten dé sterren.

instrumenten: Instrumentale ensembles worden zelfstandig. Ze zijn per partij solistisch of twee/drievoudig bezet en bestaan uit strijkers en/of blazers (hobo, fagot, fluiten, trompet). Er ontstaat een echte instrumentale muziek los van de vokale modellen. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek) bereiken in de Barok een hoogtepunt in hun ontwikkeling.

Basso continuo: In ensemble muziek wordt de éénstemmig uitgeschreven baspartij vaak door een basinstrument en toetsinstrument (in accoorden) gespeeld: basso continuo. De instrumenten zijn cello (eventueel gamba of fagot) en clavecimbel. In de kerk wordt in plaats van het clavecimbel het orgel gebruikt en in de meer intieme huismuziek de luit/gitaar. Het basso continuo is de begeleiding en erom heen worden alle mogelijke ensembles samengesteld. Naast één of meerdere melodiestemmen wordt een basmelodie gegeven met cijfers. De basmelodie wordt gespeeld door de linkerhand op clavecimbel/orgel of door gamba/cello/fagot, terwijl op basis van de cijfers het toetsinstrument in accoorden meespeelt. Vandaar ook de term becijferde bas naast basso continuo.

Vormen en genres:
concerteren/ dubbelkorigheid: in vokale en instrumentale muziek is er sprake van een afwisselen tussen groepen, waarbij het ook kan gaan om solistisch bezette groepen.
Uit de concerterende stijl ontstaat het: concerto grosso met concertino en tutti: een instrumentaal werk voor orkest en een groep solisten.
Soloconcert: soloinstrument en orkest.
Suite: een reeks van gestileerde dansen, bestaande uit bijvoorbeeld een allemande, courante, sarabande, gigue, bourrée, gavotte. Als opening kan een sinfonia of ouverture aanwezig zijn, een deel zonder dansachtergrond wordt aria genoemd. Sarabande (langzaam, driedelig) en gigue (snel, imitatorisch) zijn vergelijkenderwijs goed te herkennen.
Ouverture: Als voorspel voor een opera e.d. maken we onderscheid tussen de Franse en Italiaanse ouverture of sinfonia.
Beiden hebben drie delen, maar de Franse in de volgorde langzaam - snel - langzaam en de Italiaanse is snel - langzaam - snel.
Fuga: Een polyfone compositietechniek op basis van één thema. In de fuga-expositie wordt het thema achtereenvolgens in iedere stem ten gehore gebracht, eventueel begeleid door basso continuo en daarna gevolgd door een tegenmelodie of een vrije tegenstem. In de verdere verwerking kan het thema worden vergroot, verkleind, omgekeerd, van achter naar voren gespeeld (kreeft).
Sonate: Duosonate en triosonate zijn werken voor resp. drie en vier instrumenten. Dergelijke sonates bestaan uit meerdere delen, meestal drie of vier, en worden uitgevoerd door één c.q. twee soloinstrumenten met begeleiding van basso continuo (twee instrumenten).
Basso ostinato: Variaties op een Chaconne of Passacaglia. Het gaat om een verdere ontwikkeling van de variaties op dansbassen uit de Renaissance.

Gemengde vocaal/instrumentale vormen: Opera, oratorium, cantate, passie (oratorium op het lijdensverhaal), missen: In al deze vormen worden instrumentale stukken als ouvertures, tussenspelen afgewisseld met koorpassages, recitatieven en aria's (ook duetten, terzetten, kwartetten enz.) door solozangers. Het verschil zit in de inhoud (wereldlijk of geestelijk) en de lengte: oratorium en opera zijn avondvullend, een mis en cantate kunnen 15 minuten, maar ook 45 minuten duren. Een cantate kan een wereldlijke of geestelijke inhoud hebben, een oratorium vooral geestelijke thema's. De opera is wereldlijk en wordt op toneel gespeeld. Veel geestelijke muziek is ongeschikt voor de liturgieviering door de lengte en de grote bezettingen.

Recitatief en Aria zijn onderdelen van de gemengde vormen. Het recitatief is een declamatorisch gezang op een duidelijk hoorbare toonhoogte. Deze techniek komt in alle culturen van heden en verleden voor.
Rond 1600 ontstaat in de opera de monodie (monodische stijl). Dit is een recitatief-achtige melodie die door een basso continuo wordt begeleid. De stem declameert niet op één toon, maar uit zich in een vrije melodie.
Als echt declamatorisch gezang onderscheiden we in de latere vormen het:
Recitativo secco: alleen begeleiding door basso continuo
Recitativo accompagnato: begeleiding door orkest (als 'filmmuziek' het verhaal ondersteunen).
Een aria: de echte kunst van het zingen, in de vorm van een lied. Het eerste deel van een aria wordt vaak (met veel versieringen) herhaald: da capo principe.

stijlkenmerken:
toonhoogte: De melodiebouw wordt gekenmerkt door veel sequensmatige motiefherhalingen. Zo kan een voortdurend voortgaande melodische lijn ontstaan: voortspinningsmelodiek.
De melodie wordt bij de uitvoering versierd. Vaak staan bij noten versieringstekens, maar in veel gevallen mag de uitvoerder zelf versieringen toevoegen, maar volgens allerlei vaste regels en voorschriften. De toonsoorten zijn majeur en mineur geworden mede door invloed van het basso continuo. De kerktoonsoorten spelen geen rol meer van betekenis.
toonduur: De muziek krijgt een duidelijke maatindeling en het ritme kan daarbij een sterk motorisch karakter krijgen. Daartegenover is vaak sprake van tempo rubato, waarbij de uitvoerder naar eigen smaak verbredingen en versnellingen toepast, wat niet is genoteerd.
dynamiek: Dynamiek wordt bepaald door terrassendynamiek of echodynamiek. Crescendo en decrescendo komt zeer beperkt voor.
uitvoeringspraktijk: Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking wil brengen. Deze kunnen van invloed zijn op de structuur van een werk. De affecten zijn kwaadheid/ razernij, vreugde, vurige liefde, dodelijke droefheid, rust/vertrouwen.

Don Carlo Gesualdo (1560 - 1613), John Dowland (1562 - 1625), Jan Pieterszoon Sweelinck (1562 - 1621), John Bull (1562 - 1628), Claudio Monteverdi (1567 - 1643)
Orlando Gibbons (1583 - 1625), Girolamo Frescobaldi (1583 - 1643), Heinrich Schütz (1585 - 1672),
Jean- Baptiste Lully (1632 - 1687), Dietrich Buxtehude (1637 - 1707)
Johann Christoph Bach (1642 - 1703)
Arcangelo Corelli (1653 - 1713), Johannes Pachelbel (1653 - 1706), Henry Purcell (1659 - 1695)
Alessandro Scarlatti (1660 - 1725), François Couperin (1668 - 1733)
Tomaso Albinoni (1671 - 1750), Antonio Vivaldi (1675 - 1745)
Georg Philipp Telemann (1681 - 1767), Jean-Philippe Rameau (1683 - 1764), Georg Friedrich Handel (1685 - 1759), Johann Sebastian Bach (1685 - 1750), Domenico Scarlatti (1685 - 1757)
Jean-Baptiste Loeillet (1690 - 1730), Giuseppe Tartini (1692 - 1770), Johann Joachim Quantz (1697 - 1773)
Pergolesi (Giovanni Battista) (1710 - 1736), Wilhelm Friedmann Bach (1710 - 1784), Carl Philipp Emanuel Bach (1714 - 1788),
Chrisoph Willibald von Gluck (1714 - 1787), Johann Stamitz (1717 - 1757)

De barok mondt uit in de rococo, het classicisme ('de klassiek'), en de préromantiek (1740-1800). In de rococo vinden we niet-symmetrische, vrije muziek met veel versieringen. Het classicisme daarentegen wordt gekenmerkt door evenwichtige, eenvoudige en regelmatige opbouw. De eerste werken van Beethoven en van Mozart en Haydn zijn hier mooie voorbeelden van. In de preromantiek wordt de brug geslagen naar de romantiek: de zangerige gevoelsmatige melodie overheerst.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 206.