kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 19-04-2010 voor het laatst bewerkt.

Arnold+Schonberg

Arnold Schönberg

Arnold Franz Walter Schönberg, Oostenrijks-Amerikaans componist, auteur en schilder, geboren 13 september 1874 in Wenen - gestorven 13 juli 1951 in Los Angeles.

Biografie
Schönberg werd geboren in Wenen op 13 september 1874.

Schönberg groeide op in een joods milieu en begon al op jonge leeftijd te componeren. Bovendien leerde hij viool en cello spelen. Op enkele contrapuntlessen bij de twee jaar oudere componist Alexander Zemlinski na, is hij autodidact.

Zijn vader was koopman, en ook Arnold was voor een loopbaan in die branche voorbestemd. Als hij vijftien is, sterft zijn vader; twee jaar later wordt hij bediende in een bank die kort daarna bankroet gaat. Schönberg besluit dan van de muziek te gaan leven en neemt contrapuntlessen bij Zemlinsky.

Om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien instrumenteert en transcribeert hij operettes! Hij wordt dirigent van een zangvereniging van metaalarbeiders te Stockerau.

Verklärte Nacht
Terzelfder tijd ontstonden zijn eerste, nog onder laat-romantische invloeden geschreven liederen op. 2 en 3 (1899) en zijn eerste 'belangrijke' compositie, strijksextet Verklärte Nacht (1899). In zijn vroege composities schrijft Schönberg nog in een laatromantische stijl die voortbouwt op Brahms en Wagner. Deze werken zijn allerminst onbeduidende jeugdzonden. Het strijksextet Verklärte Nacht Op.4 (1899) wordt unaniem gezien als een hoogtepunt van de laatromantiek. In dit strijksextet is duidelijk de invloed van Wagner hoorbaar.

Na zijn huwelijk met Zemlinsky's jongere zuster Mathilde verhuisde hij in 1901 naar Berlijn, waar hij dirigent werd aan het cabaret van Ernst von Wolzogen, Überbrettl.

Op 7 oktober 1901 huwde Arnold Schönberg de jongere zuster van zijn trouwe promoter, Mathilde von Zemlinsky. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Trudi (1902) en Georg (1906). In december na hun huwelijk kreeg Schönberg een aanstelling als dirigent van het Bunte Theater te Berlijn, een soort literair cabaret. Het jonge echtpaar verhuisde naar die stad.

Richard Strauss droeg de jonge componist-dirigent voor voor de Lisztprijs van de Allgemeine Deutscher Musikverein en bezorgde hem een aanstelling als compositieleraar aan het Stern-conservatorium in Berlijn.

Hij woonde van 1903 tot 1911 weer in Wenen waar hij docent werd aan de reformschool van Eugenie Schwarzwald, en o.a. Alban Berg, Anton Webern, Erwin Stein en Egon Wellesz onder zijn leerlingen had. Uit deze jaren dateert zijn vriendschap met Gustav Mahler, die zich voor zijn muziek inzette.

In Wenen werkte hij als componist, leraar, dirigent en begon te schilderen (de meeste van zijn ca 75 bewaard gebleven schilderijen ontstonden in die periode). In de kringen van de Weense kunstenaars-schilders (Oskar Kokoschka voorop) en dichters (Kraus e.a.), bouwmeesters (Adolf Loos) en musici (Gustav Mahler) – was Schönberg een graag geziene gast. De artiestencafés van Landtmann en Griensteidl waren de ontmoetingscentra.

Tweede periode - Atonale muziek
Schönberg componeerde aanvankelijk in de stijl van Richard Wagner, maar radicaliseerde vrij snel zijn schrijfwijze. Toenemend begon dissonantie onderdeel uit te maken van zijn composities.

Tweede Weense School
Arnold Schönberg is de muziekgeschiedenis ingegaan als de vader van de zogenaamde Tweede Weense School. Rond 1908 neemt hij de baanbrekende stap om de klassieke tonale kompositiestijl te verlaten en atonale muziek te gaan schrijven: muziek die zich niet laat leiden door de dictatuur van consonante drieklank en bijbehorende toonladders. Hij vindt de term atonaal verschrikkelijk negatief maar voor hij iets anders kan voorstellen is atonaal reeds een historisch begrip geworden.

(Schönberg vond zijn vernieuwingen eerder evolutionair dan revolutionair, er waren wel meer componisten die zich losmaakten van de tonaliteit. Liever sprak hij dan ook over de emancipatie van de dissonant. Vanuit de zich steeds verder ontwikkelende chromatiek had hij het idee dat hij zijn vernieuwende stap noodzakelijkerwijs invoerde. Behalve van de in het fin de siècle zegevierende Mahler en Richard Strauss was Schönberg ook een bewonderaar van de muziek van de oudere Dvorák en Brahms, juist omdat die niet zozeer met de chromatische trend meegingen maar zich meer met modaliteit en vorm bezighielden.)

Een belangrijk keerpunt in Arnold Schönbergs componeren vormen de jaren 1907–1908 waarin hij met zijn Tweede strijkkwartet opus 10 (met sopraansolo) en de liedcyclus Das Buch der hängenden Gärten (op teksten van S. George), voor het eerst het tonale systeem losliet en afstand nam van de late romantiek. Kort daarop ontstonden de Drei Klavierstücke op. 11 (1909) en de Fünf Orchesterstücke op. 16 (1909), waarin de atonaliteit een feit is geworden en hij streeft naar uiterste concentratie.

1909 Erwartung, een 'Monodrama' voor zangstem en orkest is een schoolvoorbeeld van expressionisme. Het libretto is een soort droom. De naamloze vrouw van het drama zoekt haar geliefde en treft hem dood in het woud aan. Zij moet hem uit haar bewustzijn verdringen. Het verleden ligt aan flarden en deze geheugenflarden worden tot een psychisch verward heden ineengeschoven: de gevolgen van verdringing zoals ze door Freud werden beschreven.
De koortsachtig wisselende emotionele gesteldheden van de vrouw worden door Schönberg minutieus muzikaal weergegeven.
De afgebroken zinsneden en kreten in de tekst worden gemuzikaliseerd door melodische afsplitsingen en vertakkingen, snelle veranderingen van richting en een voortdurende wisseling van motieven, waardoor de luisteraar nauwelijks een kans op identificatie geboden wordt.
De muziek wisselt veelvuldig van maat en tempo, springt van hoog naar laag en omgekeerd, lijkt onophoudelijk van textuur en dichtheid te veranderen en verkeert ritmisch en dynamisch in niet aflatende beweging: opvlammend en wegstervend, geëxalteerd en gedeprimeerd, wild gebarend en verstarrend.
De dissonanties in de muziek staan daarbij voor de dissociatie van het personage. tonaliteit plaats moest maken voor andere vormen van expressie.

In 1910 geeft hij aan de Akademie für Musik in Wenen compositieles. Zijn Harmonielehre stamt uit die periode. Stilaan werd de naam Schönberg een begrip.

In 1911 leidde hij andermaal een cursus aan het Stern-conservatorium.

In 1912 ontstond de liederencyclus Pierrot Lunaire voor spreekstem en orkest, waarmee Schönberg voorgoed zijn naam vestigde.

Een concertreis door Europa voerde hem o.m. naar Amsterdam, waar hij in 1914 eigen werk (o.a. het symfonische gedicht Pelléas et Mélisande, 1902–1903) dirigeerde in het Concertgebouw.

Arnold Schoenberg: Piano Concerto op. 42

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen zijn ideeën omtrent een nieuwe methode van componeren met twaalf direct op elkaar betrokken tonen tot rijping (zie twaalftoontechniek). Dit is een grondreeks van twaalf halve tonen van het octaaf die in drie variaties kan voorkomen: in kreeftengang (omgekeerde volgorde), in omkering (intervallen in spiegelbeeld) en
in een combinatie van beide. Deze vier reeksen kunnen dan nog eens getransponeerd worden naar de elf andere halve tonen van het octaaf, zodat we 4 x 112 - 48 verschillende reeksen hebben.

Zijn compositiecursus aan de Weense Schwarzwaldschool zette hij vanaf 1917 voort in zijn eigen huis te Mödling. Van zijn leerlingen werkten o.a. Rudolf Kolisch, Eduard Steuermann en Erwin Ratz mee aan de uitvoeringen van de in 1918 opgerichte Verein für musikalische Privataufführungen.

De winter 1920–1921 bracht Schönberg met zijn gezin en een aantal leerlingen door in Nederland, waar hij uitvoeringen leidde van eigen werk (o.a. de Gurrelieder, 1900–1911; koorwerk op tekst van J.P. Jacobsen) en tevens een analysecursus gaf.

derde periode - emancipatie van de dissonant
Arnold Schönberg was een van de eersten die opzettelijk "valse noten" componeerde, echter niet zonder eerst een theorie uitgewerkt te hebben waarin valse noten gewoon niet bestonden (de "emancipatie" van de dissonant). Na een vrije atonale periode presenteert Schönberg in 1923 zijn reeksentechniek: thema’s worden samengesteld uit de twaalf tonen in het octaaf. De zogenaamde twaalftonentechniek, een twaalftoonsysteem dat hij vanaf dan nauwgezet zou toepassen.

dodecafonie
Arnold Schönberg ontwikkelde in de Tweede Weense Periode een speciale vorm van atonaliteit. De hiërarchie, waarin de grondtoon het belangrijkst was is definitief verdwenen. Om te voorkomen dat associaties met tonaliteit ongemerkt binnensluipen worden de twaalf tonen in een reeks, een serie gezet. Alle twaalf chromatische tonen mogen slechts éénmaal in een reeks gebruikt worden. Zo kan geen toon belangrijker worden dan een andere, omdat ze niet vaker voorkomt. De toon mag pas herhaald worden als alle twaalf tonen van de reeks geklonken hebben. Alle tonen zijn dus gelijkwaardig: de emancipatie van de toon! Ook herhaling van motieven wordt vermeden omdat herhaling hiërarchie in de hand werkt en associaties aan vroeger oproept. De dissonante samenklank is een verplichting, de consonant wordt gemeden (het zogenaamde Konsonantverbot). Deze muziek wordt twaalftoonsmuziek of dodecafonie genoemd. In het verwerken van de twaalftoonsreeks worden technieken gebruikt als kreeftengang (de reeks van achteren naar voren), in omkering (stijgende intervallen worden dalend en omgekeerd) of een combinatie van deze technieken.

Schonberg had met zijn twaalftoonstechniek en zijn 'emancipatie van de dissonant' een nieuwe visie op muzikale ordening geïntroduceert, en het traditionele onderscheid tussen consonant en dissonant overboord gezet. In het begin van de jaren twintig vond zijn nieuwe ‘twaalftoonsysteem’ voor het eerst toepassing in een reeks composities, w.o. de Fünf Klavierstücke (1920–1923), de suite voor piano op. 25 (1920–1923) en het blaaskwintet op. 26 (1924).

Vanaf 1925 doceerde hij compositie aan de Berlijnse Akademie der Künste.

Er kwam een stroom van nieuwe werken los, waarvan het 3de strijkkwartet op. 30 (1927) en de Variationen für Orchester op. 31 (1928) de onbetwiste hoogtepunten vormen.

In 1933 werd hij als niet-ariër ontslagen bij de Berlijnse Akademie der Künste waarna hij naar Spanje reist. Daarna vluchtte hij met zijn tweede vrouw, Gertrud Kolisch, via Frankrijk naar de Verenigde Staten.

Verenigde Staten
Korte tijd doceerde Schönberg aan het Malkin- conservatorium te Boston en in New York. Van 1936 tot 1944 leidde hij een compositieklas aan de universiteit van Californië in Los Angeles.

In 1941 wordt hij Amerikaan door naturalisatie.

In zijn late werken lijkt hij enigszins terug te keren naar de tonaliteit. Hoewel het twaalftoonsysteem het uitgangspunt van al zijn latere werken bleef, werd het in Schönbergs zgn. Amerikaanse periode aanzienlijk minder streng gehanteerd en niet zelden aan min of meer tonale structuren dienstbaar gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de suite in G voor strijkers (1934), Thema und Variationen für Blasorchester (1943), het declamatorium Ein Überlebender aus Warschau, (1947)/ A survivor from Warsaw (1947)en het Pianoconcert, 1942.

Arnold Schönberg overleed in 1951 te Los Angeles.

Zowel Schönbergs atonale muziek uit de jaren 1909–1913 als zijn twaalftoonsmuziek vanaf 1923 hebben onuitwisbare sporen nagelaten. Niet omdat zij de nadien gecomponeerde muziek van een blijvend fundament hebben voorzien – dat is niet het geval geweest –, maar omdat hiermee het einde werd verklaard aan het denkbeeld van een algemeen geldend stelsel van harmonie- en stemvoeringsregels en sindsdien in de westerse kunstmuziek tal van muzieksystemen gelijkberechtigd naast elkaar bestaan. Dat Schönberg zijn eigen systeem in dienst stelde van de ontwikkeling van de muziek in haar totaliteit, stempelt hem eerder als een traditionalist dan als een revolutionair. Er zijn wel meer kanttekeningen te maken bij het revolutionaire gehalte van zijn werk, nog afgezien van de bezwaren die hij zelf tegen een eenzijdige benadrukking van dit aspect had: zijn opvatting van muziek als toegang tot het absolute is van 19de- eeuwse herkomst, en zijn nieuwe toonordening heeft hij in eerste aanleg toegepast binnen de strikte kaders van de traditionele, klassieke vormschema's, om haar daarbij te gebruiken voor een in wezen hoog-romantisch espressivo. Dit laatste is er oorzaak van geworden dat zijn eerdere atonale werk soms meer overtuigt dan zijn stukken in het twaalftoonsysteem, welk systeem pas tot volledige ontwikkeling is gebracht door zijn leerlingen, van wie Anton Webern, Alban Berg en Hanns Eisler de belangrijksten zijn.

Sinds 1974 is Schönbergs woonhuis in Mödling ‘Gedenk- und Forschungsstätte’.
In 1977 is op de campus van de University of Southern California in Los Angeles een Schoenberg Institute geopend, dat ook regelmatig een Journal publiceert.'

Naast componeren schildert Schönberg, vooral visionaire expressionistische stukken. Oskar Kokoschka noemt hem een ‘realist die precies zijn visioenen wil vastleggen’. Vassily Kandinsky spreekt over ‘toverachtigheid van de hardste materie’.


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 268.