kunstbus

Ben jij de slimste mens? Test je kennisniveau op YaGooBle.com.
Dit artikel is 13-11-2008 voor het laatst bewerkt.

Albert Roussel

Albert Charles Paul Marie Roussel, geboren 5 april 1869 in Tourcoing, gestorven 23 augustus 1937 in Royan, Frans componist.

Padmavati

Albert Roussel werd op zevenjarige leeftijd wees en kreeg zijn opleiding in Parijs onder andere aan de École navale. In 1889 nam hij dienst als zeeofficier, in welke functie hij tot 1894 werkzaam was.

Op advies van enkele musici, die zijn eerste composities (o.a. een Fantasie voor viool en piano) hadden gezien ging Roussel muziek studeren. Roussel bezocht de Schola Cantorum in Parijs en kreeg daar eerst les van Eugène Gigout (1894-1898) en van 1898-1907 bij Vincent d'Indy.

In 1898 won hij met twee vierstemmige madrigalen de prijs van de Société des Compositeurs. In hetzelfde jaar verscheen zijn eerste werk in druk: Des Heures Passant voor piano.

Van 1902 tot 1914 werd hij aan de Schola Cantorum belast met de leiding van een contrapuntklas, een functie die hij circa twaalf jaar vervulde. Gedurende die periode behoorden tot zijn leerlingenkring onder meer Erik Satie en Bohuslav Martinu.

In 1909 vertrok Roussel opnieuw naar Indo-China en India, landen die hij ook tijdens zijn vroegere zeereizen had bezocht.

Tijdens W.O. I was hij werkzaam bij het Rode Kruis en later bij de Transportdienst (Marne en Verdun). In 1918 trok hij zich, met een ondermijnende gezondheid, terug in de provincie. In 1930, bij het 50-jarig bestaan van het Boston Symphony Orchestra, waarvoor hij zijn derde symfonie schreef, bezocht Roussel als gast van het orkest de V.S.

Het oeuvre van Roussel vertoont verschillende invloeden en de duidelijke kenmerken van een evolutie, waarin de verschillende stromingen die tijdens zijn leven aan de orde waren, op persoonlijke wijze zijn verwerkt. Hiermee is zijn artistieke ontwikkeling in drie scheppingsperiodes op te delen:
de eerste periode vertoont, naast enkele persoonlijke accenten en een geringe invloed van Claude Debussy, vooral het streven naar perfect componeren, zoals hij dat bij d'Indy had geleerd. De eerste werken: eerste Symphonie, Le festin de l'araignée, Padmavati, zijn impressionistisch georiënteerde klankschilderingen gedeeltelijk gebaseerd op indrukken opgedaan tijdens zijn Aziatische reizen. Eén werk uit deze periode, Divertissement voor piano en blaaskwintet uit 1906, verraadt echter een andere instelling: klassiek gerichte vormstructuur en meer contrapuntische schrijfwijze. Door deze elementen (te wijten aan zijn opleiding aan de Schola Cantorum) kon Roussel toen het impressionisme over zijn hoogtepunt was, makkelijk een ommezwaai in stijl maken.

Impromptu op. 21 1919

In de tweede periode verandert zijn stijl. De harmonische verbindingen worden stoutmoediger, de invloed van Debussy is geheel verdwenen en de nieuwe toon van Roussel wordt onderwerp van hevige kritiek, maar ook van enthousiaste bijval. De tweede Symphonie (1922) vertoont de sporen van deze omwenteling, die in de werken uit de jaren 1926-30, waaronder Suite voor orkest, tot een neoklassieke en neobarokke stijl voerde.

In de derde periode, ca 1930, lijkt Roussel zijn eigenlijke stijl te hebben gevonden, waarin afkomst, opleiding en gerijpte persoonlijkheid tot een eenheid zijn gebracht. In de werken uit deze periode uit Roussel zich het sterkst: derde Symphonie (1930), strijkkwartet (1932), vierde Symphonie (1935).

Wat Roussel het meest bezighield was de muzikale vorm en de logische ontwikkeling ervan. Hij grijpt terug op klassieke vormprincipes en verrijkt die, zowel wat de klank als het ritme betreft, door exotisme. Daarbij bedient hij zich van de scala's en ritmes van vreemde volkeren die hij had leren kennen op zijn talrijke reizen buiten Europa.
De componist gebruikt bijvoorbeeld ongewone ritmische structuren als 5/4, 7/4 of 16/8 maat. Zijn melodieën zijn vooral in de langzame delen breed van opzet en hebben een lyrisch karakter.

Ondanks het niveau van zijn composities en ondanks de bewondering van jonge Franse componisten voor Albert Roussel, had hij een geringe invloed op volgende generaties.

In zijn drie symfonische Évocations (1911) en het opera-ballet Padmavatî (gecomponeerd in 1914, in première in 1923) perfectioneerde hij de muzikale verwerking van exotische thema's. In beide werken roept Roussel beelden en impressies van India op, gebruik makend van Hindoestaanse toonladders.

Zijn oeuvre omvat orkestmuziek, waaronder onder andere vier symfonieën, andere symfonische muziek, pianomuziek, een pianoconcert, een vioolconcert, suites, kamermuziek, drie opera's, drie balletten alsook toneelmuziek, koorwerken en liederen.
Symfonisch: Suite in F (1926); Sinfonietta (1934).
Kamermuziek: Trio voor viool,cello en piano (1902), Divertissemnet voor fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn en piano (1906), 2 vioolsonates (1908-1924), Joueurs de flûte (1924, Sérénade voor fluit, viool, altviool, cello en harp (1925), Strijkkwartet (1932).
Opera's: Padmávati (1914), La naissance de la lyre (1922-24) Le testament de la tante Caroline, opera buffa (1923-33).
Koormuziek: Évocations (1910-1912), Psalm LXXX (1928).
Balletten: Le festin de l'araignée (1912), Bacchus e Ariane (1930), Aeneas (1935).

website: www.opus1.com


Test je competentie op YaGooBle.com.

Pageviews vandaag: 110.