kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 02-01-2016 voor het laatst bewerkt.

Arvo Pärt

Tabula Rasa - muziek Arvo Pärt, choreografie Miguel Robles

Estlandse componist, geboren Paide, Estland 11-9-1935

Arvo Pärt werd geboren in Paide een kleine stad vlakbij Tallinn, de hoofdstad van Estland. In 1944 zag hij de bezetting van de Sovjet Unie, die meer dan 50 jaar zou duren en die een diepgaand effect op zin leven en zijn muziek zou hebben.

Zijn muziekstudie begon in 1954 op de Tallinn Middelbare Muziekschool, maar werd minder dan een jaar later onderbroken terwijl hij zijn dienstplicht als hoboïst en speler van de kleine trom in een legerband vervulde.

Hij keerde voor een jaar terug naar de middelbare school, voordat hij naar het conservatorium van Tallinn ging in 1957, waar zijn compositieleraar professor Heino Eller was. Pärt begon als opname-regisseur bij de Estlandse Radio te werken, schreef muziek voor het toneel en kreeg talrijke opdrachten voor filmmuziek, zodat hij, toen hij afstudeerde aan het conservatorium in 1963, al beschouwd kon worden als een professioneel componist.

In 1962 een jaar voor zijn afstuderen won hij de eerste prijs in de All-Union Young Composers' Competition in Moskou met een cantata voor kinderen Meie aed (onze tuin) en een oratorio Maailma samm (schrede van de wereld). Een derde koorwerk uit deze periode is een één pagina compositie genaamd Solfeggio.

Omdat Pärt in de oude Sovjet Unie woonde had hij weinig toegang tot wat er gebeurde in de hedendaagse Westerse muziek, maar ondanks deze isolatie zagen de vroege jaren zestig in Estland vele nieuwe methodes van compositie in het gebruik doorgevoerd worden, en Pärt stond hierbij vooraan.

Zijn eerste orkestrale werk Nekrolog (1960) was het eerste werk in een nieuwe experimentele fase en was ook het eerste Estlandse werk dat de dodecafonie methode van Schoenberg gebruikte. Deze compositie evenals andere werken uit de vroege- en midden jaren zestig, dienden als onbevredigende experimenten met serialistische en aleatorische technieken.
Hij ging door met het serialisme tot midden jaren zestig in stukken als Symphony No. 1, Symphony No. 2 en Perpetuum Mobile, maar uiteindelijk, moe geworden van de strengheid ging hij over op het experiment met collage technieken in werken als Collage über BACH.

Officiële beoordelingen van Pärt's muziek zwenkten tussen extremen, waarbij bepaalde werken werden geroemd en andere, zoals de Credo (1968), werden verboden. Dit stuk zou de laatste van zijn collage werken zijn en na deze compositie koos Pärt ervoor zijn eerste van verschillende perioden van contemplatieve stilte in te gaan. Deze tijd gebruikte hij ook om de Franse en Vlaamse koormuziek van de 14e tot de 16e eeuw te bestuderen: Machaut, Ockeghem, Obrecht, Josquin.

Helemaal in het het begin van de zeventiger jaren schreef hij een aantal overgangs-composities in de geest van de vroege Europese polyfonie, zoals zijn Symphony No. 3 uit 1971.

Arvo Pärt vatte wederom zijn zelf opgelegde stilte op, maar kwam in 1976 weer tevoorschijn na een zo radicale transformatie, dat het zijn voorgaande muziek bijna onherkenbaar maakte als zijnde van dezelfde componist.
De techniek die hij uitvond, of ontdekte en waaraan hij trouw is gebleven, vrijwel zonder uitzondering, noemt hij "tintinnabuli" (van het Latijn, kleine bellen) en die hij zo omschreef:
"Ik heb ontdekt dat het genoeg is wanneer een enkele noot prachtig gespeeld wordt. Deze ene noot, of een geruisloze maatslag, of een moment van stilte, troost me. Ik werk met zeer weinig elementen- met één stem, twee stemmen. Ik bouw met primitieve materialen - met de triad (drieklank), met één specifieke tonaliteit. De drie noten van een triad zijn als bellen en dat is waarom ik het tintinnabulation noem."
Het basisprincipe achter tintinnabulation van het componeren van twee gelijktijdige stemmen als één lijn - één stem stapsgewijs bewegend van en naar een centrale toonhoogte, eerst omhoog dan omlaag, en de andere de klanken van de noten van de triad - werd voor het eerst publiek in het korte pianostuk Für Alina.

Zijn eigen geluid gevonden hebbend, volgde er een stormloop van nieuwe werken en drie van de werken uit 1977 - Fratres, Cantus in Memoriam Benjamin Britten en Tabula Rasa - behoren nog steeds tot zijn meest gewaardeerde.

Terwijl Pärt's muziek uitgevoerd begon te worden in het Westen en hij doorging met zijn strijd tegen de Sovjet bureaucratie, dwong zijn frustratie hem er uiteindelijk toe met zijn vrouw Nora en hun twee zonen in 1980 te emigreren. Ze hebben hun bedoelde bestemming Israël nooit bereikt, maar met de hulp van zijn uitgever in het Westen, vestigden zij zich eerst in Wenen, waar hij het Oostenrijkse staatsburgerschap aannam. Een jaar later met een beurs van de Deutscher Akademischer Austauschdienst (DAAD), verhuisde hij naar West-Berlijn, waar hij nog steeds woont.

Sinds hij Estland verliet heeft Part zich geconcentreerd op de zetting van religieuze teksten, die zich bewezen hebben populair te zijn bij koren en ensembles over de hele wereld.
Onder zijn voorvechters in het Westen waren, Manfred Eicher's ECM Records, die de eerste opnamen van Pärt's muziek uitgaven buiten de Sovjet Unie, Paul Hillier's Hilliard Ensemble die vele van zijn vocale werken in première bracht, en Neeme Järvi - sinds lange tijd medewerker van Part die de première van Credo in Tallinn in 1968 dirigeerde, evenals de tintinnabuli stukken opnam - introduceerde Pärt's vroegere composities door optredens en opnamen.

Pärt's prestatie's werden gehonoreerd op zijn 61ste jaar door zijn verkiezing tot de Amerikaanse Academy of Arts and Letters. In mei 2003, kreeg hij ook de Contemporary Music Award tijdens de Classical Brit Awards ceremonie in de Royal Albert Hall in Londen.

11 september 2005 was Arvo Pärt's zeventigste verjaardag en als een hommage aan de componist vond het 'Rakvere Arvo Pärt Festival 2005' plaats in verschillende steden in Estland.

www.arvopart.info

Bron: www.musicolog.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 212.