kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.

Anton Webern

Glenn Gould - Webern

Anton Friedrich Wilhelm (von) Webern (geb. 3.12.1883 in Wenen - gest. 15.9.1945 in Mittersill/Salzburg), Oostenrijkse componist,

Anton Webern was zoon van een hooggeplaatste Oostenrijkse ambtenaar, begon zijn studies aan de universiteit te Wenen in 1902. Begon al tijdens zijn gymnasiumstudie te componeren onder invloed van Brahms, Wagner, Richard Strauss en Mahler.
Van 1902 tot 1906 studeerde hij muziekwetenschap aan de universiteit van Wenen (bij G. Adler). Piano- en cellolessen had hij reeds als schooljongen in Klagenfurt ontvangen. De eerste bewaard gebleven composities (o.a. ballade Jung Siegfried) vertonen de invloed van een reis naar Bayreuth (1902).

Van 1904-08 studeerde hij compositie bij Arnold Schönberg, samen met A. Berg.

In 1906 promoveerde Webern op een dissertatie over Heinrich Isaac tot doctor in de filosofie.

Na voltooiing van zijn studie begon hij zijn loopbaan als theaterkapelmeester, die hem van Bad Ischl naar Wenen, Teplitz, Dantzig, Stettin en Praag voerde.

Na W.O. I vestigde Webern zich in Wenen, waar hij als leraar, dirigent en als medewerker aan de 'Verein für musikalische Privataufführungen' van Schönberg werkzaam was.
Hij gaf nu het theater, dat hem in wezen vreemd was, op en wijdde zich aan de koorleiding en aan de directie van de Wiener Arbeiter-symphoniekonzerte, die hij van 1922-34 leidde. In 1920 sloot de Weense Universal-Edition met Webern een overeenkomst over de uitgave van zijn eerste werken; daaronder waren de Orchesterstücke op. 6, die bij de wereldpremière te Wenen een sterke tegenstand hadden opgeroepen.

De Passacaglia op. 1, die Webern in 1921 op het Duitse 'Tonkünstlerfest' te Düsseldorf dirigeerde, maakte zijn naam bekend.

Van 1922 tot 1934 was hij als concertdirigent (o.a. van de Arbeiter Sinfonie Konzerte) in Wenen werkzaam. Uitvoeringen van composities van Schönberg en van Mahlers achtste symfonie (1926) vormden hoogtepunten in deze perioden.

In 1924 kwam hij voor op het programma van het kamermuziekfeest te Donaueschingen (Streichquartett-Bagatellen op. 9), en sedert 1926 verscheen hij geregeld op de programma's der muziekfeesten van de Int. Soc. f. Conto Music.
De stad Wenen verleende Webern in 1924 en in 1932 haar muziekprijs.

In 1927 werd Webern vaste dirigent van de Oostenrijkse radio.

De waardering in Wenen voor Webern als dirigent stond scherp in contrast tot het onbegrip waarop hij in dezelfde stad stuitte ten aanzien van zijn composities. Na de nog tonale Passacaglia opus 1 (1908) had hij de vrij- atonale compositiewijze gevolgd. In dit stadium schreef hij voornamelijk vocale werken; teksten boden hem een formeel houvast bij het gebruik van een idioom waarin het verschil tussen consonerende en dissonerende harmonieën – en daarmee de mogelijkheid een muzikaal betoog van enige lengte te articuleren – was opgeheven. Schönbergs uitvinding van een nieuwe variatie- techniek, de twaalftoontechniek (ca 1921), maakte het schrijven van abstracte muzikale structuren minder problematisch, en na die tijd verschenen van Weberns hand dan ook weer meer composities voor instrumentale bezettingen (o.m. Symphonie op. 21, 1928, Streichquartett op. 28, 1938, en de Variationen für Orchester op. 30, 1940). In zijn toepassing van de twaalftoontechniek ging hij echter een andere weg dan Schönberg (neoklassiek) en Berg (muziekdramatisch expressionisme). Bij Webern stond de twaalftoonreeks niet langer in dienst van overgeleverde muzikale vormen, maar genereerde zij de vorm zelf, door haar interne structurering en de consequenties die daar op de hogere structurele niveaus uit te trekken vielen. Met deze sterke ‘wisselwerking tussen materiaal en vormgeving’ (De Leeuw, 1977) hangt de uiterste bondigheid samen die voor Weberns muziek bij uitstek kenmerkend is. Van de drie componisten is het daarom Webern geweest die in de jaren 1928–1945 een definitieve breuk met de romantiek bewerkstelligde en de weg wees naar de latere seriële muziek.

Als vertolker van moderne muziek verwierf hij ook o.m. in Londen en in Berlijn een reputatie. In 1930 verleende de Oostenrijkse radio hem een lectoraat voor moderne muziek.

Na 1934 drong het toenemend fascisme in het Weense muziekleven Webern geleidelijk uit al zijn functies.
Sedert 1935 leefde hij in zijn huis te Mödling als privé-muziekleraar.
Uitvoeringen van Weberns muziek vonden in die jaren alleen nog in besloten kring of buiten Oostenrijk en Duitsland plaats. Ook zijn 60ste verjaardag ging voor de buitenwereld onopgemerkt voorbij.

In 1945 vluchtte Webern met zijn gezin uit Wenen naar het Salzkammergut. Daar stierf hij, na het einde van de oorlog, door de kogel van een Amerikaanse soldaat.

Webern is met Alban Berg de belangrijkste exponent van de Schönberg-school; na de tonale Passacaglia voor orkest overschreed hij - in dezelfde tijd als zijn leermeester - de grenzen van de tonaliteit (liederen op. 3 en 4), zoals hij ook in 1924 tot de twaalftoontechniek overging (in de Volkstexte op. 17). Zijn zelfstandige persoonlijkheid uitte zich echter reeds in zijn jeugdwerken. Een tere lyriek en een verinnerlijkte uitdrukkingswijze leidden tot de gecomprimeerde vormen (bagatellen, viool- en cellowerken). die zijn reuvre tot het trio 1927 kenmerken. Meer dan de helft van zijn werken is vocaal; zij stonden aanvankelijk in het teken van de esoterische lyriek van Stephan George; via Rilke
en Georg Trakl vond W. de weg tot de geestelijke lyriek, die hem sinds 1924 steeds meer in haar ban had. Het melodisch beperkte motief van drie of vier tonen bleef Weberns materiaal, de canon zijn specifieke wijze van polyfoon denken. Door beide elementen aan de dodecafonie aan te passen, maakte hij de constructie gecompliceerder, de resultaten echter eenvoudiger. Zo werd voor zijn latere werken een nieuwe 'ruimte'ervaring typerend. De integratie van de vormelementen in gecoördineerde reeksen heeft op de jonge componistengeneratie na 1945 een grote invloed gehad. Hierdoor wordt W. ten onrechte als een tegenpool van Schönberg beschouwd: hij heeft zijn leermeester slechts consequent gevolgd op een weg, die bij W. voerde naar een klaarheid en eenvoud, welke op zich zelf school hebben gemaakt.

In Wenen werd in 1982 een Verein zur Erforschung und Dokumentation der Musik Anton Weberns opgericht.

Wrk.: kamermuz.: 5 Sätze v. strijkkwartet op. 5 (1909), 4 Stücke v. viool en piano op. 7 (1910), 6 Bagatellen v. strijkkwartet op. 9 (1913), 3 kleine Stücke v. violoncel en piano op. II (1914), Streich-Trio op. 20 (1927), kwartet v. viool, klarinet, tenorsaxofoon, piano op. 22 (1930), concert v. fluit, hobo, klarinet, hoorn, trompet, trombone, viool, altviool en piano op. 24 (1934), variaties v. piano op. 27 (1936), strijkkwartet op. 28 (1938); zonder op.nr. pianokwintet (1907); koorwrk.: Entflieht auf leichten Kähnen v. gemengd koor a cappella op. 2 (1908), 2 Goethelieder v. gemengd koor met celesta, gitaar, viool, klarinet en basklarinet op. 19 (1926). Das Augenlicht (H. Jone) v. gemengd koor en orkest op. 26 (1935), 1. Kantate (H. Jone) v. sopraan, gemengd koor en orkest op. 29 (1939), 2. Kantate (H. Jone) v. sopraan, bas, gemengd koor en orkest op. 31 (1941'43); orkestwerken: Passacaglia op. I (1908), 6 Stücke v. groot orkest op. 6 (1910), Fünf Stücke op. 10 (19U-13), symfonie v. klein orkest op. 21 (1928); Variationen op. 30 (1940); pianoliederen: op. 3, 4, 12, 23 en 2;; liederen met instrumentale begeleiding: 2 Rilkelieder v. zangstem en 8 instr. op. 8 (1911-12), 4 Lieder v. zangstem en 13 instr. op. 13 (1914-18), 6 Trakl-Lieder v. zangstem, klarinet, basklarinet, viool en violoncel op 14 (1917-21), 5 geistl. Lieder v. hoge sopraan, fluit, klarinet (bas. klarinet), trompet, harp en viool (altviool) op. 15 (1917-22),5 latein. Kanons v. hoge sopraan, klarinet en basklarinet op. 16 (1924), 3 Volkstexte v. zangstem, viool (altviool), klarinet en basklarinet op. 17 (1924), 3 liederen v. zangstem, Es-klarinet en gitaar op. 18 (1925); bewerkingen: o.a. A. Schönberg: Kammersymphonie op. 9 v. piano. kwintet, Webern op. 5 v. orkest


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 12.